Menu Close

Vitamine-bintjes: Gen-voedsel presenteert zich straks als ‘extra gezond’

Het gekibbel over de veiligheid van genetisch gemanipuleerd voedsel is nog maar een voorproefje van de discussie die ons straks te wachten staat: hoe gezónd zijn gemanipuleerde aardappelen met een extra scheutje vitamine C?

Zoete tomaten, nu nóg beter tegen kanker. Genetisch gemanipuleerde sojaolie, goed voor hart en bloedvaten. Snipverkouden? Vergeet de ouderwetse fruitmand, en neem de nieuwste vita-bintjes mee — verrijkt met extra vitamine C en E.

Vanaf de jaren zeventig beloofden biotechnologen gouden tijden voor de voedselindustrie: door genen van de ene soort in de andere over te planten, kon voortaan elke gewenste eigenschap aan bestaande gewassen worden toegevoegd — tot heil en zegen van de consument, dat sprak.

Maar tot nu toe hebben de technologen weinig van die beloften waargemaakt. Wervende teksten als die hierboven zijn in de supermarkt nog niet te vinden. Zeker, er woedt een felle discussie over de veiligheid van genetisch gemanipuleerde soja, maïs en aardappelen. Maar de eigenschappen die in die gewassen werden ingebouwd, zijn voor de consument volstrekt oninteressant — ze zijn alleen bedoeld om boeren tijd en geld te besparen. Fabrikanten vermelden de manipulatie met tegenzin op het etiket, de consument vraagt zich hooguit af of zijn gezondheid er niet door wordt geschaad.

Maar over een jaar of drie, voorspellen deskundigen, zal die situatie compleet zijn omgedraaid. De tweede generatie genetisch gemanipuleerde gewassen zal niet meer claimen gelijkwaardig te zijn, maar ronduit beter. Etiketten zullen pochen over de nieuwe vitamine-genen die zijn ingebouwd, en wetenschappers zullen discussiëren over een heel nieuwe vraag: zijn die genetisch gemanipuleerde gewassen wel zo gezond als alom wordt beloofd?

Functional foods, worden ze in vakkringen genoemd. Designer foods is als benaming ook al geprobeerd, of nutraceuticals — een goed Nederlands woord wil maar niet voorbij komen. Maar al die Engelse termen wijzen in dezelfde richting: de ooit zo scherpe grens tussen voedsel en medicijn wordt almaar vager. Was gezond eten ooit een kwestie van de schijf van vijf, nog even en we lopen met een doktersrecept door de gangen van de Albert Heijn.

Dat ons voedsel wordt opgetuigd met stoffen die de gezondheid moeten bevorderen, is op zich natuurlijk niet nieuw. We zouden allen lijden aan een chronisch vitaminegebrek, als margarinefabrikanten hun producten niet met vitamine A en D hadden opgepept. Jodium toegevoegd aan keukenzout beschermt ons tegen gezwollen schildklieren, en voorkomt dat we achterop raken in onze geestelijke en lichamelijke ontwikkeling.

Maar een golf aan epidemiologisch onderzoek leidt de laatste decennia tot steeds meer claims over de effecten van voeding op onze gezondheid. ‘Verkeerde vetten’ kregen de schuld van dichtslibbende bloedvaten; vezels zouden de kans op darmkanker verlagen; ‘anti-oxidanten’ in groente en fruit zouden de weerstand verhogen en de kans op longkanker, hart- en vaatziekten en de ziekten van Parkinson en Alzheimer verlagen.

Margarinefabrikanten probeerden als eerste zulke epidemiologische onderzoeksresultaten in klinkende munt om te zetten. Becel bevatte meer ‘goede’, meervoudig onverzadigde vetzuren, en was volgens de eerste campagnes dus ‘goed voor hart- en bloedvaten’. Inmiddels is die claim van bovenaf beperkt, en ‘past het in een cholesterolverlagend dieet.’

