Menu Close

Is homoseksualiteit natuurlijk?

Moraalridders noemen homo’s graag ‘pervers’ en ‘onnatuurlijk’, maar hebben doorgaans geen idee hoe het er in het dierenrijk aan toegaat. Hoe natuurlijk is homoseksualiteit?

‘Als honden en varkens het niet doen, waarom zouden mensen het dan moeten doen?’ Voor Robert Mugabe was het een paar jaar geleden bij de opening van een boekenbeurs in Harare zo helder als glas: ‘Mannen die andere mannen tot vrouwen maken,’ gaan regelrecht in tegen de natuur, en zijn daarom tweederangs-burgers.

Weinigen zullen zich dezer dagen nog zo onomwonden uitlaten. Maar op de gedachte dat homoseksualiteit ‘pervers’, ‘onnatuurlijk’ of zelfs ‘tegennatuurlijk’ zou zijn, heeft de bejaarde president van Zimbabwe niet het patent. Integendeel: menig weldenkende liberaal denkt dat dames- en herenliefde typisch menselijke verschijnselen zijn. En Mugabe’s redenering vormt in wezen de kern van de afkeer waaronder homoseksuelen door de eeuwen heen hebben geleden — tot en met de hedendaagse orthodox-christelijke variant, waarin ‘God het niet zo heeft bedoeld’.

Voor Mugabe en alle anderen die willen weten hoe de natuur het heeft bedoeld, bevat een onlangs uitgekomen boek van de Amerikaanse bioloog Bruce Bagemihl interessant nieuws. In 750 pagina’s verzamelde de schrijver wat gedragsbiologen, soms met nauwverholen weerzin, over homoseksueel gedrag hebben genoteerd. Van seksueel getinte spelletjes tot levenslange kameraadschap, van ingewikkelde standjes tot homoseksueel ouderschap — alles wat God en de Zimbabwaanse president aan gelijkgeslachtelijke genegenheid hebben verboden, is inmiddels bij meer dan 450 soorten zoogdieren en vogels aangetroffen en geregistreerd.

Homoseksueel gedrag, zo blijkt uit Bagemihls uitputtende overzicht, keert in tal van gedaanten bij tal van diersoorten terug, en is daarmee niet minder natuurlijk dan willekeurig welke andere vorm van seksueel gedrag.

Of homoseksuelen aller landen daardoor opgelucht kunnen ademhalen, is natuurlijk de vraag. Het zou immers niet voor het eerst zijn dat de redenering met even groot gemak wordt omgedraaid. Anita Bryant, een Amerikaanse country-zangeres die sinds de jaren zestig een felle strijd voert tegen de gelijkberechtiging van homo’s, placht aanvankelijk net als Mugabe aan te voeren dat ‘zelfs dieren op de boerderij het niet doen’. Toen zij hoorde dat die bewering misschien niet houdbaar was, antwoordde ze: `Maar dat betekent toch niet dat het mag?’

De vraag of homoseksualiteit een biologische oorzaak heeft of een bewuste keus is voor een afwijkende levensstijl, houdt de gemoederen al lang bezig. In de Verenigde Staten, zo bleek in 1992 uit een opiniepeiling, is de bevolking het op dit punt roerend oneens: de helft kiest voor een ‘biologische’, de helft voor een ‘culturele’ oorzaak.

Voor homo’s en lesbiennes staat er bij het vraagstuk veel op het spel: van de Amerikanen die geloofden in een keus, had meer dan zeventig procent bezwaar tegen homoseksuele leraren. Van hen die de natuur verantwoordelijk achten, was minder dan veertig procent die mening toegedaan.

Conservatieve stromingen, zo lijkt het, prefereren theorieën die een grote plaats inruimen voor de cultuur: die bevestigen niet alleen de mogelijkheid om een juiste, door religie geïnspireerde keus te maken, ze openen ook de weg naar genezing: wat is aangeleerd, kan immers ook weer worden afgeleerd. Tal van psychiaters hebben zich in de loop der jaren enthousiast op die taak gestort, met op zijn best omstreden resultaten.

