In de Partij van de Arbeid lijkt de rust definitief verstoord, nu verse fractieleden gevestigde opinies over selectie en studiefinanciering op hun kop zetten. De frisse wind wordt niet door iedereen op prijs gesteld.
‘BINNEN DE Partij van de Arbeid gaan steeds meer stemmen op om te komen tot selectie aan de poort. In elk geval mijn stem – je moet oppassen wat je zegt tegenwoordig.”
Rick van der Ploeg, hoogleraar economie in Amsterdam en spraakmakend nieuw Tweede-Kamerlid voor de PvdA, zegt nog niets te hebben gemerkt van irritaties over de sociaal-democratische heilige huisjes die hij in de eerste maanden van zijn nieuwe functie omver probeert te blazen. “Ik krijg alleen maar positieve reacties. Het staat ieder toch vrij om na te denken – zeker over het hoger onderwijs?”
Nadenken doet Van der Ploeg nog steeds volop. Zo zei hij twee maanden geleden: “Als sociaal-democraat verzet ik me, zeker voor de komende vier jaar, sterk tegen ‘selectie aan de poort. Ik vind dat kinderen van achttien jaar nog niet voldoende kans hebben gehad zich te bewijzen, en dus ten onrechte zouden worden afgewezen.”
Inmiddels, beaamt Van der Ploeg, vreest hij dat de voorgenomen bezuinigingen niet te halen zijn zónder selectie aan de poort. En dus moet het nu toch kunnen – voorlopig op experimentele basis. Zo zou de ‘gewogen loting’ bij vakken met te weinig capaciteit kunnen worden vervangen door gesprekken over de motivatie van de aankomende studenten.
Van der Ploeg (nu): “Je moet zorgen dat mensen niet aan de verkeerde studie beginnen. Je moet daar selecteren waar het nodig is – bij studierichtingen waar door een overschot de kwaliteit van het onderwijs in het gedrang komt. In dat geval moet je je ervan vergewissen dat de juiste mensen aan die studie beginnen, checken of ze er geschikt voor zijn. Zoniet, dan kun je ze verwijzen naar een soortgelijke studie. Sociologie in plaats van communicatiewetenschap, bij voorbeeld, of communicatiewetenschap in plaats van psychologie.”
Het is niet het enige onderwerp dat onder vuur van daadkrachtige vernieuwers in de PvdA is komen te liggen. Vorige week klapte de Landelijke Studentenvakbond uit de school over een besloten bijeenkomst van de partij, eind september, waarin de toekomst van de studiefinanciering aan de orde was geweest. Daar bleek dat sommige sociaal-democraten, onder wie partijvoorzitter Felix Rottenberg en fractiespecialist Van der Ploeg, willen nadenken over een beurzenstelsel dat geheel is gebaseerd op leningen – zonder basisbeurs dus.
Van der Ploeg: “Je kunt je voorstellen dat zo’n stelsel mondiger studenten oplevert, omdat er meer op het spel staat. En het geld dat je bespaart, kun je op andere manieren besteden aan vergroting van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.”
Het onstuimige tempo van de meningsvorming binnen de Partij van de Arbeid kan niet bij alle partijleden op enthousiasme rekenen. Zo heeft onderwijsminister Ritzen zijn ambtenaren inmiddels ingeschakeld om partijgenoten met een gebrekkige kennis van zaken snel op de hoogte te brengen van de ‘kengetallen’ van het beurzenstelsel. Die cijfers moeten zijn woorden in de Eerste Kamer ondersteunen: “Als de plannen uit de jongste begroting straks zijn uitgevoerd, is elke gedachte dat er bij de studiefinanciering nog een grote pot ligt waaruit veel geld valt te halen, niet reëel.”
De zestien pagina’s tellende spoedcursus rekent onder meer voor hoe in 1989 nog 3,5 miljard gulden aan studiebeurzen voor het hoger onderwijs werd uitgegeven. Wanneer alles volgens plan verloopt, zal daar in 1998 nog een schamele 840 miljoen van over zijn. “De studiefinanciering is een afgegraasd terrein. Een discussie over een leenstelsel staat een beetje buiten de werkelijkheid,” zei Ritzen op een conferentie in Den Haag. Hij had de uitnodiging van PvdA-voorzitter Rottenberg om mee te discussiëren over zulke varianten dan ook afgeslagen. “Ik ben voor open debatten, maar niet over dit punt.”
Rottenberg, die in de Volkskrant had gezegd dat nooit was onderzocht of een hoge studieschuld iemand zal weerhouden te gaan studeren, werd door de minister toch al op zijn nummer gezet. Ritzen, ooit als hoogleraar gespecialiseerd in de ‘prijselasticiteit’ van het hoger onderwijs, meldde droogjes dat onderzoek had aangetoond dat een leenstelsel drie procent van alle aankomende studenten zou afschrikken. Het aantal kinderen uit arme bevolkingsgroepen zou zelfs met tien procent dalen.
Een leenstelsel zou het hoger onderwijs zó duur maken, rekende Ritzen Rottenberg verder voor, dat de gemiddelde academicus het geld er pas na 25 jaar uit zou hebben. Hbo’ers zouden de investering zelfs niet voor hun pensioen terugverdienen.
Kamerlid Wim van Gelder, in de vorige kabinetsperiode al lid van de onderwijscommissie voor de PvdA en nu benoemd tot eerste woordvoerder over het hoger onderwijs, ziet de schermutselingen met lede ogen aan. “De discussies zijn voor een deel terug te voeren op woorden die voor verschillende deelnemers verschillende betekenissen hebben,” zegt hij nog wat sussend. “Zo verstaat de een onder selectie dat je minder studenten overhoudt, en de ander dat je de geschiktheid van mensen test zonder het aantal te willen terugdringen.”
Toch vindt ook Van Gelder dat voor debatten waarin de hoofdlijnen van het beleid opeens grondig overhoop worden gehaald, niet de minste aanleiding bestaat – noch over een leenstelsel, noch over selectie aan de poort. “Degenen die zich in het verleden al met deze kwesties hebben beziggehouden, weten dat alles hangt op wat er in het voortgezet onderwijs gebeurt. Staatssecretaris Netelenbos is daar hard bezig de aansluiting op het hoger onderwijs te verbeteren. Na de propaedeuse hebben wij al de mogelijkheid van een bindend studieadvies geïntroduceerd. Ik ben ervan overtuigd dat de gesignaleerde problemen daarmee voor zeventig tot tachtig procent zijn opgelost. Waarom zouden we dan nadenken over selectie aan de poort?”
Natuurlijk, zegt Van Gelder, heeft partijvoorzitter Rottenberg zijn eigen verantwoordelijkheid, vanwaaruit hij debatten als deze kan opzetten. “Er zijn legio thema’s te bedenken waar je je druk om kan maken. Het lijkt er alleen een beetje op of wij ons in de PvdA druk zitten te maken over iets dat helemaal niet zo belangrijk is. En dat vind ik jammer.”