Menu Close

‘Test seksuele geaardheid was niet ons doel’

Onderzoeker D. Hamer waarschuwt voor misbruik ontdekking homo-gen

AMSTERDAM – ”Het zou volstrekt onethisch en verkeerd zijn als mensen onze resultaten zouden gebruiken om een genetische test te ontwikkelen op de aanleg voor homoseksualiteit. Zon test zou een ontoelaatbare inbreuk zijn op iemands seksuele privacy.”

Het Parool, 15 juli 1993, p. 3

Dr Dean H. Hamer, onderzoeker bij het Amerikaanse Nationale Kankerinstituut in Bethesda, Maryland, neemt bij voorbaat stevig stelling tegen mogelijk misbruik van zijn onderzoek naar een gen voor mannelijke homoseksualiteit. De ‘natuurlijke variatie van seksuele voorkeur’, schrijft hij in het vandaag verschenen artikel in Science, ‘biedt de mogelijkheid de mechanismen te onderzoeken waarlangs de menselijke seksualiteit zich ontwikkelt.’ Toepassing van de kennis om de seksuele voorkeur van mensen te bepalen, te beïnvloeden of zelfs te veranderen, acht hij uit den boze.

Hamer: “Ik wil benadrukken dat ons onderzoek nooit is opgezet om in de toekomst de seksuele geaardheid van mensen te testen. Het maakt deel uit van een groter project, waarin we zoeken naar genen die kunnen verklaren waarom bepaalde kankertypen, zoals het sarcoom van Kaposi, relatief veel voorkomen bij homoseksuele aidspatiënten. Met de uitkomsten daarvan hopen we uiteindelijk een heel nieuwe benadering te vinden voor de bestrijding van de aids-epidemie.”

De resultaten die Hamer vandaag publiceert, houden in dat ergens op een betrekkelijk klein stukje van het menselijk DNA een gen ligt dat bij mannen voor een homoseksuele geaardheid kan zorgen.. Het gen zelf moet de komende tijd nog nauwkeuriger worden gelokaliseerd.

Hamer: “Wat we nu naar buiten brengen, is nog niet genoeg om een test voor een homo-gen te maken. Er is dus nog geen bloedtest, er is nog geen vruchtwatertest. En als iemand in de toekomst zon test zou willen ontwikkelen, kan ik nu al zeggen dat die een lage voorspellende waarde zal hebben. Seksualiteit is veel te ingewikkeld om te kunnen worden bepaald door één enkel gen, of één enkele factor. Waarschijnlijk, zou zon test niet meer zeggen dan dat iemand, in plaats van twee procent, zes procent kans heeft om homo te worden. Ik denk niet dat mensen hun baby zullen aborteren omdat er een kans van één op zestien is dat een zoontje homo zal blijken te zijn.”

Hamer baseert zijn geruststellende woorden op onderzoek dat aangeeft dat homoseksualiteit weliswaar een sterke erfelijke component heeft, maar zeker niet alleen door de genen wordt bepaald. “Zelfs als je eeneiige tweelingbroer, die genetisch volledig identiek is aan jou en in de zelfde omgeving is opgegroeid als jij, homoseksueel is, dan is de kans dat jij ook homo bént nog maar fifty-fifty. Als je een gewone broer hebt die homo is, dan is die kans slechts dertien procent. Eén enkel gen levert dus een nog minder betrouwbare voorspelling.”

Dat hij in het onderzoeksverslag desondanks waarschuwende woorden wijdt aan mogelijk misbruik van de uitkomsten heeft volgens Hamer te maken met het feit dat de komende jaren op vele terreinen vergelijkbare gevaren opdoemen.

