Menu Close

‘Witte enclave in niet witte stad’

Relatief weinig allochtonen op universiteiten

‘De Universiteit van Amsterdam is een witte enclave in een helemaal niet zo witte stad.’ Een bondiger samenvatting van de situatie kon J. A. Acherman, adjunct-secretaris van de Amsterdamse universiteit, niet geven. Hij sprak gistermiddag op een congres over de opmerkelijk lage aantallen allochtone studenten op hogescholen en universiteiten.

Dat allochtonen in het hoger onderwijs zwaar ondervertegenwoordigd zijn, werd nog eens overtuigend geïllustreerd. Terwijl veel Amsterdamse schoolpleinen voor meer dan de helft worden gevuld door kinderen met buitenlandse ouders, zijn de laatsten op de universiteit nog een zeldzaamheid. Waar van Nederlandse leerlingen en studenten 31 procent een hogere opleiding volgt, varieert dat aandeel onder buitenlanders van vier (Marokkanen), zeven (Turken) tot veertien (Surinamers) en zeventien (Antillianen) procent.

Degenen die wèl tot universiteit of hogeschool doordringen, vallen vaker en sneller weer af.

Bestaat er over de ernst van het probleem dus weinig verschil van mening, anders ligt dat bij de vraag naar de oorzaken en oplossingen, zo bleek gisteren.

Namens minister Ritzen van onderwijs lichtte dr P. G. M. de Rooij, directeur hbo van het ministerie, de nieuwe ‘Discussienota in- en doorstroom van allochtonen in het hoger onderwijs’ toe. De nota is een van de zeldzame documenten die door oud-staatssecretaris In ‘t Veld van een handtekening zijn voorzien.

In de discussienota stelt Ritzen vast dat allochtonen vaak verkeerde studiekeuzen maken.

Dat komt bij voorbeeld doordat in de familie niemand anders heeft gestudeerd, of omdat alleen geneeskunde of rechten bekende vakken zijn. Ook willen allochtone studenten de moeilijkheidsgraad van de studies nogal eens onderschatten.

Een tweede handicap ligt volgens Ritzen in de soms gebrekkige kennis van de Nederlandse taal. Die maakt het moeilijker door te dringen tot de vaktaal en het ‘studentenjargon’, werkstukken te schrijven of choice-vragen goed te begrijpen. Dat geldt niet alleen voor allochtone, maar ook voor veel autochtone studenten, merkt de minister op.

Hogescholen en universiteiten moeten gaan samenwerken met havo- en vwo-scholen om allochtone jongeren goed voor te lichten over hun studiekeuze, vindt Ritzen. Zelf zal hij werken aan een uniforme registratie van de afkomst van studenten. Nu is van hen alleen de nationaliteit bekend. De minister wil ook het geboorteland van de ouder? en • dat van de student zelf administreren, om beter te kunnen zien of het aantal allochtonen stijgt of daalt. Volgens Ritzen is de weerstand tegen zon registratie vrijwel weggeëbd. Ritzen pleit ook voor een ‘diagnostische taaltoets’, die taalachterstanden van allochtone — en autochtone — studenten bij binnenkomst kan opsporen. Gerichte taaihulp moet de achterstand dan zo snel mogelijk wegwerken.

Voor zulke taalhulp in het hoger beroepsonderwijs stelt Ritzen vanaf volgend jaar 2,7 miljoen gulden beschikbaar. Voor de rest houdt hij echter de hand op de knip: universiteiten en hogescholen moeten zich met hun gewone budget maar aanpassen aan de veranderende studenten- populatie, vindt hij.

Die zuinigheid leverde de minister gisteren kritiek op. Er werd gewezen op enquêtes die aangeven dat, naast taalproblemen, ook ‘etnocentrisch onderwijs’, discriminatie, de afwezigheid van allochtone docenten en lage verwachtingen bij docenten en medestudenten de buitenlanders parten speelt.

Van de andere kant werd echter gewaarschuwd voor het beeld van buitenlandse studenten als ‘probleemgevallen’. In werkelijkheid, stelde bij voorbeeld het Amsterdamse gemeenteraadslid L. Balai, behoren zij tot de succesvolle bovenlaag van de allochtonen in Nederland.

Het echte probleem, zo erkende iedereen, ligt aan het eind van de basisschool en het begin van het voortgezet onderwijs. De achterstand die wordt opgelopen, zal alleen nog maar groeien.

Opmerkelijk bewijsmateriaal voor die stelling kwam van onderzoek door het Amsterdamse SCO-Kohnstamm Instituut. Allochtone havo- en vwo-examenleerlingen aan elf ‘zwarte scholen’, zo bleek, doen op het gebied van taal, examenprestaties en studiekeuze niet onder voor hun autochtone klasgenoten. Het probleem is niet dat zij de universiteit niet bereiken, maar dat er van deze leerlingen al zo opmerkelijk weinig zijn.