Twee jaar lang mocht de bètafaculteit genieten van haar eigen vrouwenstudies, in de vorm van een uit negen delen bestaande collegecyclus- Maar het onder anderen door drs. J.P. Jansen Verplanke georganiseerde experiment sneuvelde, tot haar eigen verrassing, op advies van een facultaire evaluatiecommissie afgelopen december in de faculteitsraad. De commissie vond dat vrouwenstudies niet thuishoren binnen de bèta-faculteit.
Wat zijn dat nou eigenlijk, bètavrouwenstudies?
Drs. Joke Jansen Verplanke: ”Het is een themagebied met twee soorten vraagstukken. Ten eerste wordt de wetenschap als product in beschouwing genomen, de wetenschappelijke kennis. Er wordt gekeken in hoeverre man-vrouwverschillen daarin relevant zijn, en of er recht wordt gedaan aan wat vrouwen zelf vinden van hun rol. Een goed voorbeeld daarvan is de sociobiologie, die uitgaat van nogal traditionele rolpatronen. Je kunt die kennis gaan bekijken door een speciale ’vrouwen’-bril. Ten tweede houden we ons bezig met de wetenschap als sociale activiteit. Waarom zitten er zo weinig meisjes bij de Natuurwetenschappen, of als je kijkt naar de sociale organisatie van de wetenschap: hoe komt het dat vrouwen zo vaak uit de boot vallen in de informele communicatie-circuits.”
Deze benaderingen werden vorig jaar voor de tweede maal verpakt in een serie colleges, die verschillende delen van het themagebied bestreken. Zo ging een college over ’de persoonlijkheid van de natuurwetenschapper’, en gingen er drie over ’de gevolgen van het natuurwetenschappelijk onderzoek voor vrouwen in de samenleving’. Maar ook hadden vier als onderwerp ’inhoudelijke kritiek op methodes en vooronderstellingen van specifieke natuurwetenschappelijke onderzoeken’. Gedeeltelijk dus onderwerpen waar ervaring in de bètafaculteit te pas zou komen, en een zekere natuurwetenschappelijke basis voor de deelnemers nuttig zou zijn.
Sarah Kraak, biologiestudent en deelnemer aan de collegeserie van afgelopen jaar, verwoordt het zo: ”’Ik heb het idee dat een heleboel dingen, eigenlijk bijna alle dingen, gericht waren op bèta-vrouwen. Die waren helemaal niet interessant voor iemand die talen of geschiedenis studeert.”
De organisatoren en deelnemers van de collegecyclus maakten na afloop zelf een evaluatierapport, waarin ook de inhoud van het behandelde naar voren kwam. Op basis hiervan kwam een commissie, gevormd door vier vertegenwoordigers uit de verschillende hoeken van de faculteit, tot een eigen evaluatie van het experiment. Achteraf’, zegt Joke Jansen Verplanke, ’’was het een veel te zware commissie, met drie professoren erin. Ik had nooit akkoord moeten gaan met de samenstelling ervan. Er zaten mensen in die bij voorbaat bétavrouwenstudies al niet zagen zitten. Maar ik was toen politiek gezien naïef. Het overkomt me ook niet weer.”
Bèta-karakter
De commissie raakte niet onder de indruk van het bèta-karakter, wat dat dan ook precies inhoudt, van de cyclus. Volgens het rapport “was er voor het volgen van de colleges nauwelijks enige bèta-achtergrond of -kennis nodig. (…) Wij kunnen deze colleges niet specifiek béta-wetenschappelijk vinden. Het ervaren van een bèta-studie als vrouw is geen vereiste om deze colleges te volgen of te geven. Het geven van een apart vak ’bèta-vrouwenstudies’ lijkt ons geforceerd en een onnodige versnippering van het onderwijs op de RUG. (…) Wij vinden dat het vak niet bij de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen thuis hoort’’, aldus het evaluatierapport.
