Menu Close

Verwarring over ‘homo-gen’

Nieuw onderzoek trekt de geruchtmakende ontdekking van een mogelijk `homo-gen’ in twijfel. En hoewel de ontdekker zich nog niet gewonnen geeft, lijkt de speurtocht terug bij af te zijn.

‘THANKS FOR THE GENES, MOM’, viel er in de zomer van 1993 te lezen op het T-shirt van Amerikaanse homomannen. Korte tijd ervoor was het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Science prominent geopend met onderzoek van Dean Hamer en enkele van zijn collega’s, onder de kop: `Een verband tussen punten op het X-chromosoom en mannelijke homoseksualiteit.’

In gewoon Nederlands: Hamer, moleculair-bioloog bij het National Cancer Institute (NCI) in Washington, was een gen op het spoor dat zorgt voor mannelijke homoseksualiteit. Het nog onbekende gen lag op het uiteinde van het X-chromosoom, het grootste van de twee geslachtschromosomen, dat jongens per definitie van hun moeder erven.

Het resultaat bracht Hamer internationale bekendheid – maar wekte ook argwaan onder een deel van zijn wetenschappelijke collega’s. Het schijnbare gemak waarmee deze voormalige gistcellen-onderzoeker plotseling een gen opspoorde voor een ingewikkelde menselijke eigenschap als homoseksualiteit, was op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.

Dat het X-chromosoom iets met de overerving van homoseksualiteit te maken had, was Hamer duidelijk geworden uit een vooronderzoek onder 76 willekeurige homoseksuele mannen. Wanneer hij, voorzover mogelijk, de hele familie van de mannen over hun voorkeur ondervroeg, vond hij opmerkelijk veel homoseksuele ooms en neven aan moeders kant, veel meer dan aan vaders kant. Bij eenvoudige eigenschappen als kleurenblindheid, die zijn te herleiden tot één gen, wijst zo’n patroon op een erfelijke eigenschap op het X-chromosoom. Een moeder die `drager’ is van zo’n eigenschap, geeft hem door aan de helft van haar zonen.

Om zijn kans op succes te vergroten, richtte Hamer zich vanaf dat moment geheel op dit onbekende gen op het X-chromosoom. Voortaan sloeg hij families over als de vader, of een oom aan vaderszijde, homoseksueel was. Zo verkleinde hij de kans dat, als er een gen op het X-chromosoom lag, hij het zou missen door storende invloeden van genen op andere chromosomen.

Via advertenties vond Hamer veertig gunstige families waarin twee homoseksuele broers voorkwamen. Vervolgens hoefde hij alleen te bewijzen dat deze broers, althans vaker dan toeval kan verklaren, één stukje van hun X-chromosoom gemeen hadden. Dat lukte uiteindelijk bij een uiteinde van het chromosoom, in kringen van genetici `Xq28’ geheten. Van de veertig homo-broers hadden 33 het stukje Xq28 gemeen – veel meer dan de twintig die op grond van louter toeval verwacht konden worden.

Ergens op Xq28, concludeerde Hamer, ligt een gen dat bij de door hem geselecteerde groep homoseksuele mannen – met homoseksuele ooms of neven aan moederszijde – iets met hun seksuele voorkeur van doen heeft.

Hamers vondst zorgde voor een doorbraak in het denken over homoseksualiteit. Voor de oppervlakkige luisteraar leek het onbekende gen, in de wetenschappelijke literatuur GAY-1 gedoopt, in een klap antwoord te geven op de eeuwenoude vraag of homoseksualiteit is aangeboren of aangeleerd: de vondst van een `homo-gen’ maakte voor hen een eind aan alle twijfel.

In de Verenigde Staten leidde de ontdekking tot groot rumoer – net als een paar jaar ervoor in Nederland deining was ontstaan toen de Amsterdamse onderzoeker Dick Swaab meldde iets bijzonders in de hersenen van homoseksuele mannen te hebben gevonden. Naast enthousiasme van homo’s die hoopten dat een aangeboren eigenschap tot minder discriminatie zou leiden, ontmoette Hamer veel kritiek. Van ethici bijvoorbeeld, omdat zijn vondst misbruik van genetische informatie in de hand zou werken. Sommige homo’s meenden ook dat het gen homoseksualiteit weer tot een soort erfelijke ziekte zou bestempelen. Conservatieve christenen zagen in Hamers werk een homoseksueel complot, bedoeld om een grondwettelijk verbod op het ontslaan van homo’s af te dwingen.

