Menu Close

‘Meer poen’ geen socialistische leuze

Op 1 oktober 1986 trad de Wet op de Studiefinanciering in werking. Vandaag, vijf jaar later, maakt minister Ritzen van onderwijs in een rapport aan de Kamer de balans op. Het belangrijkste doel is gehaald, concludeert hij: de stijgende aantallen studenten bewijzen dat de ‘toegankelijkheid’ van het hoger onderwijs behouden is gebleven. Talloze ‘versoberingen’ in de wet werden doorgevoerd, zonder dat dit fundament werd aangevreten: de beurzen voor kinderen van ouders met lage en middeninkomens werden nauwelijks aangetast. Maar tot zijn verbazing krijgt de socialist Jo Ritzen daarvoor geen applaus.

HET is zaterdagochtend, half negen. Voor het Delftse huis van dr J.M.M. Ritzen staat de auto klaar voor vertrek naar het PvdA-congres in Nijmegen. Zijn chauffeur wil extra vroeg vertrekken, want hij vindt de laatste weken regelmatig protesterende studenten op zijn weg. “Pas geleden was er nog een stel skinheads,” beschrijft hij vrolijk de actievoerders die de minister vorige week rond het Amsterdamse Maagdenhuis dwarszaten.

“Het wordt in ieder geval een historische dag,” merkt Ritzen op, wanneer hij naar buiten komt en tevreden de vroege ochtendzon begroet.

Al snel blijkt dat de minister een les heeft getrokken uit de problemen in zijn partij. Beperkte hij zich voorheen hoofdzakelijk tot een breedvoerige, zakelijke uitleg over de onvermijdelijkheid van zijn bezuinigingen op de studiefinanciering, inmiddels lijkt de politicus in Ritzen wakker geworden. In af en toe felle bewoordingen verdedigt hij het socialistische karakter van zijn beleid.

“Toen het huidige stelsel voor studiefinanciering tot stand kwam, probeerde men niet alleen de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen, maar ook de onafhankelijkheid van studenten ten opzichte van hun ouders bevorderen. Dat is wat halfhartig ingevuld, maar het resultaat was wel dat het stelsel dat ik in 1989 aantrof sterk denivellerend was: het bracht geld van mensen met een smalle beurs naar mensen met een brede beurs. Juist in dat opzicht hebben wij het stelsel de laatste jaren gewijzigd. Onze versoberingen gaan alleen ten koste van kinderen wier ouders een hoger inkomen hebben, niet van studenten met ouders uit de lage- of middeninkomens. Dat is een duidelijk keuze: nu het financieel moeilijk wordt, zetten we de ouder-onafhankelijkheid op een laag pitje. Maar het principe – studiefinanciering is er voor mensen die anders niet kunnen studeren – is overeind gebleven.”

Toegegeven, zegt Ritzen, de kinderen uit de lagere inkomensgroepen moeten geld lenen, tegen rente. Maar dat is maar een klein deel van het totaal, benadrukt hij: “Het gaat niet om grote bedragen. Goed, vanaf volgend jaar begint de rente te lopen vanaf de eerste dag dat er geleend wordt, en sommigen steekt dat. Dat kan ik me ook wel voorstellen, maar aan de andere kant kan niemand met droge ogen beweren dat de leningen in hun huidige omvang een drempel vormen om te gaan studeren.”

Grote waarde hecht Ritzen daarbij aan de draagkrachtmeting’: dankzij die regeling hoeven afgestudeerden alleen terug te betalen wanneer ze voldoende inkomen hebben.

“Als je bruto maar twintigduizend gulden per jaar verdient, hoef je maandelijks hooguit honderd gulden af te lossen. En wat je na vijftien jaar niet hebt kunnen aflossen, wordt helemaal kwijtgescholden.”

“Er doen veel indianenverhalen de ronde, als zouden er nu enorme schulden ontstaan. Maar die verhalen zijn altijd gebaseerd op zeer uitzonderlijke gevallen: iemand die èn heel lang studeert, èn maximaal ‘switcht’, èn zijn tentamens niet haalt, èn ook nog doorstudeert na zijn 27ste.”

