Vier jaar geeft staatssecretaris Nuis zich voor het bouwen van zijn eigen kathedraal: een nieuw stelsel van hoger onderwijs, dat precies is toegesneden op alle segmenten van de samenleving. Een project dat zó ambitieus is, dat niemand zich er tot nu toe aan waagde.
ANDERHALVE maand heeft het bij elkaar geduurd, de boze Haagse Angelsaksische droom die hoogleraren, universiteitsbestuurders en studenten massaal tot uitingen van woede, verbazing en verbijstering bracht.
Pas gistermiddag, op Prinsjesdag, werden ze door de nieuwe bewindslieden op het ministerie van onderwijs wakker geschud: het voornemen om te komen tot een Angelsaksisch stelsel van hoger onderwijs lijkt even snel weer van de baan als hij in het regeerakkoord opdook. Sterker nog: het Nederlandse hoger onderwijs moet volgens de begroting weer aansluiting zoeken bij dat van Vlaanderen en nabijgelegen Duitse deelstaten grensoverschrijdende fusies moeten zelfs mogelijk blijven.
Voor het zover is komt er echter eerst een Groot Open Debat, onder leiding van projectmanager en staatssecretaris Aad Nuis. Onderwerp van discussie: een stelsel van hoger onderwijs waarin niet meer elke studie vier jaar duurt en waarin ‘opnieuw wordt nagedacht over selectie.
Het eindresultaat, bezweren minister Ritzen en staatssecretaris Nuis, ligt op geen enkele wijze vast. Alles is mogelijk, zolang het maar aan twee voorwaarden voldoet: gemiddeld moet de cursusduur van een opleiding in het hoger onderwijs omlaag, omdat het anders niet meer te betalen is. Daarnaast moeten de opleidingen aansluiten bij de maatschappelijke behoefte: geen dokters na drie jaar aan het bed dus, maar ook geen leraren die zes jaar lang de tanden hebben stukgebeten op wetenschappelijke details die ze in hun verdere loopbaan nooit meer nodig zullen hebben.
Van de stevige passages in het concept-regeerakkoord is dus weinig meer over. Daarin heette het immers nog: “De hoofdlijn zal zijn dat aan alle studenten een driejarige opleiding wordt aangeboden, die wordt afgesloten met een maatschappelijk erkende kwalificatie. Daarna kunnen de instellingen qua cursusduur niet uniform, selectief toegankelijke vervolgopleidingen aanbieden.”
Het valt bestuurders, studenten en docenten niet kwalijk te nemen dat deze passage werd uitgelegd als een ommezwaai in de richting van het Britse en Amerikaanse onderwijssysteem. Die indruk werd ook ruimhartig bevestigd door toonaangevende PvdA-politici als de Amsterdamse econoom prof. dr Riek van der Ploeg. Die werd niet moe de zegeningen van het Angelsaksische stelsel met zijn eigen levensgeschiedenis te illustreren.
De jonge hond van de PvdA-fractie heeft echter voor zijn beurt gepraat, blijkt nu. Volgens projectmanager Nuis heeft het plan om de cursusduur te differentiëren, geheel ten onrechte ‘een scherpe schaduw’ vooruitgeworpen. In werkelijkheid, zegt Nuis, is er nooit sprake van een ‘blauwdruk’ geweest.
Ambitieus
Het project dat Nuis in goede banen moet leiden behoort bij voorbaat tot de meest ambitieuze operaties van deze eeuw. Iets van de omvang blijkt al uit het indrukwekkende aantal deelnemers dat hij voor het Grote Open Debat wil uitnodigen.
Om te beginnen natuurlijk de universiteiten en hogescholen. Zij moeten voor elke opleiding nagaan waarvoor die eigenlijk bedoeld is, en waar de afgestudeerden terechtkomen. Het is te hopen dat ze op die vragen niet geheel onvoorbereid zijn.
Praten met onderwijsinstellingen kan niet beperkt blijven tot de bestuurders ervan. Want als een ding duidelijk is geworden, is het dat er van de vele gesprekken tussen de overheid en bestuurders weinig tot niets doordringt tot de werkvloer van het hoger onderwijs. In het officiële overlegcircuit was differentiatie van de cursusduur al lang geen taboe meer, zeker niet sinds Ritzen vorig jaar besloot de cursusduur van technische studies met een jaar uit te breiden. Universiteitsbesturen riepen toen om het hardst dat zij zelf heel goed kunnen differentiëren – ook in de richting van kortere studies, als dat nodig is. In het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (Hoop) werden er heel mooie woorden aan gewijd. Maar toen het paarse regeerakkoord sprak over driejarige studies, leek het alsof veel docenten en hoogleraren voor het eerst van die gedachte hoorden – de meesten wisten waarschijnlijk niet eens wat het ‘Hoop’ is. Door ervaring wijs geworden hebben de meesten van hen inmiddels andere liefhebberijen gevonden.