Maar ook uit wetenschappelijke kring was er kritiek: collega-erfelijksheidsonderzoekers, waaronder statisticus Neil Risch, nu werkend bij de Universiteit van Stanton, stuurde een vinnige ingezonden brief naar Science, waarin hij Hamers methode bekritiseerde. De animositeit tussen de twee wetenschappers groeide, en droeg uiteindelijk waarschijnlijk bij aan de controverse die Hamer deze week voor de tweede keer in de schijnwerpers bracht: een nieuwe publicatie in Science, onder meer van Risch, die de vloer aanveegde met Hamers vondst, en waarin zelfs de suggestie van wetenschappelijke fraude lag besloten.

“Het is onduidelijk waarom onze resultaten zo totaal afwijken van die van Hamer,’’ aldus de onderzoekers, onder wie Risch, in hun verslag. “Niemand weet precies hoe Hamer zijn gegevens heeft opgepoetst om de gewenste resultaten te bereiken,’’ voegt hoofdonderzoeker George Rice, van de universiteit van West-Ontario in Canada, er desgevraagd aan toe. De opmerkingen zijn des te pijnlijker voor Hamer, omdat vier jaar geleden al geruchten gingen dat een oud-medewerker hem beschuldigde van selectief gebruik van gegevens. Tot een officieel onderzoek naar die beschuldiging kwam het toen niet.

Maar ook de aanklacht die Hamer per kerende post aan het adres van Rice en zijn collega’s richt, liegt er niet om: de Canadese onderzoeker zou willens en wetens verzwijgen dat de door hem onderzochte homoseksuele broers niet geschikt waren om een gen op het X-chromosoom op te sporen, omdat in hun families homoseksualiteit aan moeders kant nauwelijks voorkwam. “In deze onderzoeksgroep viel logischerwijs geen verband met het X-chromosoom te verwachten,’’ aldus Hamer. “Het is dus absoluut niet verbazingwekkend dat ze die ook niet vinden.’’

Hamer zelf houdt vol dat zijn oorspronkelijke claim inmiddels twee keer met succes is herhaald. De eerste keer gebeurde dat door zijn eigen laboratorium, zij het een stuk minder overtuigend dan bij de oorspronkelijke ontdekking: van de 32 broers hadden dit keer 21 het zelfde stukje Xq28, iets meer dus dan de verwachte 16.

De tweede keer, stelt Hamer, gebeurde het door Alan Sanders, van de universiteit van Chicago. Vorig jaar zomer meldde die op een congres dat van 54 paren homoseksuele broers 36 het stukje Xq28 gemeen hadden – wederom dus meer dan de verwachte 27.

Helaas voor Hamer ziet Sanders zelf zijn onderzoek nog niet als een bevestiging van een gen op het X-chromosoom. “We waren er niet heel ver van af,’’ legt Sanders uit, “maar voor een ingewikkelde eigenschap als homoseksualiteit moet het resultaat overtuigender zijn, en mag de kans op een toevallige gunstige uitkomst niet groter zijn dan 1 procent.’’ Noch het herhalingsonderzoek van Hamer zelf, noch dat van Sanders, voldeed aan die eis.

Met de publicatie van Rice, Risch en collega’s is het slechte nieuws voor Hamer ook nog niet voorbij. Een andere collega, psycholoog Michael Bailey van de Northwestern universiteit in Evanston, publiceert binnenkort een onderzoek onder 582 families van homoseksuele mannen – en in deze ongekend grote onderzoeksgroep is van een bovengemiddeld aantal homoseksuele ooms en neven aan moeders kant geen sprake, zegt Bailey. Dat maakt de aanwezigheid van een belangrijk gen op het X-chromosoom onwaarschijnlijk.

Dat alles betekent nog niet dat Hamer het definitief bij het verkeerde eind heeft gehad, meent Elliot Gershon, geneticus aan de Universiteit van Chicago. “De hypothese is nog niet dood, alleen denk ik dat geen van de onderzoeken tot nu toe genoeg proefpersonen heeft bekeken,’’ zegt Gershon. “Voor een definitief antwoord op de vraag of Xq28 een gen bevat, moeten we onderzoeken afwachten met tweehonderd paren broers of meer.’’ Maar wil zulk onderzoek goed gebeuren, weet Bailey, dan zijn subsidiebedragen nodig die waarschijnlijk niet snel zullen worden gevonden.

De speurtocht naar genen voor homoseksualiteit bij mannen lijkt terug te zijn bij af – even ver als hij bij vrouwen al die tijd is geweest. Dat erfelijke factoren invloed hebben op de seksuele voorkeur, daaraan twijfelen weinigen. Maar hoe groot die invloed is, en of hij ooit tot concrete genen kan worden herleid, is weer een even groot vraagteken als zes jaar geleden.