Onderzoek geeft aan dat vooral kinderen uit lage inkomensgroepen lange omwegen maken in het onderwijs om toch een hoog opleidingsniveau te halen. U beperkt het recht op giften in de studiefinanciering tot iemands 27ste verjaardag. Dat treft dan toch de lagere inkomens?

“Naar dat onderzoek heb ik zelf uitvoerig gekeken. Gemiddeld hebben de mensen die omwegen maken, via mbo naar hbo, of via hbo naar universiteit, inderdaad ouders met een iets lager inkomen, al is het maar nét significant. Dat betekent dat ook steeds meer kinderen uit de hogere-inkomensgroepen lang studeren. En als je zo krap in de centen zit als dit kabinet, dat je zelfs rechten van mensen in de WAO moet aantasten, dan kun je toch niet elders onbeperkt rechten laten voortbestaan? Studenten houden het recht op een goede startpositie in de samenleving en dat houdt in één studie, niet twee. Je kunt het ook anders zeggen: hoe kun je verdedigen dat steeds meer mensen twee studies volgen, als daardoor de kwaliteit van die studies achteruit holt? Op den duur zou je zelfs twee studies nodig hebben om nog een fatsoenlijke opleiding te krijgen.”

Het onderzoeksbureau dat in opdracht van Ritzen de geschiedenis en de gevolgen van het stelsel onder de loep nam, constateert in zijn rapport dat het begrip ‘toegankelijkheid’ inmiddels is uitgekleed tot het bestaan van de draagkrachtmeting bij de terugbetaling. Maar kan de dreiging van een hoge studieschuld geen psychologische drempels meer opwerpen? Een schuld van dertigduizend gulden schrikt af, ook al hoef je hem niet helemaal terug te betalen als het later tegenzit.

“Het hangt ervan af hoe hoog die studieschuld uiteindelijk is. Wanneer die heel hoog zou worden, kan ik me wel voorstellen dat er een drempel ontstaat. Maar bij de huidige hoogte van de leningen speelt dat niet. Het hangt ook samen met andere ontwikkelingen in de samenleving: mijn ouders bijvoorbeeld zorgden altijd dat ze, wanneer ze iets kochten, geld hadden gespaard. Zelfs bij het kopen van een huis – het aangaan van een hypotheek, dat vonden ze vreselijk. Maar toen ik zelf afstudeerde, vond ik dat al heel vanzelfsprekend. Tegenwoordig is lenen ook buiten de hogere-inkomensgroepen gelukkig heel gewoon.”

De draagkrachtmeting heeft alleen effect, wanneer kinderen die voor de keuze staan – studeren of toch maar niet – de regeling kennen. Is dat in de praktijk ook zo?

“Dat weten we niet. Maar zelf laat ik daarom geen gesprek voorbijgaan zonder die draagkrachtmeting aan de orde te stellen. Bij die actie vorige week in Amsterdam heb ik me wat dat betreft vreselijk gestoord. Ik vind het echt schandelijk, zoals daar gesproken werd alsof er helemaal geen draagkrachtmeting bestaat. Hij bestaat wèl!”

“Ik moet zeggen, dat ik het studentenprotest wel eens erg elitair vind. Het zijn kinderen uit hogere-inkomensgroepen, die het niet leuk vinden dat hun basisbeurs omlaag gaat. Maar dan zeg ik: wat is de taak van de overheid, moet die staan voor jou, terwijl je ouders best iets meer kunnen betalen? Of voor diegenen van wie de ouders absoluut niet méér kunnen opbrengen. Dan is de keuze toch helder?”

Kunt U studenten ook de garantie geven dat die draagkrachtmeting niet zal worden aangetast?

“Het is een individueel afdwingbaar contract. De lening is aangegaan op voorwaarde dat die meting plaatsvindt.”

