Terwijl in Europa de roep om een moratorium op genetisch gemanipuleerde gewassen luider wordt, zoeken ontwikkelingslanden juist naar een kans om een graantje mee te pikken. Is biotechnologie het antwoord op de honger in de wereld?
‘EMOTIONELE CHANTAGE’, noemde Prins Charles het kort geleden in een ingezonden stuk in de Britse Daily Mail: de suggestie dat genetisch gemanipuleerde gewassen nodig zijn om de honger te bestrijden. “Is toepassing van genetisch gemanipuleerd voedsel werkelijk de enige manier om de wereldbevolking te voeden?’’ vroeg de prins zich af.
Nu is de prins van Wales niet helemaal onafhankelijk. Meer dan eens heeft hij er blijk van gegeven weinig op te hebben met de introductie van genetisch gemanipuleerde kropjes sla, en op zijn eigen landgoederen prefereert hij biologische teelt. Maar over honger hoeft de prins zich natuurlijk weinig zorgen te maken.
Toch is Charles niet de enige die zich afvraagt of het armste deel van de wereldbevolking geholpen is met genetisch gemanipuleerde landbouwproducten. Ook de Wereldbank, met meer dan tachtig miljard gulden aan uitstaande leningen ‘s werelds grootste hulpverlener in ontwikkelingslanden, worstelt met de materie.
“Genetische manipulatie is niet het wondermiddel waarvoor sommigen het aanzien,’’ erkent Cees de Haan, adviseur bij de afdeling Plattelandsontwikkeling van de Wereldbank. “Maar het kan wél een bijdrage leveren. Natuurlijk kleven er risico’s aan — maar als mensen van de honger omkomen gaan ze ook dood. Het klinkt misschien wat radicaal, maar als we de risico’s zouden kunnen berekenen, en ik moest kiezen tussen honderd miljoen doden door de honger of vijftig miljoen doden als gevolg van biotechnologie, dan koos ik toch voor het laatste.’’
Dat de wereld de komende twintig jaar meer voedsel moet produceren is wel zeker. Volgens schattingen van de Verenigde Naties telt de wereld over een paar maanden zes miljard mensen – meer dan twee keer zoveel als aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. De komende vijftig jaar komen er nog eens vier miljard bij.
Tegelijk voorkomen erosie, verstedelijking, verzilting en verdroging dat de akkers met de bevolking mee kunnen groeien. Had elke wereldburger in 1961 nog een voetbalveld aan landbouwgrond tot zijn beschikking, inmiddels moeten we het met één speelhelft doen. Halverwege de komende eeuw – een moment dat velen die nu onder de 30 zijn zullen meemaken – houden we niet veel meer over dan een strafschopgebied om ons voedsel te verbouwen.
Optimisten denken dat dat best zal lukken. Ook doemscenario’s uit het verleden kwamen immers niet uit: hongersnoden worden eerder zeldzamer dan dat ze in frequentie toenemen, en hebben doorgaans meer te maken met oorlogen dan met een tekort aan landbouwgrond.
Maar pessimisten denken dat het tot nu toe goed ging doordat steeds meer akkers werden geïrrigeerd. Dat kan niet lang meer doorgaan: de mens verbruikt al meer dan de helft van alle water dat terug naar zee stroomt. Over tien, twintig jaar, zullen niet alleen Afrika, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika hun voedsel deels moeten importeren, maar zal ook Azië, met zestig procent van de wereldbevolking, zich in dat rijtje voegen.
Het gat tussen het huidige aanbod en de toekomstige vraag wordt dus snel groter. “Biotechnologie,’’ stelde twee jaar geleden een adviescommissie van de Wereldbank onder leiding van Nobelprijswinnaar en fysicus Henry Kendall, “kan de sleutel zijn tot veel van de verbeteringen die noodzakelijk zijn om dat gat te dichten.’’
