Menu Close

‘Lotingsvoordeel louter symbolisch’

Een nieuwe wet die zeventien oude wetten’ overbodig maakt: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) moet de geschiedenis ingaan als de wet die de invloed van de overheid op universiteiten en hogescholen drastisch terugschroefde. Na jaren van overleg werd zij door de Tweede Kamer besproken. De kansen van allochtone studenten bleken een dicussiepunt; klein rechts had weinig geduld met de student die van zijn geloof viel.

WANNEER IN een beroepsgroep een tekort bestaat aan gediplomeerde krachten met ‘specifieke culturele vaardigheden’, dan moet er in de opleiding voor dat beroep ruimte komen voor een apart ‘quotum’ voor studenten uit etnische en culturele minderheden. Een universiteit of hogeschool zou van de minister van onderwijs geld moeten krijgen om bovenop het gewone aantal studenten vijf procent extra studieplaatsen te creëren, speciaal bestemd voor allochtone studenten. Wel zou de onderwijsinstelling moeten garanderen dat die studenten extra begeleid worden, om de kans dat ze ook afstuderen té vergroten.

Een voorstel van deze strekking werd gisteravond en vanmorgen gedaan door woordvoerders van de PvdA en het CDA in de Tweede Kamer.

De beide regeringsfracties wezen daarmee plannen van minister Ritzen voor een dubbele inlotingskans voor allochtone studenten af.

De Kamer toonde zich ernstig verdeeld over de manier waarop het aandeel allochtone studenten, nu tussen de twee en drie procent, vergroot kan worden. Verschillende woordvoerders, onder wie die van D66, SGP en VVD, verklaarden zich tegenstanders van zowel grotere lotingskansen als ‘quota. Beide zouden ‘stigmatiserend’ werken en niet de kern van het probleem raken: die ligt eerder in het basis- en voortgezet onderwijs.

Volgens PvdA-woordvoerder T. Netelenbos is het voorstel van PvdA en CDA ‘niet bedoeld om de maatschappelijke ongelijkheid van allochtonen op te heffen, maar om te voldoen aan een maatschappelijke behoefte’. Ze constateerde een ernstig tekort aan bij voorbeeld artsen en logopedisten die vertrouwd zijn met andere talen en culturen. Betere lotingskansen voor allochtonen, zoals Ritzen wil, drukt etnische groepen het stempel op dat ze altijd lagere cijfers halen. ‘Louter symbolisch’, noemde CDA-woordvoerder Boers dat plan.

Het was zeker niet het enige onderwerp waarop Kamerleden de WHW willen wijzigen. Bijna zeventig amendementen op het wetsvoorstel werden bij de voorzitter ingediend. Van een ‘terugtredende overheid’, de hoofddoelstelling van de nieuwe wet, is daarbij niet altijd veel te merken.

Zo wil de PvdA dat studenten zich in de toekomst nog tijdens de propaedeuse kunnen uitschrijven, om recht op studiefinanciering te sparen. Wanneer ze dat vóór 1 januari doen, moeten ze op die datum alsnog aan een andere studie kunnen beginnen. Wanneer zonder schuld van de student studietijd verloren gaat – bij voorbeeld omdat niet op tijd een stageplaats beschikbaar is – zou collegegeld teruggevorderd moeten kunnen worden, aldus de PvdA.

Vrees bleef bestaan voor een ongebreidelde uitbreiding van modieuze studierichtingen, nu de procedure om een nieuwe studie te starten eenvoudiger wordt. PvdA en CDA willen daarom een commissie benoemen, die aanvragen voor nieuwe studies moet beoordelen. Feitelijk zou daarmee de bestaande, streng gereguleerde situatie worden gehandhaafd, zij het dat de commissie de taak zou overnemen die nu aan de minister van onderwijs is toebedeeld.

Opmerkelijk was het pleidooi van de christelijke partijen (CDA, GPV, SGP), om bijzondere instellingen, zoals de Amsterdamse Vrije Universiteit en de katholieke universiteiten, toe te staan van hun studenten te eisen dat zij de grondslag van de universiteit of hogeschool ondertekenen. Nu staat de wet alleen toe studenten te weigeren die ‘misbruik maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van de instelling’.

Geloof verliezen

Op een vraag van Lankhorst (Groen Links) aan SGP’er Van der Vlies, of dat zou betekenen dat een student die halverwege de studie zijn geloof verliest zich zou moeten uitschrijven, antwoordde de laatste bevestigend. De praktische kanten hoeven echter niet geheel uit het oog te worden verloren. “Als hij vlak voor een tentamen zit kan dat wel even wachten.”

Minister Ritzen zal waarschijnlijk volgende week op de kritiek op zijn wetsontwerp reageren. 

Jo Ritzen wil niet alles meer regelen

DE NIEUWE Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) kent circa driehonderd bepalingen om de gang van zaken op hogescholen, universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen te regelen. Dat is een forse verbetering ten opzichte van de huidige situatie, waarin de overheid via liefst tweeduizend bepalingen de touwtjes strak in handen probeert te houden.

