Menu Close

De biologie van de burgerrechten

Toen Amerikaanse onderzoekers vorig jaar meldden een gen op het spoor te zijn dat opvallend vaak voorkomt bij homoseksuele broers, was dat wereldnieuws. De reacties varieerden van boosheid tot grote vreugde. Deze week maakten wetenschappers in San Francisco de balans op.

Het Parool, 26 februari 1994, p. 31

IK HEB heel veel woedende brieven gekregen van conservatieve gelovigen, die me in soms niet mis te verstane bewoordingen duidelijk maakten dat homoseksualiteit een keuze is, omdat God het immers zo niet bedoeld kan hebben. Maar uit de gay community – nee, alleen ongeruste reacties, van mensen die bang zijn voor misbruik van zulk onderzoek. Niet dat de kwestie er niet controversieel is – het regent meningen, geen twijfel daarover. Maar die luiden in ieder geval niet dat ik zal branden in de hel.”

Dr Dean Hamer, onderzoeker aan het Amerikaanse Nationale Kankerinstituut in Bethesda, was afgelopen zomer even wereldnieuws. In het tijdschrift Science beschreef hij de geslaagde poging om een erfelijke component van mannelijke homoseksualiteit redelijk nauwkeurig te lokaliseren. Sindsdien heeft Hamer de statistische basis voor de ontdekking verder versterkt, en hebben drie andere onderzoeksgroepen voorbereidingen getroffen om de controversiële ontdekking te herhalen.

Sommige Amerikaanse homo’s hoopten dat de ontdekking de acceptatie in de samenleving zou vergroten – iedereen zou nu immers moeten inzien dat homoseksualiteit geen ‘keuze’ is. Is de tolerantie inderdaad gegroeid? Hamer: “Ik denk dat mensen die fel anti-homo waren, dat ook zijn gebleven. Dat blijft zo, al isoleren we het gen en plakken het op hun voorhoofd. ‘Homofobie’ is een irrationele angst, en daarom ongevoelig voor wetenschappelijke argumenten. Misschien dat mensen die gematigder dachten wel iets zijn opgeschoven – dat zou je zorgvuldig moeten onderzoeken. Wat ik wel weet, is dat in de families van sommige van onze proefpersonen de lucht wat is opgeklaard. Ik ken ouders die hun kinderen de deur hadden gewezen, maar na ons onderzoek het contact weer herstelden. Ik weet ook van mannen die kranteknipsels naar hun ouders opstuurden, als om te zeggen: zie je wel dat jullie niets verkeerd hebben gedaan.”

Naast woede, ongerustheid en optimisme getuigden de reacties op de publicatie ook van verwarring – verwarring die rond bijna alle resultaten van modern erfelijkheidsonderzoek optreedt. Geroutineerd vat Hamer daarom de conclusies nog eens samen.

“Wat we vonden was een correlatie tussen de seksuele voorkeur van een aantal mannen en een klein stukje van hun X-chromosoom, ‘Xq28’ geheten. Van twee broers die beide homoseksueel waren, kwam dat stukje chromosoom veel vaker overeen dan op basis van toeval verklaard kan worden. In die mannen is de seksuele voorkeur kennelijk op de een of andere manier beïnvloed door iets op dat segment van hun DNA. Dat is eigenlijk alles.”

“Het betekent niet dat homo- of heteroseksualiteit genetisch bepaald is, zoals de kleur van onze ogen door een paar genen wordt geregeld. Het betekent niet dat elke homo zijn seksuele voorkeur dankt aan deze of andere genen. Bij de een zullen genen een grote rol hebben gespeeld, bij de ander een kleine; vergeet niet dat wij in ons onderzoek alleen werkten met mannen die zich uitgesproken homo voelden en die tenminste één homoseksuele broer hadden – dat is een bijzondere groep.”

“Het betekent ook niet dat onze genen een soort marionettenspeler vormen, die aan onze seksuele touwtjes trekt en ons dingen laat doen die we eigenlijk niet willen. Het betekent gewoon dat, net als voor de meeste menselijke gedragingen en eigenschappen geldt, genen een zekere rol spelen.”