Hamer: “Het zal straks niet alleen meer gaan over homoseksualiteit. Wanneer het Menselijk-Genoomproject de komende jaren voortgaat, waarin geleidelijk aan duizenden genen worden gelokaliseerd voor allerlei eigenschappen, komen ook eigenschappen als intelligentie, muzikaliteit, blauwe of groene ogen en wat al niet meer aan de orde. Wij vinden dat er nu al over beleid en mogelijk wettelijke maatregelen moet worden nagedacht, ook al is er nog geen bruikbare test voor dergelijke eigenschappen beschikbaar. Het alternatief is dat we nog vijf of tien jaar wachten, tot de een of andere verzekeringsmaatschappij ineens zo’n test introduceert. Dan zouden we een grote achterstand hebben in te halen.”

“Ik vind het zeer belangrijk dat dit soort onderzoek niet wordt misbruikt. Door dat op te nemen in het onderzoeksverslag, wilde ik benadrukken dat wij wel degelijk nadenken over deze kwesties. De National Institutes of Health hebben er al een speciale afdeling voor opgezet, die wij in een vroeg stadium hebben ingelicht. Het is niet zo dat we ons werk naar buiten gooien en zeggen dat iedereen maar moet zien wat hij met de informatie doet.”

In Nederland leidde in 1989 het nieuws dat hersenonderzoeker dr D. F. Swaab een klein verschil had gevonden tussen de hersenen van homo- en heteroseksuele mannen, tot heftige protesten van de homobeweging. Veel Nederlandse homo’s waren bang dat onderzoek naar biologische achtergronden van homoseksualiteit ertoe kan leiden dat deze geaardheid weer als ‘afwijking’ of ‘ziekte’ wordt gezien.

In de Verenigde Staten stuitten vergelijkbare ontdekkingen van LeVay (in 1991) en Allen (1992) op minder weerstand. Ook Hamer verwacht geen acties van radicale homo-groepen na de bekendmaking van zijn ontdekking. “De houding van homo’s verschilt in de Verenigde Staten duidelijk van die in Nederland. In ons land steunen homo’s in het algemeen onderzoek naar een biologische oorsprong van homoseksualiteit, omdat dit naar hun gevoel goed past bij hoe ze homoseksualiteit zelf hebben ervaren. Ook de politieke groepen die vechten voor gelijke rechten denken dat ze baat hebben bij onze resultaten: als het in de genen zit, kun je er immers niets aan doen.”

“Dat er in Nederland veel meer weerstand bestaat, heeft denk ik ermee te maken dat de rechten van homoseksuelen hier nu al veel beter zijn beschermd dan in de Verenigde Staten. Wellicht dat ook de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog nog een rol speelt.”

Nochtans is ook in de VS zijn onderzoek niet geheel onomstreden, weet Hamer. Niet voor niets wachtte hij langer met publikatie van de resultaten dan gebruikelijk bij de bijna-vondst van een nieuw gen. “Ook onder heteroseksuelen bestaan grote verschillen van mening over de wenselijkheid van dit soort onderzoek.” Al jaren klagen Amerikaanse onderzoekers dat het steeds moeilijker wordt geld te krijgen voor onderzoek naar alle mogelijke aspecten van seksueel gedrag.

Inmiddels is Hamer volop bezig met het vervolg op de vandaag gepresenteerde uitkomsten. “Om te beginnen moeten we deze resultaten nog bevestigen aan de hand van een andere groep homoseksuele broers. Het komend jaar hopen we daarvoor weer veertig broederparen te verzamelen. Om het gen precies te lokaliseren zullen we er nog veel meer nodig hebben – enkele honderden, schat ik. Het uiteindelijke doel is natuurlijk het gen zelf te isoleren.”

“Daarnaast kijken we nu ook naar andere chromosomen dan het geslachtschromosoom, want we weten zeker dat er meer dan één gen in het spel is. Bovendien zijn we inmiddels begonnen met zoeken naar een gen dat te maken heeft met homoseksualiteit bij vrouwen. Daarvoor hebben we al een groot aantal families bijeengebracht. Sinds een paar maanden zijn we die gegevens aan het analyseren. Het is nu nog veel te vroeg om daarvan resultaten te melden. Maar we zien al wel duidelijke lijnen naar voren komen binnen de familiestambomen.”

Related Posts