De cijfers vormen een mooie illustratie van de nieuwe filosofie, die door oud-minister Deetman van onderwijs al in 1985 in een nota werd ontvouwd, en met de WHW nu ook wettelijk wordt vastgelegd: Waar de huidige wetten vaak tot in detail bepalen wat universiteiten en hogescholen mogen doen of moeten laten, staat de nieuwe wet in’het teken van de autonomie van de instellingen’: universiteiten en hogescholen mogen in het vervolg, binnen zekere grenzen, hun eigen boontjes doppen.

Op die manier kunnen ze, zo is de hoop, zich beter aanpassen aan veranderingen in de samenleving. Door nieuwe opleidingen op te zetten bij voorbeeld, of verouderde in te krimpen.

De overheid beperkt zich tot het bewaken van de kwaliteit van de hogere opleidingen en het voorkomen van enerzijds een wildgroei aan overbodige, geldverslindende opleidingen en anderzijds te grote aantallen afgestudeerden die de arbeidsmarkt niet meer kan opnemen.

In de WHW, die immers is bedoeld om vrijwel alles op het gebied van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te regelen, komt een groot aantal onderwerpen ter sprake. Wat hierna volgt is slechts een bloemlezing van de belangrijkste of meest opmerkelijke onderdelen.

• Universiteiten en hogescholen mogen in de toekomst zelf nieuwe opleidingen in het leven roepen. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moeten ze de nieuwe studie wel inschrijven in een ‘centraal register’ op het ministerie van onderwijs. De inschrijving kan alleen worden geweigerd, wanneer de minister kan aantonen dat de nieuwe opleiding geldverspilling betekent – bij voorbeeld wanneer duidelijk is dat er helemaal geen studenten in de nieuwe studie geïnteresseerd zijn.
Reeds bestaande studierichtingen kunnen door de minister om dezelfde reden uit zijn register worden geschrapt.
De nieuwe regeling zou de vrijheid van afzonderlijke instellingen fors uitbreiden: tot nu toe moeten ze eerst bewijzen dat er grote behoefte is aan de nieuwe studie of aan een nieuwe vestigingsplaats. Pas dan mogen ze als ‘experiment’ beginnen, tijdens welke andere onderwijsinstellingen niet ook een gelijksoortige opleiding mogen starten. Dat zorgde de laatste jaren herhaaldelijk voor aanvaringen tussen universiteiten en de minister van onderwijs.
Of de nieuwe wet zulke aanvaringen zal voorkomen, is twijfelachtig: het opzetten van nieuwe, modieuze studierichtingen blijkt in de praktijk immers een probaat middel om studenten te trekken. En wanneer universiteiten en hogescholen er niet in slagen onderling af te spreken wie welke studies verzorgt, zal vrijwel zeker toch een explosie van kostbare nieuwe studies ontstaan, zodat de minister alsnog moet ingrijpen.

• Zoals een universiteit een aangemelde student met een vwo-diploma niet mag weigeren, zo mag straks ook een hboopleiding geen extra eisen meer stellen aan mensen met een geldig havo- of vwo-diploma op zak. Enkele hbo-opleidingen worden uitgezonderd: kunstenaarsopleidingen mogen studenten testen op hun artistieke vaardigheden en opleidingen tot sportleraar mogen studenten weren die wegens grote stijfheid uit de klimtouwen zouden vallen.
Opleidingen mogen ook van studenten verlangen dat bepaalde eindexamenvakken niet in hun pakket hebben ontbroken. Maar op extreme uitzonderingen na – een aankomend wiskundestudent zonder wiskunde in het pakket – hebben zij wel het recht de ontbrekende kennis tijdens het eerste jaar op te halen.

• Aankomende studenten die behoren tot een etnische of culturele minderheid in ons land, krijgen bij de loting voor studies met een studentenstop, zoals tandheelkunde of geneeskunde, even veel kans als mensen met een gemiddeld examencijfer van acht of hoger. Niet alleen om hen te helpen de maatschappelijke achterstand in te lopen, maar ook omdat er grote vraag is naar bij voorbeeld artsen die vertrouwd zijn met andere talen en culturen. Het alternatief om universiteiten te verplichten een bepaald percentage allochtone studenten aan te nemen, wijst minister Ritzen af. Volgens hem heeft de ervaring in met name de Verenigde Staten geleerd dat zon ‘quotering’ stigmatiserend werkt – allochtonen krijgen de naam dat ze het niet op eigen kracht redden.
Alleen allochtonen die laag scoren op hun eindexamen zouden echt voordeel hebben bij de voorgestelde regeling. Het betreft naar schatting enkele tientallen tot honderd aankomende studenten per jaar.

