Menu Close

Een erfelijke aanleg voor de Griekse Beginselen

Van de vele theorieën die in het verleden zijn geopperd om het ontstaan van homoseksualiteit te verklaren, kreeg één deze week meer houvast: bij sommige homoseksuele mannen lijkt een klein stukje DNA op het geslachtschromosoom een grote rol te spelen.

TOEN DE Amerikaanse DNA-onderzoeker Dean Hamer enkele maanden geleden, in een achterafzaaltje van een groot wetenschappelijk congres in Boston, aan zijn gehoor vertelde dat hij zocht naar een gen voor homoseksualiteit, was grote scepsis zijn deel. De gedachte dat een ingewikkeld gedragskenmerk als de seksuele begeerte kan worden gekoppeld aan één enkel gen, leek de aanwezige wetenschappers een treffend voorbeeld van ernstige overschatting van de moderne erfelijkheidswetenschap.

Het Parool, 17 juli 1993, p. 19

Sommigen vonden zijn pogingen om zon gen te vinden bovendien zeer onwenselijk. Paul Billings, zelf onderzoeker in een medisch centrum in San Francisco, wees veelzeggend op de ban voor homoseksuelen in het Amerikaanse leger. “Generaal Colin Powell zou maar al te graag beschikken over een erfelijkheidstest die uitwijst of zijn rekruten homoseksueel zijn,” meende Billings.

Heimelijk moet Hamer toen al hebben gepopeld om het nieuws te melden: zijn laboratorium had al sterke aanwijzingen dat het topje van het K-chromosoom een onbekend ‘homo-gen’ herbergt – voor een doorsnee-gen voldoende om tot publicatie over te gaan. Maar omdat het onderwerp uiterst gevoelig ligt, wilde hij doorgaan tot meer dan 99,5 procent zekerheid was bereikt.

De vondst markeert een nieuw hoogtepunt in een ontwikkeling die de laatste jaren is ingezet: de erkenning dat ingewikkelde gedragskenmerken, zoals homoseksualiteit, niet alleen door sociale maar ook en soms sterk door biologische factoren worden bepaald.

Afgewacht moet natuurlijk worden of het statistische verband tussen het topje van het X-chromosoom en een vorm van mannelijke homoseksualiteit in nieuwe onderzoeken wordt bevestigd. De afgelopen jaren is het herhaaldelijk voorgekomen dat gedragseigenschappen aan een stuk van een chromosoom werden toegeschreven, maar dat die claim na uitgebreider onderzoek schielijk moest worden ingetrokken. Depressiviteit, alcoholisme en schizofrenie zijn maar enkele van de voorbeelden.

Een deel van de wetenschappelijke gemeenschap heeft daarom zijn scepsis nog niet laten varen: niemand weet, aldus critici, of de onderzochte groep niet toevallig ook nog een ander kenmerk gezamenlijk had dan homoseksualiteit.

Swaab

In het geval van homoseksualiteit deed, althans in Nederland, vier jaar geleden een onderzoek van hersenonderzoeker Dick Swaab de eerste stofwolken opwaaien. Bij bestudering van hersenen van overleden aidspatiënten ontdekte Swaab dat een piepkleine kern onderin de hersenen bij homoseksuele mannen groter was en meer hersencellen bevatte dan bij heteroseksuele mannen.

Een jaar na de publicatie van dit werk berichtte de Amerikaanse onderzoeker LeVay dat hij verschillen vond in een andere kern, en weer een jaar later was het de beurt aan Allen, die verschil in de omvang van de verbinding tussen linker- en rechterhersenhelft meldde.

Al deze subtiele verschillen in hersenstructuren hadden twee dingen gemeen: ten eerste was onmogelijk te zeggen of het verschilde oorzaak of juist het gevolg is van de homoseksuele voorkeur. Ten tweede hoefden homoseksuelen voor misbruik van zulke ontdekkingen nauwelijks te vrezen: de kennis van de onbeschrijflijk ingewikkelde hersenen is zo gering, dat terugkeer van ‘behandeling’ van homo’s langs deze weg uitgesloten mocht worden geacht.

De vondst die Hamer deze week bekendmaakte, wijkt precies op deze twee punten af: een gen dat de kans op homoseksualiteit vergroot kan moeilijk worden afgedaan als een gevolg van dat gedrag. Met de huidige DNA-technologie duurt het bovendien nog hooguit enkele jaren voordat genoeg bekend is om via een erfelijkheidstest zon verhoogde aanleg op te sporen. En mocht onderzoek naar de werking van het gen onthullen hoe het de seksuele ontwikkeling beïnvloedt, dan zou weinig meer experimenten in de weg staan om met geneesmiddelen’ in die ontwikkeling in te grijpen.

De vraag waarom een kleine maar consistente minderheid van het mensdom zich niet tot het andere, maar tot het eigen geslacht voelt aangetrokken, houdt onderzoekers al lang bezig. Vele theorieën zijn de laatste decennia bedacht, getoetst en meestal weer verworpen. Volgens sommige van die theorieën speelt het gedrag van de ouders een grote rol – lesbiennes zouden hardvochtige vaders en lijdzame moeders hebben, of, andersom, juist erg onafhankelijke moeders. Mannen zouden homoseksueel worden onder invloed van afstandelijke, afwijzende vaders, van sterke, dominante moeders of juist van zachte, overbezorgde moeders.

Ook raadselachtiger factoren werden onderzocht. Homoseksuele mannen hebben gemiddeld meer broertjes, zo bleek. Bovendien behoorden ze relatief vaak tot de jongsten in een gezin, en was hun moeder ouder toen ze werden geboren. Vroeg seksueel contact met mannen, vonden anderen, komt ook vaker voor bij homoseksuele mannen èn vrouwen.