Maar in de toekomst zal het steeds meer geld kosten: een hogere rente, meer mensen moeten lenen…

“Het sociaal risico wordt groter, ja, meer mensen zullen na vijftien jaar niet meer hoeven terug te betalen. Toch: het is zó essentieel in het stelsel. Als je dat afschaft, ben je weer helemaal terug bij af. Dan krijg je weer groepen die niet kunnen studeren, omdat ze nu eenmaal in het verkeerde nest zijn geboren. Dat kan dus niet.”

Dus ook kleine wijzigingen in die regeling sluit u uit?

“Diegenen die nu lenen hebben een contract. Wanneer het gaat over nieuwe contracten, vind ik dat je nooit ‘nooit’ moet zeggen. Maar ikzelf ben daar niet voor in.”

In zijn nieuwe begroting kondigt Ritzen aan een ‘tempobeurs’ te willen invoeren voor de propaedeuse: studenten die dat papiertje niet binnen een jaar kunnen overleggen, moeten tijdelijk alles lenen. Die financiële prikkel moet studenten aanzetten om sneller te studeren. Maar hoe weet Ritzen eigenlijk zo zeker dat die prikkels effect zullen hebben?

“Dat is een merkwaardige vraag. Natuurlijk zullen mensen afwegingen maken: Potverdikke, toch even oppassen want er kan dat of dat gebeuren. Maar de vraag is of ze ook echt een keus hebben. Ik benadruk sterk dat de studieprogramma’s beter studeerbaar moeten worden. Als in de studiegids staat dat het in vier jaar kan, dan moet dat toch ook zo zijn?”

“De hogescholen en universiteiten zijn nu bereid dit te veranderen. Maar het was uiterst moeilijk om dat te regisseren zonder ook druk uit te oefenen op de studenten. Als je een student twee jaar de tijd geeft voor zijn propaedeuse, maar je vraagt tegelijk aan de universiteit: zorg dat hij het in één jaar doet… Dat is toch bizar, om die dingen zo slecht op elkaar af te stemmen? Dus moet je aan beide kanten tegelijk werken.”

Is het geen erg zware eis, de propaedeuse precies binnen eenjaar te moeten voltooien?

“Het is zeker geen makkie. Maar de propaedeuse is een basis, die goed en snel gelegd moet worden. Anders dan in het vervolg van de studie is tijdverlies in de propaedeuse vaak echt een verlies aan talent.”

“Over de propaedeuse wordt vaak gezegd: de overgang van het voortgezet onderwijs is zo groot. Dat zie ik ook wel als probleem, dat moet je zeker niet wegpoetsen. Daarom moet ook een nadrukkelijk beroep worden gedaan op studentenverenigingen. Soms lijkt het alsof die nog steeds in de jaren vijftig of zestig leven – onbeperkt studeren voor een elite. Op een cruciaal punt, het begin van de studie, raken studenten die lid worden van een vereniging achter door de groentijd. In plaats van fris aan de studie te kunnen beginnen, kunnen ze wekenlang niet goed studeren, omdat ze nog groentijd lopen of omdat ze moe zijn van de groentijd. Dat vind ik puur en puur slecht. Ik begrijp best dat het voor studentenverenigingen moeilijk zal zijn om dat te veranderen, maar er mag geen misverstand over bestaan dat het móet veranderen. Anders doen ze hun leden onrecht aan.”

Waarom beperkt U die tempobeurs tot de propaedeuse? Zou het niet logisch zijn om het voor alle studiejaren in te voeren?

“Ja, dat is logisch, en het is ook de bedoeling dat geleidelijk te introduceren. Nu zou dat nog niet uit te voeren zijn. De propaedeuse is een duidelijk papiertje, maar voor de andere jaren is dat er nog niet. We bekijken samen met universiteiten en hogescholen de mogelijkheid om de informatie over de voortgang van de studie bij elkaar te krijgen. Dan kan ook voor de jaren na de propaedeuse een financiële prikkel tot stand worden gebracht om de studie binnen de tijd af te ronden.”

Dus het recht op een beurs wordt dan beperkt tot vier jaar?

“Nee, die periode blijft vijf jaar. Het aantal studiepunten dat je per jaar moet halen, zal afgestemd zijn op de formule cursusduur plus één.”