Prof.dr. J. Kommandeur, lid van de commissie, komt tot die conclusie ondanks het feit dat hij toegeeft dat er op het gebied interessante vragen liggen, en dat het onderzoek daaraan moet gebeuren door iemand die thuis is in de bèta-faculteit. “Het gaat om de vraag waar je de grenzen van die faculteit legt’’, stelt hij. ’’Wetenschap en Samenleving is voor mij het uiterste randje. Als je je nog meer met de samenleving gaat bezighouden kom je bij de sociologie terecht. Als bij een bank meer vrouwen werken dan mannen, moet die bank dan uitzoeken hoe dat komt? Dat lijkt me meer iets voor de sociologen.”
Deze uitspraken illustreren het ‘ verwijt van Joke Jansen Verplanke, dat de commissie in plaats van de colleges te evalueren slechts een stellingname omtrent de plaats van bèta-vrouwenstudies heeft geventileerd. Maar dat is volgens haar geen kritiek op de commissie, maar op het faculteitsbestuur, dat de commissie met een verkeerde opdracht aan het werk heeft gezet. Overigens betekende dat in haar ogen niet dat ze ook de ruimte hadden om te zeggen dat het vak als zodanig niet bij de faculteit thuis zou horen. Ze moesten kijken naar het niveau. Prof. Kommandeur hierover: “Wij waren gevraagd een uitspraak te doen over de toekomst van de vrouwenstudies, of het nuttig was om er mee door te gaan in de faculteit. Mede aan de hand van de inhoud.”
Onbegrijpelijk
Het is echter niet de enige kritiek van Joke Jansen Verplanke op de gang van zaken. Zo vindt ze het onbegrijpelijk dat niet eerst criteria zijn bepaald aan de hand waarvan vervolgens het een en ander getoetst kon worden. Het verbaasde haar dat in de discussies over haar onderwijsvoorstel steeds wordt gesproken over een onderzoeksvoorstel, en dat het dus ook beoordeeld is op de dáárvoor geldende criteria. Verder staan er volgens haar aperte onjuistheden in het rapport waar het gaat over de beschrijving van de inhoud van de colleges.
Tenslotte stelt zij in een brief aan de faculteit: “Overigens is het gebruikelijk als een oordeel over het vertrouwen in de toekomst van enige wetenschappelijke groep wordt gevraagd, het vertrouwen in de personen een eerste voorwaarde daartoe is. Een gesprek met de betrokkenen ligt dan voor de hand.”
Kommandeur vindt het begrijpelijk dat de kritiek zich vooral toespitst op de procedurele kanten van de meningsverschillen: Dat zou ik in die situatie ook doen.”
Vreemd was wel dat Joke Jansen Verplanke naar eigen zeggen het evaluatierapport van de commissie niet mocht inzien voor de beslissende vergadering van de faculteitsraad. ’’Waanzin’’, zegt ze daarover, “daar heb ik me ontzettend kwaad over gemaakt.” Maar volgens Kommandeur is dat een zaak van het bestuur geweest. wat de commissie niet valt te verwijten.
Eigenbelang
Prof.dr.ir. C.J. Weeda, sinds korte tijd Groningens eerste hoogleraar Emancipatievraagstukken, is verbaasd over de beslissing van de faculteit: ”’Juist de bèta faculteit heeft een eigenbelang bij vrouwenstudies. Ze moet beseffen dat de enige groeimarkt voor studenten ligt bij de vrouwen. En met name de bèta faculteit ligt wat dat betreft moeilijk, is niet erg toegankelijk voor vrouwen. Om dat te verbeteren moeten er twee dingen gebeuren: Het aantal vrouwelijke medewerkers moet omhoog, zodat het beeld van een mannenbolwerk wat kan worden afgebroken, èn er moet binnen dit soort richtingen aandacht worden besteed aan vrouwenvraagstukken.” Ze vindt het jammer dat het niet meteen gelukt is, ook gezien de discussies in de andere faculteiten, maar ze is wel blij dat de deur niet helemaal is dichtgegooid.
Dat is ook het troostende lichtpuntje voor Joke Jansen Verplanke: ’’De faculteitsraad vond ik toch heel positief. Dat concludeer ik uit de stemverhoudingen, met twaalf onthoudingen bij de afwijzing en een grote meerderheid zonder onthoudingen bij de motie over het behandelen van een eventueel nieuw voorstel. Ik denk dat ze ons, als we inderdaad een ander voorstel inleveren, ’the benefit of the doubt’ zullen geven.”