De jacht op een lang, gezond leven bleek niet te stuiten. De jaaromzet in vitaminepillen, die ‘vermoeidheid tegengaan’ of ‘de afweer versterken’, ligt nu ruim boven de honderd miljoen gulden. Tussen 1988 en 1998 groeide het percentage Nederlanders dat zulke pillen slikt van 17 tot 24 procent, aldus het Voedingscentrum in Den Haag. Dat ondanks het feit dat op de verpakking moet worden vermeld dat bij een ‘gevarieerd dieet’ zulke toevoegingen niet nodig zijn.

In 1996 liet de Nederlandse overheid de nieuwste categorie producten toe: traditionele voedingsmiddelen waaraan in de fabriek vitaminen zijn toegevoegd. Sindsdien is het leven er in de rij met frisdrank en zuivel niet gemakkelijker op geworden: ‘sportdrankjes’ zijn opgevoerd met vitaminen B, C en E; Vruchtendranken zijn ‘verrijkt’ met extra vitaminen A, B en C, en zelfs een beetje kalk, dat volgens de aanprijzing ‘goed is voor de botten’ — de claim dat botontkalking ermee kan worden tegengegaan, is nog niet afdoend bewezen.

Drinkyoghurts zoals Yakult waren even eerder al uitgebreid met ‘goede’ bacteriën, die in de darm de strijd aangaan met slechteriken wier giftige bijproducten de kans op darmkanker verhogen.

Het nuchtere Nederland lijkt met enige vertraging de Verenigde Staten achterna te gaan, waar consumenten al langer door gezond eten geobsedeerd leken te zijn. In de Amerikaanse supermarkt is geen melk meer te krijgen zonder dat er kalk, of vitamine A of D, aan is toegevoegd; Olestra, het vet dat door de darmen niet wordt opgenomen, is wijd verbreid — al waarschuwen reclamespots voor ‘olieachtige ontlasting’. Vitamine B11 (foliumzuur), in Nederland alleen geadviseerd aan zwangere vrouwen, is toegevoegd aan pasta, rijst en cornflakes, omdat het de kans op hart- en vaatziekten zou verkleinen.

Reformwinkels breiden het concept nog verder uit: sinds Sint-Janskruid in de medische literatuur wordt genoemd als werkzaam tegen depressies, wordt de plant door de tomatensoep gestrooid — ‘voor een natuurlijke verbetering van uw humeur’.

Als de voortekenen niet bedriegen, dan staan we echter aan de vooravond van weer een nieuwe golf functional foods. Want genetische manipulatie kan de samenstelling van plantaardig voedsel rijker maken, zelfs zonder dat het in de fabriek tot pak of blikje is verwerkt.

De eerste generatie genetisch gemanipuleerde gewassen, die afgelopen zomer 25 miljoen hectare Amerikaanse landbouwgrond bedekten, had de gezondheid van de consument nog niets te bieden. Of het nu ging om soja, maïs, aardappelen, tomaten of katoen, voordeel was er alleen voor de boer of de verwerkende industrie. Resistenties tegen plagen of onkruidverdelgers besparen boeren tijd en geld — al vallen die baten volgens de eerste onderzoeken nog een beetje tegen; verbeterde houdbaarheid beperkt vooral het verlies tijdens verwerking en transport.

Maar langs de zijlijn loopt de tweede generatie genetisch gemanipuleerde gewassen zich warm. Over drie jaar, verwacht Willy de Greef, hoofd regelgeving van het multinationale zaadbedrijf Novartis Seeds in Basel, zullen de eerste van die producten de markt bereiken. Verscheidene multinationale zaadbedrijven, waaronder Pioneer, Monsanto en Dupont, experimenteren met gewassen die zich richten op de gezondheidsbeluste consument. Het Amerikaanse landbouwministerie verleende al vergunningen voor proefakkers met voor de consument verbeterde tomaten, maïs, soja, koolzaad en aardappelen.