Om het ingewikkeld te maken bestaat ook in progressieve kringen huiver voor onderzoek naar biologische aspecten van homoseksualiteit. Zulk onderzoek, meenden bijvoorbeeld tegenstanders van werk van de Amsterdamse hersenonderzoeker Dick Swaab, stigmatiseert homoseksualiteit als ziekte, en brengt ‘behandelingen’ dichterbij.

Dat de biologie een rol speelt, is al lang duidelijk — in elk geval als je het vraagt aan homo’s zelf. In een enquête van het Amerikaanse homoblad The Advocate meldde negentig procent van de mannelijke lezers het gevoel te hebben homoseksueel geboren te zijn. Onder vrouwen overheerste dat gevoel minder, maar toch nog bij de helft — de rest dacht meer aan ervaringen in de vroege jeugd of een beslissing later in het leven.

Ook het feit dat homoseksualiteit in elke cultuur opduikt, zij het in uiteenlopende vormen, wijst in de richting van een universele, biologische basis. Er bestaat kennelijk een erfelijke, homoseksuele aanleg die zich alom heeft kunnen handhaven. Die vaststelling plaats evolutiebiologen overigens voor grote theoretische vragen. Want hoe zouden genen die de voortplanting zo dwars zitten als ‘homo-genen’ lijken te doen, zich kunnen handhaven? Waarom is homoseksualiteit niet uitgestorven, of op zijn minst uiterst zeldzaam? Compenseerden homo’s hun gebrek aan kinderen misschien door familieleden, met deels dezelfde genen, te helpen bij de opvoeding? Leveren homo-genen sommige dragers juist evolutionair voordeel op? Of zijn kinderloze homo’s een recente uitvinding, en hadden homo-genen daarvoor over voortplanting niet te klagen?

De theorie dat genen een partij meeblazen, geniet vooral steun dankzij onderzoek onder eeneiige tweelingen, die ál hun genen delen. Hoewel de precieze cijfers variëren, zijn identieke tweelingbroers van homo’s vaak ook homoseksueel — veel vaker in ieder geval dan gewone broers of twee-eiige tweelingbroers. Ook bij lesbiënnes is zo’n verband gevonden. Hoewel te discussiëren valt over de invloed van niet-genetische factoren, zoals de sterke band die tweelingen onderling ervaren, geldt zulk onderzoek als de sterkste aanwijzing voor een bijdrage van de erfelijkheid. Een van de auteurs van de meest aangehaalde Amerikaanse tweelingstudie, psycholoog Michael Bailey, van Northwestern University in Evanston, schat de invloed van de genen ergens tussen de dertig en zeventig procent.

Maar pogingen om de verantwoordelijke genen te vinden, liepen tot nu toe op niets uit. Dat één ervan zou liggen op het uiteinde van de lange arm van het X-chromosoom, zoals geneticus Dean Hamer van het Amerikaanse National Cancer Institute in 1992 meldde, is nog niet overtuigend door anderen bevestigd — sterker nog, vorige maand meldden Canadese wetenschappers in Science geen enkele aanwijzing voor een ‘homo-gen’ op het X-chromosoom te kunnen ontdekken.

Ervan uitgaande dat genen betrokken zijn, hoe dan zouden die de seksuele voorkeur kunnen beïnvloeden? Door er bij te zijn wanneer de hersenen van de drager van die genen zich het sterkst ontwikkelen: in de baarmoeder.

Geslachtskenmerken, zowel die in de schaamstreek als tussen de oren, worden tijdens de zwangerschap onder invloed van hormonen vastgelegd. Dat een jongetje er bij de geboorte uitziet als een jongetje, en later denkt en handelt als een man, komt doordat zijn teelballen maanden voor de geboorte begonnen met de aanmaak van testosteron. Gebeurt dat niet, of is het hormoon onwerkzaam, dan ontwikkelt het jongetje zich in bijna alle opzichten tot een — onvruchtbaar — meisje.