• Wanneer de arbeidsmarkt overloopt met historici of sociologen en verwacht wordt dat dat niet een-twee-drie is opgelost, kan de minister van onderwijs straks het aantal nieuwe studenten beperken. Nu kan dat alleen bij studies die opleiden tot bepaalde beroepen, zoals artsen of tandartsen. Minder duidelijk is wat het criterium zal zijn om een studiestop in te stellen: mogelijk zal een stop ingesteld worden als blijkt dat het aantal werkloze afgestudeerden van een studie een veelvoud is van het aantal eerstejaars studenten. Zeker is dat het niet eerder gebeurt dan wanneer de minister heeft overlegd met de opleidingen en de Tweede Kamer.

• Het veelbesproken ‘bindend studieadvies’ wordt in de WHW voor het eerst vastgelegd. Nu al zijn universiteiten en hogescholen verplicht om studenten na het eerste studiejaar een advies te geven, bij voorbeeld om een andere studierichting te kiezen, maar het gebeurt lang niet altijd. Wanneer nauwelijks tentamens behaald zijn, of essentiële vakken missen, kan het advies luiden om de studie maar te staken. Dankzij de nieuwe wet kunnen universiteiten en hogescholen zon afwijzing een bindend karakter’ geven – de student buiten de deur zetten. Dat mag alleen, wanneer ze kunnen aantonen dat de student tijdig is gewaarschuwd en voldoende begeleiding heeft gehad bij zijn pogingen de zaak alsnog te redden. De student kan tegen de afwijzing in beroep gaan bij het college van beroep voor de examens van zijn eigen onderwijsinstelling. Dat zal volgens de minister voorkomen dat studenten willekeurig worden weggestuurd, bij voorbeeld als een verkapte methode om extra streng te selecteren.
Verschillende universiteiten hebben al aangekondigd het ‘bindend studieadvies’ niet te zullen gebruiken. De enige stimulans om dat wel te doen is gelegen in het feit dat wanneer slechte studenten dwingend worden verwezen naar een andere studierichting, de kans groter is dat zij zullen afstuderen. Dat levert de universiteit extra geld op.


Krimpen en toch meer docenten aannemen

EEN van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe wet voor het hoger onderwijs is het aantal regeltjes voor universiteiten en hogescholen te verminderen. Maar in ten minste één geval lijkt een nijvere ambtenaar even aan de aandacht te zijn ontsnapt.

Een universiteit of hogeschool mag, op grond van de nieuwe wet, zelf weten hoeveel eerstejaars studenten ze tot de opleiding wil toelaten. Zowel groeien als krimpen is toegestaan, al mag dat laatste niet te hard gaan: het maximale aantal eerstejaars moet ten minste driekwart bedragen van het jaar ervoor.

Maar ook wanneer het aantal potentiële studenten groeit, is de vrijheid van de onderwijsinstellingen beperkt. Wanneer, over het hele land gezien, meer eerstejaars studenten zich voor een studie hebben opgegeven dan er plaatsen beschikbaar zijn, treedt noodplan A in werking. Daarin staat dat universiteiten of hogescholen hun capaciteit moeten vergroten ‘met ten minste vijfentwintig procent ten opzichte van het gemiddelde van de laatste twee jaren en de geplande capaciteit voor het aanstaande jaar.

Natuurlijk heeft een studierichting weinig trek in zulke onstuimige groeipercentages – ten slotte is het aantal do- . centen en bankjes in de collegezaal beperkt. Geen nood, hebben de opstellers van de wet bedacht. Een studierichting die niet met vijfentwintig procent, maar hooguit met tien procent wil groeien, zegt gewoon dat ze het volgende jaar met vijfentwintig procent wil krimpen. Het resultaat van de ingewikkelde rekensom komt dan uit op een groei van ongeveer tien procent.

Het gevolg is dat universiteiten en hogescholen in de toekomst gedwongen zijn iets anders te zeggen dan ze in werkelijkheid bedoelen. Niemand moet straks vreemd opkijken wanneer een universiteit op pagina tien van haar jaarverslag aankondigt een v opleiding fors te willen inkrimpen, maar tien pagina’s verderop doodleuk meldt voor die opleiding extra colle: gezalen te willen bouwen en meer docenten te willen aanstellen. Terwijl de aspirantstudenten elkaar voor de toegangspoorten staan te vertrappen, zullen hogescholen elk jaar doodgemoedereerd blijven aankondigen het aantal opleidingsplaatsen met een kwart terug te willen brengen. ‘Geen nood’, zullen ze er steeds bij zeggen, ‘in werkelijkheid willen we gematigd groeien, maar dat mogen we van minister Ritzen niet zeggen.’

Wanneer de wet in de komende weken door de Tweede Kamer wordt aanvaard, kunnen de getallengoochelaars van het ministerie, de universiteiten en de hogescholen zich tevreden achter hun fonkelende rekenmachines zetten. Maar veel duidelijkheid, laat staan ‘deregulering’, zal de wet dan niet hebben opgeleverd.