De precieze eigenschappen van de gewassen zijn nog geheim — uit concurrentie-overwegingen hoeven de bedrijven hun voornemens niet prijs te geven. Maar wie de gegevens over de proefakkers combineert met informatie over verleende patenten, kan zelf uitvogelen waar de industrie mee bezig is. ‘In veel gevallen gaat het om extra vitaminen A, B, C en E’, weet De Greef. ‘In algemene termen heeft de Amerikaanse overheid, die de vergunningen heeft uitgegeven, dat inmiddels ook bevestigd.’

Bij bintjes met extra vitaminen zal het echter niet blijven. Zo is Monsanto al ver gevorderd met een aardappel die, dankzij een extra gen afkomstig uit een bacterie, een hoger gehalte zetmeel bevat. Het voordeel daarvan komt pas goed naar voren wanneer hij in het frituurvet wordt gegooid: de aangepaste pieper absorbeert veel minder vet, en levert dus magere chips en frieten. Voor de cafetaria snijdt het mes aan beide kanten: de frieten kunnen als ‘gezond’ worden verkocht, en zijn goedkoper omdat ze minder vet verbruiken.

Tot de eerste producten die tot de markt zullen doordringen behoort ook een nieuw soort sojazaad, ontwikkeld door Dupont. Dankzij een ingebracht gen bevat olie geperst uit dit sojazaad relatief veel oleïnezuur, dat volgens de actuele voedingsleer minder risico geeft op dichtgeslibde aderen. Ook koolzaad is met dat doel gemanipuleerd: olie uit het aangepaste zaad bevat ‘gamma-linolzuur’, een soort super-linolzuur dat normaal gesproken niet door cultuurgewassen wordt geproduceerd, en waarvan eveneens wordt vermoed dat het de kans op hart- en vaatziekten kan verminderen.

Een andere kandidaat is de tomaat, nog roder dan gebruikelijk doordat hij meer lycopeen bevat. Lycopeen behoort tot de carotenoïden, een groep rode kleurstoffen waarvan onderzoeken suggereren dat ze de kans op kankers, zoals prostaatkanker, kunnen verminderen. Net als vitamine C en E zouden carotenoïden agressieve, oxiderende moleculen in het lichaam kunnen neutraliseren voordat ze het erfelijk materiaal beschadigen. Vorige maand maakte ook het Wageningse Centrum voor plantengenetica (CPRO) bekend een tomaat te hebben ontwikkeld die, dankzij regelgenen van de maïsplant, tot zeventig keer meer anti-oxidanten bevat als gebruikelijk.

Maar de lieveling van pleitbezorgers voor genetische gemanipuleerde gewassen is een nieuwe rijstvariant, die is verrijkt met extra bèta-caroteen (pro-vitamine A) en ijzer. Honderden miljoenen kinderen in Azië eten nu weinig meer dan witte rijst, en komen daardoor niet toe aan hun minimumportie nutriënten. Het gevolg: chronische bloedarmoede, verminderde weerstand tegen infectieziekten en soms zelfs blindheid. Alle pogingen om de tekorten te bestrijden met pilletjes of donkere bladgroenten liepen tot nu toe op mislukkingen uit. Maar onlangs meldden Zwitserse onderzoekers, werkend bij het Federale Technologie-instituut (ETH) in Zürich, de succesvolle ontwikkeling van een nieuwe rijstplant. De korrels van de plant zijn goudgeel in plaats van wit, en zitten vol met bèta-caroteen en ijzer — genoeg om de hevigste vitaminegebreken aan te vullen.

De nieuwe rijstkorrel kan dienen als voorbeeld van wat biotechnologen proberen te bereiken, al was het maar omdat de details niet door concurrentie-overwegingen aan het zicht worden onttrokken. De investering was niet afkomstig van een zaadgigant — de markt van arme Aziatische boeren is daarvoor niet interessant genoeg. Subsidies van de Europese Unie en de Amerikaanse Rockefeller Foundation hielpen het project van de grond.