Onderzoek aan ratten, hamsters, varkens en andere proefdieren wijst uit dat hun seksuele voorkeur kan worden beïnvloed door de hoeveelheid mannelijk geslachtshormoon tijdens een voor de hersenontwikkeling ‘kritische periode’ te veranderen. Vrouwtjes bestijgen opeens vaker andere vrouwtjes, mannetjes nemen, als ze de keus krijgen, vaker een mannetje.

Ook bij de mens zijn hormonen tijdens de zwangerschap van groot belang voor de ontwikkeling van het geslacht. Dat blijkt bijvoorbeeld wel uit de ziekte AIS, een zeldzame erfelijke afwijking die een jongetje ongevoelig maakt voor zijn eigen testosteron. In dit experiment van de natuur ontwikkelen ‘genetische jongetjes’ zich zowel geestelijk als uiterlijk tot ogenschijnlijk heel gewone meisjes, die — net als andere meisjes — meestal op jongens vallen. Alleen inwendig onderzoek wijst uit dat zij niet over volwaardige eierstokken beschikken.

In een ander onbedoeld ‘experiment’ kregen honderdduizenden vrouwen tussen 1940 en 1971 tijdens hun zwangerschap een stof toegediend die in de hersenen van de foetus de werking van testosteron imiteert. De stof, di-ethylstilbestrol (DES), moest miskramen voorkomen, maar werd verboden toen bleek dat dochters uit deze zwangerschappen meer kans liepen baarmoederhalskanker te krijgen. Een andere ‘bijwerking’ kreeg minder aandacht: in onderzoek onder enkele kleine groepen Amerikaanse DES-dochters bleek een kwart tot veertig procent van hen biseksueel of lesbisch te zijn.

De prenatale hormoon-theorie zou sommige verschijnselen kunnen verklaren — bijvoorbeeld dat veel mannelijke homo’s als kind minder neiging tot gewelddadige en competitieve spelletjes vertonen, en zich soms voor hun derde verjaardag al duidelijk ‘vervrouwelijkt’ gedragen. Andersom zouden ‘vermannelijkte’ hersenen kunnen verklaren waarom lesbiennes als kind juist vaker dan gemiddeld boompje klommen, ravotten en voetbalden.

Toch is het vooralsnog twijfelachtig hoe groot de werkelijke bijdrage van prenatale hormonen aan menselijke homoseksualiteit is. Van de DES-dochters is de overgrote meerderheid gewoon heteroseksueel, en als bijzondere concentraties prenatale hormonen echt een grote rol spelen, zou je verwachten dat homo’s soms ook lichamelijk afwijken van hetero’s — maar daarvan is nog nooit iets gebleken.

Ook de te verwachten verschillen in de hersenen hebben zich nog niet overtuigend geopenbaard. Drie onderzoeksgroepen, waaronder in Nederland Dick Swaab en collega’s van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek, ontdekten tot nu toe hersenkernen bij homoseksuele mannen die leken op die van vrouwen. Maar hun resultaten zijn deels onbevestigd en varieerden sterk van individu tot individu. Bovendien maken de minuscule klompjes hersencellen — vaak niet groter dan een speldenknop— weinig indruk als je ze afzet tegen de aanzienlijke verschillen die tussen hersenen van mannen en vrouwen bestaan. Ook pogingen psychologische kenmerken, zoals ruimtelijk inzicht, te relateren aan seksuele oriëntatie hebben nog niet tot overdonderende conclusies geleid.

Kortom: hoewel onder wetenschappers de overtuiging groeit dat homoseksualiteit een belangrijke biologische basis heeft, is er op de keper beschouwd weinig duidelijk over de route waarlangs de natuur haar invloed doet gelden.

