BERLIJN – Britse en Franse aidsonderzoekers hebben alsnog de twijfels weggenomen over hun studie die uitwijst dat een AZT-behandeling van seropositieven zonder ziekteverschijnselen geen waarneembare voordelen biedt. Onderzoekers die zich in april nog sceptisch uitlieten over dit onderzoek, zoals de Amsterdamse aidsbehandelaar dr S. A. Danner, zijn nu overtuigd.
Dit bleek gisteren bij de officiële presentatie van de resultaten van de ‘Concorde-studie’ op de Internationale Aidsconferentie in Berlijn. Volgens Danner zal de conclusie van het onderzoek voor Nederlandse seropositieven minder gevolgen hebben dan voor Amerikaanse. In Nederland wordt AZT over het algemeen later na de infectie voorgeschreven dan in de VS. Daar krijgen seropositieven het middel standaard toegediend zodra zij minder dan vijfhonderd afweercellen per microliter (een duizendste milliliter) bloed hebben. In Nederland wordt doorgaans langer gewacht.
Toch verwacht Danner dat ook in ons land de behandeling van ‘gezonde’ seropositieven moet worden aangepast. Mogelijk wordt straks pas AZT voorgeschreven wanneer geïnfecteerden minder dan 250 of 200 afweercellen per microliter hebben, of als zij voor het eerst last krijgen van de ernstige infecties die gepaard gaan met aids.
De Concorde-studie, die werd uitgevoerd in 73 behandelcentra in Frankrijk en Groot-Brittannië, is verreweg het grootste en langdurigste onderzoek naar de werking van AZT bij gezonde seropositieven tot nu toe. In totaal werden 1750 proefpersonen gedurende drie jaar of langer gevolgd. De helft van hen kreeg AZT, de rest een nepmiddel. Na drie jaar bleken in de laatste groep niet significant meer of minder sterfgevallen voor te komen, noch week het aantal aidsdiagnoses erg af.
Toen de onderzoekers begin april hun voorlopige resultaten bekendmaakten via een ingezonden brief in het Britse tijdschrift The Lancet, daalden de aandelen van de fabrikant van AZT, de Britse firma Wellcome, dramatisch. Onder onderzoekers ontstond verwarring, omdat uit de brief bleek dat een derde van de ontvangers van het ‘nepmiddel’ na een jaar alsnog had besloten aan een AZT-behandeling te beginnen. Dit werd gedaan omdat in 1989 uit Amerikaanse studies bleek dat, na een jaar, AZT de kans op overlijden op aids verminderde. Volgens velen maakte de verandering in de onderzoeksopzet de resultaten onbruikbaar.
Gisteren bleek echter dat de groep die zich alsnog tot AZT wendde, meestal snel daarna ziekteverschijnselen kreeg. Omdat ze op dat moment toch al AZT zouden hebben gekregen, maakte hun overschakeling voor het onderzoek uiteindelijk weinig verschil.
Ook de Concorde-studie constateerde dat, na een jaar, AZT behandeling seropositieven een klein voordeel oplevert. Maar na drie jaar was dat voordeel weer verdwenen.
Het onderzoek tornt niet aan de algemene overtuiging dat mensen met heel weinig afweercellen of aan aids gerelateerde infectieziekten baat hebben bij AZT. Wel ondergraaft het onderzoek de gewoonte uit een toename van het aantal afweercellen in het bloed te concluderen dat een experimenteel aidsmiddel werkt. In de proef hadden seropositieven met AZT gemiddeld iets meer afweercellen – 35 per microliter – dan onbehandelde proefpersonen, maar desondanks werden ze even snel ziek of overleden even snel.
Danner bevestigt dan ook dat in het AMC is gebleken dat, wanneer een behandeling eenmaal is begonnen, het aantal afweercellen weinig meer zegt over de ontwikkeling van de ziekte. Volgens hem moet daarom bij toekomstig onderzoek meer waarde werden gehecht aan het aantal virussen in het bloed.
Dr N. Seligmann, lid van de wetenschappelijke commissie die de Concorde-proef uitvoerde, zei gisteren seropositieven die al AZT slikken niet te adviseren de behandeling te staken. Hij wees erop dat uit de studie bleek dat, zelfs na twee of drie jaar gebruik, AZT maar heel weinig negatieve bijwerkingen heeft.