In de VS, een land waar fanatieke gelovigen nog dagelijks met anti-homo-borden op straat lopen, had de bekendmaking van Hamer nochtans grote gevolgen. Zo werd de onderzoeker gevraagd te getuigen in een rechtszaak van homogroeperingen tegen de staat Colorado, waar bij de laatste verkiezingen een amendement was aangenomen dat homoseksuelen het recht op speciale bescherming tegen discriminatie ontzegt, bijvoorbeeld bij ontslag omwille van hun seksuele voorkeur. Omdat federale wetten speciale bescherming garanderen voor groepen met ‘onveranderlijke eigenschappen’, zoals huidskleur, kwam het onderzoek van Hamer voor de advocaten als geroepen.

Opmerkelijk

Hamer: “Onze kant won de zaak, hoewel de rechter om heel andere redenen de speciale status toch niet toewees. In zijn uitspraak zei hij dat alle onderzoeksgegevens tezamen wijzen op een biologische en genetische component in de seksuele voorkeur, maar dat de voorkeur niet genetisch is bepaald. Voor een rechter vond ik dat een opmerkelijk correcte samenvatting van de stand van zaken.”

Ook in ‘kleinere’ rechtszaken is het werk van Hamer inmiddels niet onbekend meer. “Elke keer wanneer er een homo uit het leger wordt gegooid, wanneer twee mannen willen trouwen of wanneer iemand wordt gearresteerd wegens ‘sodomie’, komt de vraag weer naar voren of het erfelijk is.”

Het gebruik van resultaten van biologisch onderzoek om de sociale en juridische rechten van homo’s te verdedigen, roept overigens ook weerstanden op: burgerrechten moeten gebaseerd zijn op universele gelijkheidsbeginselen, vinden critici, en niet op biologisch onderzoek – zeker niet wanneer het heel goed mogelijk is dat biologen het over een paar jaar weer heel anders zien.

Afgelopen week belegde de Amerikaanse organisatie voor homoseksuele en lesbische wetenschappers een symposium over de ‘sociale, ethische en wetenschappelijke perspectieven’ van biologisch onderzoek naar seksuele oriëntatie. Niet alleen de discussies naar aanleiding van de speurtocht naar een ‘homogen’ kwamen aan de orde – ook de ontdekking van verschillen tussen hersenweefsel van homo- en heteroseksuele mannen, voor het eerst gezien door de Amsterdamse hersenonderzoeker dr Dick Swaab en inmiddels ook tweemaal door een Amerikaanse groep, waren onderwerp van gesprek.

Dr Laura Allen, nauw betrokken bij het hersenonderzoek, zag de zaken van de zonnige kant. Zou het niet een voordeel zijn, filosofeerde zij, wanneer al op jonge leeftijd is vast te stellen of een kind homoseksueel wordt? Een jarenlange opvoeding gericht op een huwelijk en eigen kinderen kan hen dan immers bespaard blijven?

Kritiek op de ‘biologische’ benadering van homoseksualiteit als een onuitwisbaar kenmerk van een individu kwam van sociologe dr Pepper Schwartz, voorzitter van de Amerikaanse Society for the Study of Sex. Ooit was zij mikpunt van kritiek van de conservatieve senator Jesse Helms, omdat zij in een onderzoek naar intimiteit ook homo-paren betrok.

Schwartz herinnerde zich vooral de gesprekken met honderden mensen die gedurende hun leven afwisselend meer of minder homoseksuele relaties aanknoopten. “Hoe moet ik vrouwen noemen die tot hun zestigste jaar tot volle tevredenheid getrouwd zijn geweest, om vervolgens tot hun oren verliefd te worden op een vrouw?” vroeg zij retorisch.

Dwang

Historicus dr Daniel Kevies, hoogleraar Humanities aan het California Institute of Technology (CalTech), bracht in herinnering hoe biologisch onderzoek naar menselijk gedrag begin deze eeuw leidde tot tienduizenden gedwongen sterilisaties in de VS en, nadat de sterilisatiewetten van Californië door Hitler waren gekopieerd, tot honderdduizenden in Duitsland. “Eugenetica gold in die dagen als deugdelijke, objectieve, moderne en betrouwbare wetenschap,” benadrukte Kevies. “Pas later bleek dat er helemaal niets van klopte.”

