Menu Close

Een monument van woorden

In de geschiedschrijving over de slavernij blijft één invalshoek meestal buiten beeld: die van de slaven zelf. Met de heruitgave van alle ooit door slaven gepubliceerde verhalen hopen Amerikaanse historici daar verandering in te brengen.

Friday Jones was een gewaardeerde kracht — zijn vaardigheden waren veel gevraagd. Zo veel zelfs, dat Jones eisen kon stellen; als een opdrachtgever hem niet beviel, dan gooide hij het bijltje erbij neer, en ging op zoek naar een nieuwe werkplek.

Jones’ zelfbewuste opstelling en stevige onderhandelingspositie komen voor de meeste mensen als een verrassing — als ze tenminste weten dat hij geen hedendaagse IT-consultant is, maar een zwarte slaaf in het Amerikaanse Zuiden, halverwege de vorige eeuw. Het traditionele beeld van de slaaf, een machteloos en willoos slachtoffer overgeleverd aan de nukken van wrede plantagehouders, spreekt heel andere taal.

Ons beeld van de handel in en de tewerkstelling van slaven, zeggen sommige historici, is dan ook verre van compleet. Een van de oorzaken: het feit dat in de geschiedschrijving slaven zelf nauwelijks hebben meegesproken. Deels omdat schriftelijke bronnen moeilijk te vinden zijn, maar deels ook omdat bestaande bronnen zijn genegeerd.

Als het aan Bill Andrews ligt, decaan van de faculteit Engels van de Universiteit van North Carolina in Chapel Hill, zal het voor Amerikanen binnenkort een stuk moeilijker zijn de woorden van hun voormalige slaven te negeren. Eind dit jaar hoopt Andrews alle autobiografische teksten van Amerikaanse slaven bijeen te hebben gebracht; een verzameling van bijna tweehonderd antieke werken uit alle hoeken van het land, die allemaal elektronisch heruitgegeven worden en dan voor iedereen met een Internet-verbinding zijn in te zien.

De collectie geeft een stem aan slaven die lange tijd niet of nauwelijks werden gehoord. Hun verhalen, meent de samensteller, presenteren een verrassend veelzijdig beeld van hoe het was om met slavernij te leven — voor slaven, maar ook voor slavenhouders.

“Een monument in woorden,” zo omschrijft Andrews het omvangrijke project. Een monument, voegt hij eraan toe, dat wel eens meer waarde zou kunnen hebben dan een gedenkteken van steen.

Hausse

In Nederland staat de historische betekenis van de slavernij pas sinds kort weer ter discussie. Hoewel de meeste Nederlanders weten dat onze koopvaardij zijn steentje bijdroeg aan de massale transatlantische overtocht van Afrikaanse slaven, was voor de details van die handel tot nu toe weinig aandacht.

De Gouden Eeuw roept vooral gedachten op aan glorieuze Amsterdamse grachtenpanden en onovertroffen schilderkunst. Dat diezelfde periode ook een intensieve handel in slaven voortbracht, en dat Nederland pas in 1863, als een van de laatste landen ter wereld, het houden van slaven in de koloniën verbood, krijgt in de schoolboeken doorgaans minder uitgebreid aandacht.

Niettemin is er de laatste jaren een kleine hausse van historische uitgaven over het onderwerp. Zo publiceerde de ‘Nederlandse’ Amerikaan Johannes Postma in 1990 The Dutch in the Atlantic Slave Trade, waarin hij uitrekent dat Nederlandse koopvaarders, in anderhalf duizend overtochten, ongeveer 5 procent van de 12 miljoen Afrikaanse slaven naar Noord- en Zuid-Amerika hebben vervoerd —zo’n 600 duizend mensen. Dit voorjaar herhaalde de Leidse historicus Pieter Emmer die cijfers in zijn boek De Nederlandse slavenhandel, dat door zijn ogenschijnlijk relativerende toon veel stof deed opwaaien.

De Nederlandse regering laat zich niet onbetuigd. Op 1 juli maakte het kabinet bekend twee miljoen gulden uit te trekken voor een Nationaal Monument voor (of tegen) de Nederlandse rol in de slavernij. De beoogde lokatie: bij het West-Indisch Huis, het voormalig hoofdkwartier van de West-Indische Compagnie aan de Amsterdamse Haarlemmerstraat.

Interviews

Waar het gaat om het verwerken van het slavernijverleden, lopen de Verenigde Staten voor op hun transatlantische overburen. Misschien komt dat doordat de slavernij in de VS een onderdeel van het dagelijks leven vormde, terwijl de meeste Europese landen het houden van slaven alleen toestonden in verre wingewesten. Als gevolg daarvan zien weinig Nederlanders hun Surinaamse of Antilliaanse landgenoten als de achterkleinkinderen van ‘onze’ eigen slaven; ‘Afrikaanse Amerikanen’ daarentegen herinneren hun landgenoten bijna dagelijks aan de zwarte pagina’s in hun geschiedenisboek.