De poging om rijst om te bouwen tot een bron van vitamine A en ijzer begon zeven jaar geleden. De Zwitserse plantengeneticus Ingo Potrykus stelde zichzelf een ambitieuze taak: anders dan bij de nu bestaande genetisch gemanipuleerde gewassen, was het niet genoeg om één nieuw gen naar binnen te smokkelen. De rijstplant bevat van nature wel een grondstof voor bèta-caroteen, maar om alle stappen van het scheikundige proces op gang te krijgen moesten liefst vier nieuwe genen worden ingebouwd en in de rijstkorrel aan het werk gezet. Twee van de vier genen kwamen uit een gele narcis, de andere twee waren afkomstig uit een bacterie.

Alsof dat nog niet moeilijk genoeg was, zorgde ook de ijzervoorraad voor problemen. Het inbouwen van een bonen-gen voor het enzym ferritine, dat de hoeveelheid ijzer opvoert, bleek op zichzelf nog niet genoeg. Rijst bevat van nature ook het enzym fytaat, dat in de darmen 95 procent van het ijzer aan zich bindt, en dus voorkomt dat het uit de voeding wordt opgenomen. Naast ferritine introduceerde Potrykus daarom een schimmel-gen voor het enzym fytase, dat zelfs in kokend water nog fytaat weet af te breken. Om de ijzeropname in het lichaam nóg efficiënter te maken, werd uit een andere rijstvariant nog een derde gen in het spel gebracht.

Het sluitstuk van het monnikenwerk werd onlangs afgerond: de twee afzonderlijk ontwikkelde varianten werden met elkaar gekruist. Het resultaat, meldde Potrykus in augustus op een congres in het Amerikaanse St. Louis, was de gewenste combinatie van extra bèta-caroteen en ijzer.

Daarmee is de nieuwe rijst overigens nog allesbehalve rijp voor de markt: de onderzoekers gebruikten een ras dat geschikt is voor een wetenschappelijk laboratorium, maar op de rijstvelden van Azië domineert een andere variant. Het Internationale instituut voor Rijstonderzoek (IRRI) in de Filippijnen zal de komende jaren proberen om de nieuwe eigenschappen, met ouderwetse kruisingen, over te brengen op populaire Indica-rassen.

Maar dan nog is het succes van de verbeterde rijst niet gegarandeerd. Het nieuwe zaad moet worden toegelaten door plaatselijke overheden, die vaak nog moeten beginnen met het opzetten van wettelijke regels rond genetische manipulatie. En zelfs als deze horde wordt overwonnen, moet nog maar worden afgewacht of de bevolking de witte rijst laat staan voor goudgele korrels, die meer doen denken aan paella dan aan een traditioneel gerecht.

De lange, onzekere weg van de verbeterde rijst maakt duidelijk hoe gecompliceerd het zal zijn de tweede generatie producten aan de man te brengen — zeker als je bedenkt dat hier gaat om de minst controversiële variant. Dat honderden miljoenen Aziaten zouden profiteren van meer vitamine A en ijzer is geen onderwerp van discussie, iets dat je van de producten voor de westerse markt niet zo snel kunt zeggen. Hoe zinvol is het om het dieet van rijke westerlingen met extra vitaminen op te tuigen? Zal de consument het biotechvoedsel, dat nu als technologisch en onnatuurlijk wordt gezien, tolereren naast zijn favoriete reformproduct? Wat zijn de langetermijneffecten van voedsel met zo’n nieuwe samenstelling? Zijn de vermeende gezondheidsvoordelen wetenschappelijk wel voldoende aangetoond?