Dat die natuur niet afkerig is van homoseksueel tijdverdrijf, is echter iets dat elke lezer van Bruce Bagemihls Biological exuberance zal treffen. Dat is dan ook de expliciete bedoeling van de schrijver; volgens Bagemihl, zelf niet als gedragsbioloog geschoold, hebben ethologen homoseksuele diergedragingen tot nu toe stelselmatig genegeerd of irrelevant verklaard. Soms publiceerden ze hun waarnemingen onder titels als ‘Seksuele perversie in mannelijke kevers’; soms leidden hun vooroordelen ook tot regelrechte fouten. Tijdens veldonderzoek bepalen waarnemers regelmatig het geslacht van een dier op basis van zijn gedrag: wat paart met een vrouwtje, moet immers wel een mannetje zijn.

Niet alle voorbeelden van ‘biologische uitbundigheid’ werden zo compleet genegeerd — soms speelden ze zich af in dierentuinen, onder het oog van verbaasd toekijkende gezinnen. Maar dan gold meestal de langdurige gevangenschap of de afwezigheid van de andere sekse als verklaring voor het ‘onnatuurlijke’ gedrag. Als het om seks gaat, zijn biologen immers roomser dan de paus: wat de voortplanting niet ten goede komt, is niet verboden, maar kán niet eens bestaan.

In zijn boek verzamelde Bagemihl vele honderden voorbeelden van ‘homoseksueel gedrag’ uit allerlei wetenschappelijke bronnen. Het encyclopedische deel van Biological exuberance omvat beschrijvingen van 190 van de in totaal 450 zoogdier- en vogelsoorten waarover hij informatie kon vinden. Niet dat homoseksuele spinnen en fruitvliegen niet bestaan, maar de auteur moest érgens ophouden. Het overzicht loopt van muizen tot olifanten, van wilde zwijnen tot kangoeroes, van egeltjes tot grizzly-beren, van ganzen tot zwarte zwanen, van zangvogels tot zilvermeeuwen.

De term ‘homoseksueel gedrag’ blijkt bij Bagemihl overigens een ruime vergaarbak van gedragingen, variërend van begroetingsrituelen, liefkozingen, duurzame paarbanden, wederzijdse masturbatie en bestijgingen tot ouderparen van het zelfde geslacht. Net als bij mensen valt het bij dieren niet mee een scherpe definitie van het begrip ‘homoseksueel’ te bedenken.

Toch kan het Bagemihl nauwelijks kwalijk worden genomen dat hij bijvoorbeeld het ‘nekken’ van jongvolwassen mannetjes-giraffen onder een homoseksuele noemer brengt. Bij dat zeer frequente ritueel, dat wel een uur kan duren, houdt één mannetje zijn nek stijf rechtop, terwijl de ander met nek en kop lenig nek, hoofd, rug, dijen en lendenen van zijn partner streelt, en af en toe z’n geslachtsorganen likt. Beide giraffen krijgen een erectie, soms lijkt één van beide na een kwartier in een orgastische verstijving te raken. Regelmatig gaat een potje ‘nekken’ gepaard met wat onschuldig stoeigedrag, vaak eindigt het als het ene mannetje het andere bestijgt, waarbij soms vloeistof uit de penis stroomt. Andere mannetjes sluiten soms spontaan aan in een potje groepsseks.

Minder uitgebreide, maar even opwindende bestijgingsrituelen tussen mannetjes, en soms ook vrouwtjes, komen door het hele dierenrijk veelvuldig voor. Langdurige, soms levenslange homoparen zijn terug te vinden bij tal van soorten — vooral bij vogels, die sowieso meer in koppels leven dan zoogdieren. Zwervende mannetjesleeuwen vormen regelmatig hechte, zij het platonische paarbanden met andere mannetjes, mannetjesdolfijnen hebben favoriete vriendjes om seksuele spelletjes mee te doen — zoals het penetreren van de holte waarin hun penis verscholen ligt.

Ook homoseksueel ouderschap is vooral in trek bij vogelsoorten, zoals meeuwen, sternen en ganzen. Geregeld bouwen twee vrouwtjes samen een nest; nadat een of beide zich heeft laten bevruchten door een mannetje, knappen ze het verder zelf op. Ook bij grizzly-beren, vossen en rattenzwijnen, die geen heteroseksuele paren vormen, slaan twee alleenstaande moeders soms voor vele jaren de handen ineen.