Hij meent niet dat mensen als Swaab, Allen en Hamer moeten stoppen met hun onderzoek. “Wat nodig is, is juist meer onderzoek, om de goede van de slechte conclusies te kunnen onderscheiden.” Want hoe modern en gedegen de vondsten van Swaab en Hamer ook ogen, meent Kevies, misschien zien ze het verkeerd.

Hoewel de mogelijkheid van een genetische test, bedoeld om zwangere vrouwen te vertellen of zij een ‘homoseksuele’ foetus dragen, regelmatig ter sprake kwam, leek geen van de deelnemers aan het symposium werkelijk bang voor massale screening van embryo’s, mocht zo’n test er ooit komen. De ervaringen bij erfelijke ziekten leren immers dat de meeste mensen zelfs daarover niets willen weten.

Net als zijn collega’s is Hamer niet echt bang voor een genetische test voor homoseksualiteit. Hamer: “Om te beginnen: zo’n test is er nog niet, en ik denk ook niet dat hij er ooit zal komen. Seksualiteit is veel te complex om te kunnen voorspellen op basis van een genetische test. Natuurlijk, uiteindelijk hopen we een gen te isoleren waarop je iemand zou kunnen testen. Maar zelfs dan zou die test praktisch onbruikbaar zijn, want uit onderzoek onder eeneiige tweelingen weten we dat je iemands seksuele voorkeur niet met zekerheid kunt voorspellen, zelfs al weet je alles over z’n genen en z’n sociale achtergrond. Als de ene tweelingbroer homoseksueel is, is de kans vijftig procent dat zijn broer dat ook is.”

“Sommige mensen hebben aan zo’n kans misschien genoeg – zeker hier in de VS, waar sterke antihomo-sentimenten heersen; uit de vijfde hand hoorde ik van een arts die zwangere vrouwen adviseert zichzelf in te spuiten met testosteron, om zeker te zijn van een heteroseksuele vrucht. Niet zo lang geleden kregen homo’s testikels van heteroseksuelen geïmplanteerd, en lieten psychiaters hersenoperaties uitvoeren. Men zou dus ook kunnen proberen een erfelijkheidstest te ontwikkelen, hoe onbetrouwbaar ook. Ik zou dat immoreel vinden en onethisch. Het is fout mensen te discrimineren op grond van hun genen, of die nu te maken hebben met hun seksualiteit of hun huidskleur.”

Misbruik

“Ik voel een sterke persoonlijke verantwoordelijkheid bij het voorkomen van zulke vormen van misbruik. Ik probeer daaraan bij te dragen door me er ondubbelzinnig tegen uit te spreken. Dat ik dat al in het technische Science-artikel kon doen was overigens heel bijzonder, en het heeft dan ook wel wat overredingskracht gekost.”

“Daarnaast kan ik samenwerken met groepen als die welke dit symposium organiseert, of met de overheidscommissie die zich buigt over de ethische en sociale gevolgen van het menselijk-genoomproject. En wat ik zeker ook kan doen is voorkomen dat een bedrijf een commerciële erfelijkheidstest op de markt brengt. In de VS kun je nu het intellectuele eigendomsrecht op de vondst van een gen krijgen, zodat anderen jouw toestemming nodig hebben wanneer ze er een commerciële toepassing op willen baseren. Ik kan je verzekeren dat, wanneer we het geluk hebben een homo-gen te vinden, we die bescherming zullen proberen te krijgen.”

Het stuk chromosoom waarop volgens Hamer en zijn collega’s het onbekende gen moet liggen, Xq28, is nog flink groot – het bevat waarschijnlijk meer dan tweehonderd andere genen. Vordert de zoektocht al?

Hamer: “Ik denk dat we inmiddels een heel klein beetje dichterbij zijn, maar Xq28 behoort tot de dichtst bezette stukjes van alle chromosomen. Wat interessant is, is dat er inmiddels ook lichte aanwijzingen zijn dat een ander gen, dat voor ‘zelfbewustzijn’, op Xq28 ligt. Het zou best eens kunnen dat dat het gen is waarnaar wij zoeken. Want indirect hebben wij, door alleen te kijken naar mannen die zeker weten dat ze homoseksueel zijn en daar ook voluit voor uitkomen, natuurlijk ook op een flinke dosis ‘zelfbewustzijn’ geselecteerd.”

Related Posts