Genetische manipulatie, zo willen de beloften, kan gewassen weerbaarder maken tegen ziekten, droogte of zoute grond. Nu DNA-onderzoek de soortsbarrières heeft opgeheven, kan elk gewas worden uitgerust met gunstige eigenschappen van elk willekeurig ander gewas. Sterker nog: nu zelfs eigenschappen van bacteriën bruikbaar zijn, kunnen planten zelf insecten bestrijden met bacteriële toxinen. Bovendien kan biotechnologie de voedingswaarde van bestaande gewassen verbeteren: gewassen met extra ijzer of vitamine A zouden voor honderden miljoenen mensen een uitkomst zijn.
Maar in de praktijk is van al die klinkende beloften nog weinig terecht gekomen. De genetisch gemanipuleerde gewassen die nu op de akkers staan, zijn in overgrote meerderheid ontwikkeld door enkele multinationale ondernemingen, niet als voedsel voor hongerige magen in Afrika en Azië maar als goedkope grondstof voor westerse voedings-industrieën. Bulkgewassen voor gematigde streken, zoals mais, koolzaad, aardappel en soja, bepalen het beeld — pogingen om tropische gewassen als rijst, cassave en suikerriet van nieuwe genen te voorzien zijn op de vingers van een paar handen te tellen.
“Het is duidelijk dat de commerciële sector minder geïnteresseerd is in arme boeren in ontwikkelingslanden,’’ zegt De Haan, die zestien jaar geleden bij de Wereldbank kwam en lid is van de ‘taskforce’ voor biotechnologie die een half jaar geleden werd opgericht. “Investeerders zoeken altijd naar koopkrachtige vraag. Maar ook als Wereldbank hebben we tot nu toe vrijwel niets in biotechnologie geïnvesteerd. Van de vier miljard gulden die er aan leningen voor wetenschappelijk onderzoek uitstaat, gaat hooguit 100 miljoen naar biotechnologie — haast niks dus.’’
Niet dat de bank aanvragen voor leningen om ethische redenen heeft afgewezen — “met de hoog oplopende discussies in Europa hebben wij niet zoveel te maken,’’ zegt De Haan. Het probleem is dat er in de meeste ontwikkelingslanden geen onderzoekers zijn die een aanvraag voor een lening kunnen doen. En als ze er al zijn, dan ontbeert het land de regels om de risico’s van de experimenten in te dammen.
Op een bijeenkomst met internationale deskundigen, vorige week in Washington, inventariseerde de Wereldbank de hinderpalen. Bijvoorbeeld dat de meeste ontwikkelingslanden in de tropen liggen, waar het aantal wilde plantensoorten, en dus ook de kans op onbedoelde kruising met gemanipuleerde gewassen, het grootst is. Of het feit dat alle belangrijke patenten in handen zijn van vijf grote concerns — en dat het aanvragen en verdedigen van één nieuw patent honderdduizenden guldens kost, zodat de bank alleen al aan het betalen van patenten voor ontwikkelingslanden vele miljarden zou moeten uitgeven — aan advocaten in het westen, wel te verstaan.
Zo groot zijn de twijfels, dat De Haan er zelf nog niet uit is. “We moeten ons realiseren dat de hoeveelheid geld beperkt is. Alles wat we in biotechnologie stoppen, is niet meer te gebruiken om te zoeken naar klassieker methoden om de opbrengst te vergroten. Vijftien jaar geleden gebeurde met het pesticiden-onderzoek hetzelfde: onderzoek naar geïntegreerde plaagbestrijding werd weggedrukt, doordat alle geld opging aan het testen van bestrijdingsmiddelen.’’
“Het betekent niet dat je helemaal geen biotechnologie moet toepassen. Een cassave-plant die resistent is voor het mozaiekvirus zou voor heleboel kleine boertjes in Afrika een enorme vooruitgang zijn. Rijst met extra vitamine A zou grote waarde hebben voor 800 miljoen ondervoede kinderen. Als die producten voldoende getest zijn, dan moeten we ze zeker gebruiken — zelfs als we de risico’s voor westerse begrippen aan de hoge kant vinden.’’ “Maar soms denk ik wel eens, dat de grootste kans voor ontwikkelingslanden straks juist ligt in voedsel dat níet genetisch is gemanipuleerd — als exportproduct voor westerse landen. Daar zouden we óók eens naar moeten kijken.’’