Mannetjes hebben hun eigen vormen van homo-ouderschap. Zeeleeuw-paren adopteren soms een weeskind, zwartkopmeeuwen nemen verlaten nesten over of stelen een ei dat al is bevrucht. Flamingo-mannetjes en zwarte zwanen jagen soms brutaalweg een heteropaar van het nest en ontfermen zich vervolgens liefdevol over hun kroost.

Niet geheel verrassend lijken apen, zoals gorilla’s, orang-oetans en makaken, in hun homoseksueel gedrag het meest op de mens. Ook de bonobo, een tamelijk promiscue dwergchimpansee die van alle dieren waarschijnlijk nog het dichtst bij onze voorouders staat, kent een breed scala aan seksuele gedragingen tussen mannetjes en vrouwtjes (zie kader). Ruwweg de helft van de tientallen korte seksuele interacties die bonobo’s dagelijks hebben, richt zich op het eigen geslacht, al heeft elk dier zo z’n eigen voorkeuren.

Homoseksualiteit, concludeert Bagemihl, is maar een van de vele uitingen van sociaal gedrag in het dierenrijk. Dat het niet bijdraagt aan de voortplanting, betekent nog niet dat het niet kan bestaan. Bij menige diersoort dragen veel hetero’s evenmin bij aan het nageslacht, betoogt de schrijver, en ook hun gedrag heeft de wetten van de evolutie moeiteloos overleefd.

Natuurlijk is het de vraag wat deze vrolijke beestenboel met mensen te maken heeft. De ruime grenzen die Bagemihl rond het begrip homoseksualiteit trekt, omvatten ook routineuze begroetingen en paarbanden waarin van seksueel gedrag in enge zin geen sprake lijkt. Is het werkelijk te vergelijken met wat wij doorgaans onder homoseksualiteit verstaan — een levenslange behoefte aan relaties met uitsluitend seksegenoten? Leren nestelende vrouwtjesmeeuwen ons iets over lesbisch ouderschap?

Misschien niet, maar het zou te gemakkelijk zijn om Bagemihls werk daarmee irrelevant te verklaren. Want wie kijkt door de bril van een gedragsbioloog, zal ook bij de mens de grenzen van seksueel gedrag wat ruimer gaan trekken. Wie heeft gezien hoe bonobo’s hun plaats in de groep veroveren en behouden met aanrakingen, strelingen en vrijerijen, kijkt anders aan tegen de functie van terloops menselijk lichaamscontact — een arm over de schouder, een zoen op de wang, een aai over de bol. Hoe ‘onschuldig’ is het wanneer voetballers, direct na het winnende doelpunt, elkaar omstandig willen zoenen en knuffelen? Beschikt de mens, diep verscholen in zijn genen, over het brede repertoire van de bonobo, maar is het onze cultuur die zegt dat we onze plaats in de groep met woorden in plaats van daden moeten bevestigen?

Een ding is duidelijk: de vraag of homoseksualiteit ‘natuurlijk’ is, kan met een volmondig ‘ja’ kan worden beantwoord. Maar anders dan Mugabe en verwanten suggereren, geeft dat een moreel oordeel natuurlijk geen enkele grond. Dieren doen veel dat mensen niet tot voorbeeld hoeft te strekken — ze vermoorden hun kinderen, roven elkaars eieren en eten rauw vlees.

Toch valt er nog een interessante les uit het gedrag van viervoeters en gevederde vrienden te trekken, merkt hersenonderzoeker Simon LeVay in zijn boek Queer Science op. Van afkeer jegens homoseksueel gedrag lijkt in het dierenrijk geen sprake te zijn. Of het nu gaat om giraffen, leeuwen, olifanten, apen of zwarte zwanen, allemaal laten ze hun homoseksuele soortgenoten met rust — al was het maar omdat ze in de strijd om het nageslacht geen concurrenten lijken te vormen.