Een stroming die sinds de jaren tachtig aan belang heeft gewonnen, ziet een belangrijke rol weggelegd voor geslachtshormonen tijdens vroege fasen in de zwangerschap. Zoals de afwezigheid van mannelijk geslachtshormoon soms voorkomt dat jongetjes in de baarmoeder mannelijke geslachtsorganen krijgen, zo zou in een latere fase het ‘grootste geslachtsorgaan’ – het brein – onder invloed van die hormoonspiegel soms te weinig vermannelijken. Zoals voor de meeste, ontbreekt ook voor deze theorie tot nu toe echter bewijs.

Dat ook de erfelijkheid een partijtje meeblaast, werd al lang vermoed. In 1952 vond F. Kallmann 37 homoseksuele mannen met een eeneiige tweelingbroer, en zonder uitzondering waren die ook homo- of biseksueel. Deze honderd-procent score wekte wel wantrouwen. Recent, betrouwbaarder onderzoek van Michael Bailey vond bij 56 homo’s 29 homoseksuele eeneiige tweelingbroers – een score van 52 procent. Ook bij een onderzoek onder tweelingzusters bleek ongeveer de helft beiden homoseksueel.

Moeders

Hamer bekeek, toen hij zijn speurtocht naar een mannelijk homo-gen begon, eerst goed hoe homoseksualiteit binnen families voorkwam. Dat hij ‘homoseksueel’ als eenduidig kenmerk kon gebruiken, leidde hij af uit het feit dat zowel homo’s als hetero’s in het Amerika van vandaag weinig twijfel over hun voorkeur aan de dag leggen.

De stambomen van 76 homomannen toonden een opmerkelijk patroon. Net als in eerdere onderzoeken bleek ruim 13 procent van de broers ook homoseksueel te zijn, terwijl dit percentage voor de bevolking als geheel momenteel op twee wordt geschat. Maar wanneer de stamboom langs vrouwelijke lijnen verder werd gevolgd, doken eveneens hogere percentages op. Eén op de dertien broers van de moeder, bijvoorbeeld, was homoseksueel, net als zonen van zusters van de moeder. Via mannelijke lijnen werden in de stambomen echter nauwelijks hogere percentages aangetroffen.

Deze verrassende uitkomst was reden om de speurtocht naar het homo-gen te beginnen bij het X-chromosoom – het enige van de 23 chromosoom-typen waarvan mannen er maar één hebben, en die bovendien altijd van de moeder is overgeërfd. Een prettige bijkomstigheid was, dat het X-chromosoom van onder tot boven al ruw in kaart is gebracht.

Hamer selecteerde veertig stellen broers die alle twee homoseksueel waren. Wanneer een stukje DNA vrijwel altijd bij beide broers aanwezig is, redeneerde Hamer, kan het haast niet anders of dat stukje is betrokken bij het ontstaan van homoseksualiteit. Zo’n linkage-methode wordt ook gebruikt om genen voor erfelijke ziekten op het spoor te komen.

Toen alle reageerbuizen en DNA-analyse-apparatuur weer schoongespoeld in de kast stonden, bleek uit de berekeningen dat het raak was: bij 33 van de 40 broederparen was bij beide broers het uiterste puntje van het X-chromosoom, in vaktermen ‘Xq28’ genoemd, gelijk. Met 99,5 procent zekerheid kon Hamer daaruit concluderen, dat ergens op dat stukje DNA een gen ligt dat verband houdt met de homoseksuele voorkeur van de broers.

Het bewuste stukje DNA ‘is nog vrij groot – het bevat ongeveer vier miljoen ‘baseparen’, die plaats bieden aan honderden genen. Om nauwkeuriger op het eigenlijke gen in te kunnen zoomen, zijn honderden in plaats van veertig proefpersonen-paren nodig.

Dat bij zeven van de veertig broederparen het stukje X-chromosoom verschilt, illustreert volgens de onderzoekers dat ook andere factoren – uit de genen dan wel uit de omgeving – bij het ontstaan van homoseksualiteit betrokken zijn.

Bij welk deel van de mannelijke homo’s het nog onbekende gen een rol speelt, kan op grond van de huidige gegevens niet worden gezegd. Evenmin is duidelijk wat het gen doet in families waarin geen homoseksuele broers aanwezig zijn en of het ook voorkomt bij heteroseksuele mannen of homoseksuele vrouwen. Voor die laatste groep is inmiddels wel een apart onderzoek opgezet, waarin op andere dan het X-chromosoom wordt gezocht.

Hamer zelf laat niet na te beklemtonen dat de nu gevonden resultaten niet genoeg houvast bieden om een betrouwbare DNA-test voor ‘seksuele geaardheid’ te ontwikkelen – het gen is nog niet geïsoleerd, en lijkt hooguit voor een deel te bepalen of een man homoseksueel wordt. Wanneer de komende jaren echter meer ‘homo-genen’ worden gevonden, zou zo’n test aan betrouwbaarheid winnen.

De identificatie van meer en meer genen die niet met ernstige erfelijke ziekten, maar met normale variatie binnen de menselijke soort te maken hebben, maakt het noodzakelijk dat nu indringend wordt nagedacht over manieren om misbruik van erfelijke informatie te voorkomen, benadrukte Hamer deze week. Of we erin zullen slagen om zulke manieren te vinden, zal de komende jaren moeten blijken.

Related Posts