Menu Close

Tegen slechte bossen helpt alleen een goede regendans

DE KWALITEIT van de Nederlandse bossen is het laatste jaar sterk verslechterd – het areaal dat er zorgwekkend bij staat is in één klap verdubbeld: ruim een derde van alle bomen staat er treurigstemmend bij. Een luide noodklok bracht ons deze week van dat slechte nieuws op de hoogte.

Zijn er over een paar jaar nog voldoende bomen om op zondagmiddag tussendoor te wandelen? Het antwoord op die vraag luidt, in weerwil van de berichten: ja, waarschijnlijk wel. Want nauwkeurig bekeken vormen de nieuwste cijfers op zich geen rechtvaardiging voor zwartgallige toekomstvoorspellingen.

Om een indruk te krijgen hoe de gezondheid van de Nederlandse bossen zich over de loop der jaren ontwikkelt, laat het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij sinds 1984 jaarlijks de vitaliteit’ van de bossen onderzoeken. Elke zomer trekken waarnemers erop uit, om in het woud de blik ten hemel te richten. Binnen ruime marges beschrijven zij daar wat ze in het bladerdak zien. Op basis van het percentage blaadjes of naalden dat is uitgevallen, krijgt de boom een plaats binnen één van vier categorieën. Ook het aantal blaadjes dat nog niet heeft losgelaten, maar wel afwijkend is gekleurd, telt mee. De hoogste categorie, nummer 1, krijgt het stempel ‘vitaal bos. De laagste, nummer 4, wordt betiteld als ‘niet-vitaal’.

Elk jaar worden zo, tussen 20 juli en 4 september, 1500 plaatsen in Nederland bezocht. Telkens worden 25 bomen van vijfjaar of ouder aan een speurende blik onderworpen. Dat gebeurt niet alleen in Nederland: sinds 1986 wordt volgens dezelfde methode in de hele Europese Gemeenschap bos geïnspecteerd.

Vergelijking van de resultaten uit 1991 en 1992 was deze week de aanleiding voor verontruste berichten. In één jaar was vitaal bos (categorie 1) teruggelopen van 52 naar 43 procent. Niet-vitaal bos (4) steeg van 3 tot 6 procent. Ook categorie 3 – zorgelijk maar nog niet fataal – steeg, van 15 tot 29 procent. De conclusie leek duidelijk: binnen een jaar is het percentage bos dat in problemen verkeert verdubbeld van 18 tot 35 procent.

De reacties bleven niet uit: milieu-lobbyisten als de stichting Natuur en Milieu grepen de ‘verschrikkelijke’ cijfers over de ‘ramp’ aan om te pleiten voor krachtige maatregelen’: reductie van de veestapel, terugdringing van het autogebruik en strengere milieu-eisen voor bedrijven.

Wat de vergelijking tussen 1991 en 1992 echter voornamelijk aantoonde, was dat de gehanteerde methode zich eigenlijk heel slecht leent voor metingen van de ‘vitaliteit’ of ‘kwaliteit’ van een bos. Wie de cijfers van de afgelopen negen jaren op een rij zet, zal zich nog het meest verbazen over de enorme fluctuaties die van jaar tot jaar optreden: onstuimige pieken en dalen wisselen elkaar in hoog tempo af.

Een voorbeeld: in 1987 viel, net als dit jaar, nog maar 43 procent van de bossen binnen de hoogste categorie. Eén jaar later was dat echter al weer 51 procent. In dezelfde periode zakte de categorie niet-vitaal bos’ weer terug van 5 naar 3 procent.

Mestoverschot

In feite, zegt ook dr B. van Tooren, in de bossen van de Vereniging Natuurmonumenten betrokken bij het onderzoek, tonen de metingen vooral aan dat bomen geen goede graadmeters zijn voor de toestand van ons milieu. In plaats daarvan lijkt de ‘vitaliteit’ vooral incidentele perioden van grote droogte of hevige insektenvraat te weerspiegelen. Een gematigde, natte zomer levert een rijk bladerdek, een slecht weerseizoen leidt tot minder groen in de takken.

Dat de waarden in 1992 zo laag uitvallen, is dan ook niet het resultaat van een plotselinge groei van het mestoverschot, een explosie van vervuilende gassen of een abrupte toename van het autoverkeer. Het is het gevolg van een opmerkelijk warme en droge Nederlandse zomer – en wel de vierde op rij. Omdat de grondwaterstand in ons land al lange tijd zakt – doordat meer water aan de bodem wordt onttrokken – tikt dat in veel bossen extra hard aan.

Ir T.F.C. Smits, coördinator van het ministeriële onderzoek, ligt zelf na afgelopen week ook nog niet wakker van de toestand van de bossen. “Alarmerend wordt het pas, wanneer er in 1993 wel voldoende regen zou vallen, maar herstel van de bossen desondanks zou uitblijven,” verduidelijkt hij.

Ook de statistici van het landbouwministerie waarschuwen voor het gebruik van de ‘vitaliteits-metingen’ voor toekomstvoorspellingen. De cijfers fluctueren zo sterk – niet alleen over de jaren, maar ook over boomsoorten en provincies – dat pas van een ‘trend’ mag worden gesproken wanneer de getallen zich tien jaar achter elkaar in dezelfde richting bewegen. En dat, weet ook Smits, kan gezien het huidige patroon nog lang duren. Maar, zegt hij, “het is alles wat we hebben. En als over een aantal jaren blijkt dat de toestand van de bossen écht rampzalig is, dan zal iedereen zeggen: dat had je toch kunnen zien aankomen?”

Ook Van Tooren is allerminst gerust op het vooruitzicht voor de lange termijn. Wiskundig gezien mag er dan geen trend waarneembaar zijn, hij ‘voelt’ gewoon dat de neerwaartse pieken wel degelijk op zo’n trend wijzen. Hij steunt daarbij op gegevens over afzonderlijke boomsoorten. Weliswaar doet de Beuk het stukken beter dan vijf jaar geleden, daar staan tegenover de cijfers voor de Douglas-spar, de Oostenrijkse Den en de Corsicaanse Den. De drie naaldbomen zijn de afgelopen negen jaar sterk teruggelopen: in de categorie ‘vitaal’ viel de Douglas terug van 50 tot 9 procent, en de twee dennesoorten zelfs van 57 naar 4 procent.

Van Tooren geeft echter toe, dat even goed sprake kan zijn van een verschuiving: exotische boomsoorten, die ooit uit andere streken naar Nederland zijn gehaald, leggen het loodje nu de omstandigheden wat zwaarder worden.

Ook Smits geeft volmondig toe dat over de oorzaak van de gemeten schommelingen nog geen enkele duidelijkheid bestaat. En gezien de ingewikkeldheid van het probleem – alle milieufactoren beïnvloeden elkaar in een bijna onontwarbare kluwen – is het de vraag of die duidelijkheid er ooit zal komen.

Holt het Nederlandse bos achteruit? Het is niet uitgesloten. Verzuring, ontwatering en vervuiling zullen onze bossen niet onaangeroerd laten. Zeker is echter, dat zulks op basis van de cijfers van deze week absoluut niet kan worden aangetoond. Milieugroepen die de gegevens desondanks willen gebruiken, kunnen van de regering alleen een goede regendans eisen.

Related Posts