Homohaat, concludeert LeVay, is bij uitstek een uitvinding van de menselijke cultuur. En anders dan homoseksualiteit, valt het dus af te leren.


Hoeveel homo’s zijn er?

Homoseksualiteit komt overal voor — maar hoe vaak precies is niet gemakkelijk te zeggen. De veelgehoorde schatting van ‘één op de tien’ is vrijwel zeker te hoog — voor mannen komt twee procent waarschijnlijk meer in de richting, voor vrouwen lijkt één procent een betrouwbaarder cijfer.

De opgeblazen percentages zijn ontleend aan geruchtmakende cijfers die de seks-onderzoeker Alfred Kinsey rond 1950 publiceerde. Op grond daarvan leek Amerika één grote knuffelavond van de Nederlandse Vereniging tot Seksuele Hervorming.

De door Kinsey ontwikkelde maat voor homoseksualiteit, lopend van 0 tot 6, is nog volop in gebruik. Een 0 op de Kinsey-schaal staat voor exclusief heteroseksueel, een 6 staat voor exclusief homoseksueel. Van alle ondervraagde mannen, stelde Kinsey destijds vast, viel tien procent tenminste drie jaar van zijn volwassen leven in categorie 5 of 6. Maar nog afgezien van het feit dat zijn steekproef niet representatief was, voor de kans dat een willekeurige collega op dit moment homoseksueel is, betekent dat cijfer niks.

In een beter opgezet onderzoek in Groot-Brittannië, begin jaren negentig, meldde één procent van de mannen zich ‘vooral’ of ‘alleen’ tot mannen aangetrokken te voelen, en in de vijf jaar voor het onderzoek ‘genitaal contact’ met een man te hebben gehad; van de vrouwen antwoordde een half procent op vergelijkbare manier. Gelijksoortige onderzoeken in Frankrijk, Noorwegen en de Verenigde Staten kwamen tot iets hogere percentages — volgens een Amerikaanse enquête uit 1992 noemde 2,8 procent van de mannen en 1,4 procent van de vrouwen zichzelf ‘homoseksueel’ of ‘biseksueel’.

Dat homo’s zelf nogal eens tot hogere schattingen komen, kan te maken hebben met het probleem dat ondervraagden niet altijd helemaal eerlijk zijn tegenover hun ondervragers. Een andere verklaring is dat homoseksuelen zijn oververtegenwoordigd op plaatsen met een open en tolerant klimaat. Van alle homoseksuele mannen uit de Britse steekproef woonde bijvoorbeeld 43 procent in Londen, waar zij volgens het onderzoek vijf procent van de mannelijke bevolking uitmaken.


Allemaal biseksueel

Van preutsheid kun je de bonobo, ook wel dwergchimpansee genoemd, moeilijk beschuldigen. De hele dag door geeft de primatensoort zich over aan snelle seksuele contacten, even vaak met soortgenoten van het eigen als van het andere geslacht. Exclusief homo- of heteroseksueel zijn bonobo’s zelden — de meeste zijn praktiserend biseksueel. Wel loopt de verhouding van individu tot individu uiteen: sommige vrouwtjes richten een derde van hun seksuele gedrag op andere vrouwtjes, andere bijna 90 procent.

Bonobo’s zijn van alle soorten in het dierenrijk het meest verwant aan de mens — met hen hebben wij 98 tot 99 procent van ons DNA gemeen. Vermoed wordt dat ze lijken op onze voorouders van acht miljoen jaar geleden, meer dan gewone chimpansees, die sindsdien evolueerden uit een andere tak.

Seksueel gedrag is onder bonobo’s zo verweven met de dagelijkse routine, dat onderzoekers denken dat het wordt gebruikt om relaties te bestendigen en als ruilmiddel — uit te wisselen tegen voedsel, bijvoorbeeld. Gezien het brede repertoire aan seksueel gedrag zou er aan wisselgeld niet snel gebrek zijn.