Al tijdens de grote depressie van de jaren dertig deed Amerika een eerste poging het slavernijverleden grondig vast te leggen. Als onderdeel van president Roosevelts New Deal werden alle werklozen, ook intellectuelen, ingeschakeld in de werkverschaffing. Het Federal Writers Project stuurde duizenden werkloze ‘schrijvers’ door het land, en een deel van hen ging in het zuiden op zoek naar bejaarde zwarte landgenoten, die de afschaffing van de slavernij in 1865 nog hadden meegemaakt. De interviews, naderhand allemaal uitgetikt, moesten zoveel mogelijk van de overlevering vereeuwigen.

Een deel van de interviews werd, tientallen jaren later, in dikke boeken uitgegeven. Maar voor historici zijn ze als bron een tikje problematisch. Zo was onduidelijk hoe precies de geïnterviewden zich alles nog herinnerden — de meesten waren kinderen toen de Burgeroorlog uitbrak. Bovendien bleek het nogal uit te maken wie hen ondervroeg: de gesprekken met zwarte interviewers zijn bijvoorbeeld gemiddeld veel openhartiger dan die met blanken. Of dat is omdat de geïnterviewden zich bij zwarte ondervragers meer op hun gemak voelden of omdat interviewers de verhalen bijstuurden of achteraf aanpasten, weet niemand.

Mede daarom is de door Andrews bijeengebrachte verzameling autobiografische uitgaven misschien wel de meest betrouwbare bron voor wie in de ziel van Amerikaanse slaven wil kijken.

Geschriften van slaven zijn zeldzaam — leren lezen en schrijven was voor de meeste slaven niet weggelegd, vaak zelfs een misdrijf, en de kans iemand te vinden die het proza wilde uitgeven was zo mogelijk nog kleiner. Veel van de nu bekende Amerikaanse slavenliteratuur is daarom van de hand van ontsnapte slaven, die vanuit noordelijke staten of het buitenland hun herinneringen te boek stelden. Verenigingen die zich beijverden voor de afschaffing van slavernij namen zulke auteurs soms onder hun hoede. Andere slaven begonnen pas over hun ervaringen te schrijven toen die afschaffing een feit was.

Andrews’ collectie bevat inmiddels honderdtachtig werken, maar dat aantal groeit nog steeds. Omdat het geld ontbreekt om werken gericht op te sporen, is hij afhankelijk van toevallige ontdekkingen die bij hem worden gemeld. Zoals de voorheen onbekende autobiografie Days in Bondage van Friday Jones, in 1883 uitgegeven, een curiosum dat een bibliothecaris vorig jaar in zijn eigen collectie tegenkwam.

Alle slavenverhalen bij elkaar geven, aldus Andrews, een nieuwe kijk op de Amerikaanse slavernij. ‘Het beeld dat de meeste mensen over die periode hebben, is nog altijd sterk beïnvloed door films als Gone with the wind,’ meent de hoogleraar. ‘Het is een rijke blanke familie op een plantage met meer dan honderd slaven, die door wrede voormannen tot het uiterste worden uitgebuit. En die dingen gebeurden — daarover geen twijfel. Maar in veel staten, waaronder hier in North Carolina, waren maar heel weinig grote plantages. De gemiddelde blanke bezat geen slaven, en verreweg de meeste slavenbezitters hadden er minder dan tien. Ze werkten zelf meestal op het land, zij aan zij met hun slaven. De slaven hadden meer de positie van een ingehuurde kracht — zij het natuurlijk dat ze niet vrij waren, en nauwelijks loon kregen.’

Het verhaal van Friday Jones, zegt Andrews, is dan ook representatief voor de collectie als geheel. ‘Jones vertelt hoe hij door zijn meester werd verhuurd om te helpen bij de aanleg van een spoorlijn. Zulke dingen gebeurden veel. Maar het werk en zijn nieuwe baas bevielen hem niet. Dus vertrok hij gewoon. Niet dat hij vluchtte naar het vrije noorden — nee, hij bleef gewoon een maandje weg. Je zou kunnen zeggen dat hij in staking ging. Na een maand kwam hij terug bij zijn meester, en zei: hoor eens, ik wil weer aan het werk, maar niet bij die spoorlijn. En zo gebeurde het.’

Veel slaven realiseerden zich dat ze, ondanks de onmenselijke slavernijwetten, voor hun eigenaren een grote waarde hadden, zegt Andrews: ‘In ruil voor zijn werk kreeg een slaaf dingen gedaan. Dat was een manier om als slaaf iets van je waardigheid te bewaren, in een systeem dat in de kern natuurlijk probeerde je die waardigheid te ontnemen.’