Tot de sceptici behoort Harry Kuiper, onderzoeker bij het Rijks Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwproducten (Rikilt) in Wageningen. Hoewel de wetenschappelijke literatuur inmiddels bol staat van vermeende zegeningen van vitaminen en anti-oxidanten, is in zijn ogen ‘volstrekt onvoldoende’ bekend over hun werking om grootschalige veranderingen in ons voedingspatroon te rechtvaardigen — al was het maar omdat van de meeste vitaminen een te hoge dosis ook schadelijk kan zijn.

‘Op dit moment hebben we nog niet veel meer dan vage epidemiologische indicaties,’ meent Kuiper: statistische verbanden, die niet meer doen dan suggereren dat verschillen in gezondheid te herleiden zijn tot verschillen in dieet. Maar voedingsonderzoek staat bekend om zijn vele complicerende factoren, en wie goed kijkt, stuit soms op vreemde verrassingen. Kuiper: ‘Neem bèta-caroteen, waarvan epidemiologen zeiden dat het goed was tegen longkanker. Toen in de VS en Finland grote groepen mensen het kregen toegediend, werden de experimenten voortijdig stopgezet omdat de proefpersonen meer, in plaats van minder longkanker kregen.’

Zelf deed Kuiper onderzoek naar het effect van polyfenolen, zoals de flavonolen in tomaten. De anti-oxiderende werking van de verbindingen zou, aldus epidemiologisch onderzoek in zeven Europese landen, bescherming bieden tegen hart- en vaatziekten. ‘Iedereen heeft een tijdje achter deze stoffen aangelopen,’ zegt Kuiper, ‘maar als je goed gaat kijken wat ze doen, dan blijkt dat ze zich binden aan DNA. Als ik dat zie, dan word ik toch wel wat voorzichtig. Want vergeet niet dat anti-oxidanten ook een keerzijde hebben: in het juiste milieu veranderen ze zelf in oxidanten, die DNA-moleculen zouden kunnen beschadigen.’

Kuiper vreest dat de internationale voedingsindustrie complicaties als deze liever niet afwacht. ‘Ik ben bang dat de commercie de ontwikkelingen zal pushen, zonder de tijd te nemen om goed onderzoek te doen.’

Maar ook bij Novartis denkt men dat de markt nog niet rijp is — al was het maar omdat ook bij de overheid het debat over ‘opgevoerde’ aardappelen nog moet beginnen. In Nederland, waar de gemiddelde consument te weinig groente en fruit eet om in de dagelijkse vitaminebehoefte te voorzien, prefereren voedingskundigen tot nu toe gedragsveranderingen boven kunstmatige toevoeging van vitaminen — een standpunt waar volgens De Greef wel iets op valt af te dingen. ‘Natuurlijk blijven er goede redenen om meer groente en fruit te eten. Maar in de praktijk zie ik het bij de meerderheid van de bevolking niet gebeuren. Waarom zorgen we niet dat er meer vitaminen zitten in basisvoeding, waarvan we weten dat iedereen het tot zich neemt? Zoals aardappelen, en granen?’

Zal de industrie er, na alle onrust over mogelijke onveiligheid, nog in slagen om genetische manipulatie te associëren met gezondheid? Had de tweede generatie producten, achteraf bezien, strategisch niet beter de eerste kunnen zijn? De Greef: ‘Het is waar dat het woord genetisch gemanipuleerd nu negatieve gedachten oproept. Maar of dat anders zou zijn geweest wanneer de volgorde was omgedraaid, betwijfel ik. Dat wil niet zeggen dat de tweede generatie de discussie niet zal vergemakkelijken. Op dit moment lijkt het alles-of-niets: de ene kant zegt dat biotechnologie alle problemen zal oplossen, de andere kant zegt dat het helemaal niets oplost. Zoals altijd ligt de waarheid in het midden. Als er functional foods op de markt komen, zal de consument begrijpen dat je elk product afzonderlijk moet beoordelen. Het zal de discussie over genetisch gemanipuleerd voedsel genuanceerder maken.’

Related Posts