Vooral vrouwtjes lijken geïnteresseerd in homoseksuele handelingen — regelmatig laten zij hitsige mannetjes links liggen voor een geïnteresseerde geslachtsgenoot. Het populairste spelletje wordt door ethologen ‘genito-genitaal wrijven’, kortweg GG-wrijven genoemd. Daarbij bewegen de vrouwtjes hun bekken ritmisch naar links en naar rechts, elkaars genitaliën stimulerend. Meestal ligt één van beide vrouwtjes op de rug, en staren de twee elkaar diep in de ogen, maar regelmatig worden ook andere standjes uitgeprobeerd — sommige vrouwtjes GG-wrijven hangend aan een boomtak. Een uitgebreide ‘gebarentaal’ helpt bij de beslissing welk standje wordt uitgeprobeerd. Bonobo-vrouwtjes hebben een relatief grote clitoris, waarmee ze andere vrouwtjes soms penetreren.

Ook mannetjes passen GG-wrijven toe, al wordt het bij hen beeldend ‘penis-schermen’ genoemd. Een andere techniek is het ‘romp-wrijven’, waarbij twee dieren met de billen tegen elkaar elkaars anus en scrotum stimuleren. Mannetjes bestijgen elkaar regelmatig, overigens zonder te penetreren. Af en toe vinden twee jonge mannetjes elkaar in een diepe tongzoen. Ook wederzijdse masturbatie komt regelmatig voor, net als de gewoonte van adolescenten om hun penis door jonge mannetjes met de mond te laten bevredigen.

Monogaam zijn bonobo’s zelden — ook groepsseks komt regelmatig voor. Wel heeft elk dier zijn of haar favorieten. De meeste bonobo’s, man of vrouw, hebben meer vrouwelijke partners dan mannelijke.


Twee papa’s

Aan het eind van de jaren zeventig vonden onderzoekers op een eiland voor de kust van Californië vele zeemeeuw-nesten met meer dan de gebruikelijke drie eieren. Ongeveer een op de zeven nesten bevatte een ‘superlegsel’. De oplossing van het raadsel lag in het geslacht van de ouders, dat alleen door een kleine operatie betrouwbaar is vast te stellen: beide bleken vrouwtjes, en beide droegen bij aan het legsel. De eieren waren deels bevrucht — kennelijk door ‘zaaddonoren’ in de omgeving van de vrouwtjes.

De ontdekking leidde tot een kleine hype in de Amerikaanse homopers, die de vondst van homoseksuele meeuwen zag als steun in de rug tegen een golf van homohaat.

Een paar jaar geleden bleek het lesbische experiment op het eiland deels voorbij — hoge concentraties DDT in het zeewater, zo luidt achteraf de verklaring, leidden destijds tot een tijdelijk tekort aan mannetjes.

Toch was het niet toevallig dat de meeuwen zo gemakkelijk overstapten: ook zonder gif in het milieu kiest een klein maar standvastig deel van de vrouwtjes voor een lesbisch liefdesnest. Volgens sommige schattingen vormt een op de vijf zilvermeeuw-vrouwtjes ten minste eenmaal in haar leven een broedpaar met een ander vrouwtje, en is tien procent haar leven lang homoseksueel. Net als heteroparen blijven veel homoparen jarenlang bijeen. Gemiddeld is het nageslacht van lesbische paren wel kleiner dan dat van heteroparen.

Bij zwarte zwanen, een andere vogelsoort met langdurige paarbanden, is dat — uitzonderlijk — andersom. Mannelijke homoparen, die een vrouwtje noden eieren in het nest te leggen om haar daarna te verjagen, zijn als ouders zeer succesvol, mede omdat ze samen een zeer groot territorium weten te verdedigen: gemiddeld tachtig procent van hun jongen overleeft, tegenover dertig procent bij heteroparen.

Het met succes opvoeden van jongen door homoseksuele paren is tot nu toe bij zo’n twintig diersoorten waargenomen. Sommige daarvan, zoals de grizzlybeer, kennen geen heteroseksueel paarouderschap.

Related Posts