Het is niet de enige verrassing in het verhaal van Jones. Andrews: ‘Op een moment hoort hij dat zijn vrouw en kinderen dreigen te worden verkocht. Dan, schrijft Jones, neemt hij zijn eigen paard en wagen en gaat op zoek naar zijn meester, vijftig, zestig kilometer verderop. Tot diep in de nacht praat hij op hem in, totdat de meester erin toestemt dat Friday zelf het geld voor zijn gezin bijeen brengt door er elders nog een baantje bij te nemen. Voor veel mensen klinkt het misschien als een absurd verhaal. Maar dat is het niet: wie veel verhalen van slaven leest, merkt dat zoiets heel gewoon was. Natuurlijk was er ook wreedheid en sadisme. Maar tegelijk lees je over meesters die van alles doen om aan de wensen van hun slaven tegemoet te komen.’

Ook de illustraties bij de verhalen zijn soms onthullend. Zoals de gravure van Moses Roper, een in 1835 naar Londen gevluchte slaaf. De grootste verrassing van zijn boek A narrative of the adventures and escape of Moses Roper, from American slavery, is niet zijn aanklacht tegen de slavernij — niet toevallig zijn de verhalen van ontsnapte slaven doorgaans negatiever dan de herinneringen van slaven die de afschaffing afwachtten. Het grootste schokeffect, aldus Andrews, had destijds de afbeelding van Roper zelf: hij was van gemengd bloed, bezat een vrijwel blanke huid en oogde als een typische negentiende-eeuwse intellectueel. Hij voldeed dus bepaald niet aan het karikaturale beeld van slaven dat de meeste mensen toen en nu voor ogen hadden. ‘Het was een krachtig getuigenis van wat slavernij werkelijk was: een economisch systeem dat zich niet beperkte tot Afrikanen die naar Amerika waren verscheept, maar zich uitstrekte tot nageslacht met een in onze ogen vrijwel blanke achtergrond.’

Het zijn maar enkele voorbeelden, zegt Andrews, van de manier waarop de bijdragen van slaven helpen om een rijker, geschakeerder beeld te krijgen, en te begrijpen hoe blanke en zwarte Amerikanen destijds handelden. ‘Slavernij was niet een gegeven, met regels waarnaar iedereen zich automatisch voegde. Elke slavenhouder bepaalde zelf hoe hij zich wilde verhouden tot zijn slaven. En elke slaaf onderhandelde zelf over verbetering van zijn positie. Slaven waren geen willoze slachtoffers, maar vaak inventieve en creatieve mensen die voortdurend de grenzen probeerden te verleggen.’

Kan het Amerikaanse voorbeeld navolging krijgen in de vorm van een collectie vertellingen van voormalige Nederlandse plantageslaven? Een aantal factoren maakt de kans dergelijke bronnen te vinden kleiner; zo herbergden ‘Nederlands Guyana’ (Suriname) en de Antillen veel minder slaven dan het Amerikaanse zuiden, en vormden de oerwoudgemeenschappen waarin ontsnapte slaven in Suriname zich vaak terugtrokken waarschijnlijk een minder vruchtbare voedingsbodem voor literaire uitgaven dan de vrije noordelijke staten in Amerika. In vergelijking met de VS kende Nederland bovendien een veel minder actieve afschaffingsbeweging.

Toch vindt Andrews de vaak gehoorde stelling dat uit Zuid-Amerikaanse streken nu eenmaal vrijwel niets bewaard is gebleven, verbazingwekkend. ‘Ik was in Brazilië op een conferentie, en daar zei men min of meer het zelfde. Ik vond het leuk dat men zo geïnteresseerd was in mijn Afro-Amerikaanse teksten, maar ik vroeg: waarom gaat niemand op zoek naar Afro-Braziliaanse literatuur? Wie weet wat je zou vinden, als je echt je best zou gaan doen?”

Maar grondig zoeken, weet Andrews maar al te goed, kost veel geld. Zelf kreeg hij voor zijn project een flink bedrag van het National Endowment for the Humanities, een subsidiefonds van de Amerikaanse overheid. Maar ook die steun is bij lange na niet genoeg om systematisch archieven en bibliotheken af te reizen. Daardoor is hij afhankelijk van wat via mond-tot-mondreclame tot hem komt.

Helemaal belangeloos is hij dus niet, wanneer Andrews een suggestie doet om de twee miljoen gulden die door de Nederlandse overheid is gereserveerd, nuttig te besteden.

‘Een stenen monument, waar mensen eens per jaar samenkomen, dat kan een mooie, maar ook wat gemakkelijke manier zijn om van je slavernijgeschiedenis af te komen. Persoonlijk zou ik het geld liever investeren in onderzoek. Proberen te ontdekken wat er nog verborgen ligt in bibliotheken en archieven. Een monument van woorden zou ik maken, dat je kunt raadplegen, waarvan je kunt leren — veel meer dan van een monument van steen.’

Related Posts