Maar de rij genodigden gaat nog door. Studenten zullen mogen meepraten, en werkgevers, de afnemers van toekomstige afgestudeerden. Ook ‘andere maatschappelijke geledingen’ wordt gevraagd een steentje bij te dragen – zoals NWO, de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, die graag wil meedenken over de eisen waaraan een jonge onderzoeker vandaag de dag moet voldoen. Eigenlijk moeten alle afnemers van hoger opgeleiden zich bezinnen op de vraag wat afgestudeerden nu eigenlijk precies moeten weten, vindt Nuis.
Ten slotte zal ‘afstemming plaatsvinden met grenslanden om te bevorderen dat zoveel mogelijk de ingezette lijn van één hoger-onderwijsruimte voor ten minste het gebied van Vlaanderen, Noordrijnland-Westfalen, Nedersaksen, Bremen en Nederland wordt voortgezet’, aldus Nuis in de Memorie van Toelichting bij de onderwijsbegroting.
Wie voor deze maatschappelijke discussie niet is uitgenodigd, zo lijkt het, moet zich ernstig zorgen beginnen te maken.
Ook de reikwijdte van het Grote Open Debat biedt weinig vooruitzicht op een spoedige afloop. Als het aan Nuis ligt, is elk mogelijk model denkbaar, zolang het maar voldoet aan de algemeen geformuleerde doelstellingen.
Selectie aan de poort, dus vóór het eerste studiejaar? Kan. Selectie na drie jaar? Kan ook. Alleen bij bepaalde studies selectie aan de pooit? Of alleen bij bepaalde instellingen? Bij bepaalde studies, maar dan alleen bij bepaalde instellingen? Afschaffing van de propaedeuse, dat typisch Nederlandse studie-element met schijnbaar tegenstrijdige doelstellingen als oriëntatie èn selectie? Samenvoeging van instellingen voor hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs? Het staat allemaal ter discussie, niets is uitgesloten.
Om het toch al brede debat nog wijdser te maken, zal ook het uiterst gevoelige punt van de universitaire bestuursstructuur van de bewindslieden niet op de agenda mogen ontbreken. De aankondiging van het grote open debat’ maakt ongewild duidelijk dat, ondanks jarenlange discussies over de noodzaak van meer variatie in cursusduur, de overheid nog geen idee heeft hoe dit doel te bereiken. Welke oplossing tot nu toe ook is voorgesteld, steeds weer komt de angst bovendrijven dat het eindresultaat precies tegengesteld zal zijn: het hoger onderwijs als eenheidsworst, waarin elke onderwijsinstelling concurreert om een marktaandeel in het aantrekkelijke midden, en niemand zich bekommert om de heel korte of heel zware opleidingen.
Daarom bleef Ritzen zich ook verzetten tegen fusies van hogescholen en universiteiten: het zou de enige bestaande vorm van differentiatie in het hoger onderwijs op het spel zetten. Bovenal was Ritzen juist als de dood om in een ‘open debat’ over de cursusduur verzeild te raken, omdat de studierichtingen die zelf vinden dat het wel wat korter kan, waarschijnlijk in een heel dun studiegidsje passen. Niet voor niets sluiten de bewindslieden nog steeds niet uit dat de operatie eindigt in een door de overheid afgedwongen diversiteit, wanneer het niet lukt een zelfregelend stelsel te bedenken.
Zeker is dat Nuis de hem gestelde taak energiek zsl aanpakken. Begin oktober stuurt hij de Tweede Kamer een ‘procesbrief, waarin staat waar, wanneer en hoe het grote debat een aanvang zal nemen. De eerste fase daarvan, waarin iedereen zijn mening mag geven, mag wat hem betreft niet meer dan ongeveer een halfjaar duren. Hoewel het project behoedzaam zal worden aangepakt – Ritzen heeft zijn partijgenoten gewaarschuwd niet te hard van stapel te lopen, omdat verkeerde keuzes ons land voor decennia achterop zouden brengen – moet het wel in de kabinetsperiode, dus voor 1998, tot een wetsvoorstel leiden.
Dat moet kunnen, vindt Nuis zelf – het omvormen van een hoger-onderwijsbestel moet in zijn ogen niet worden vergeleken met het bouwen van een kathedraal met middeleeuwse bouwmethoden.
Aan de goede bedoelingen van de nieuwe staatssecretaris zal niemand twijfelen, net zo min als aan zijn bereidheid te luisteren of het debat met prozaïsche monologen op te luisteren. Maar of hij over de bouwkundige besluitvaardigheid beschikt om zijn kathedraal in vier jaar te voltooien – dat wordt door velen met belangstelling afgewacht.