Menu Close

Onderzoek naar baantjes zonen Buck bij universiteit

AMSTERDAM – De ‘affaire-Buck’ is vandaag een nieuwe, beslissende fase ingegaan met de instelling van een zware commissie die de zaak diepgaand moet onderzoeken. Niet alleen de wetenschappelijke kant van de zaak komt daarbij aan de orde. Ook de rol van het universiteitsbestuur en van het bedrijf Organon, alsook het op zijn minst opmerkelijke aanstellingsbeleid van prof. Buck worden bekeken.

Het Parool, 18 oktober 1990, p.1

Twee van zijn zonen blijken, zeer tegen de zin van de overige medewerkers, op de loonlijst van de faculteit te staan. Zoals directeur-beheer ing. AAG. van Mierlo van de faculteit Scheikundige Technologie bevestigt, is ongeveer twee jaar geleden H.L.F. Buck, een zoon van de uit zijn functies ontheven hoogleraar, door de faculteit aangenomen. Deze Buck heeft psychische problemen.

Volgens vakgroepsleden verrichtte hij geen werkzaamheden behorend bij zijn technisch-ondersteunende functie. Wel zou hij drie middagen per week in zijn studie scheikunde door een lid van de vaste wetenschappelijke staf zijn bijgestaan.

Een tweede zoon van Buck, de arts M. Buck, werd rond april van dit jaar in dienst genomen om bij het vervolgonderzoek van Buck te assisteren. Hij zou de contacten onderhouden met ziekenhuizen en onderzoeksgroepen.

Nadat in augustus de conclusies van de eerste onderzoekscommissie bekend werden, zijn alle samenwerkingsprojecten echter stopgezet. Deze Buck is op dit moment al weer ‘aan het weggaan’ bij de vakgroep, aldus de directeur-beheer van de faculteit.

Van Mierlo, die toegeeft dat vooral met het aannemen van de tweede zoon een ‘onrustpunt’ in de vakgroep van Buck werd gecreëerd, heeft intussen in een interne notitie laten weten ‘het aanstellingsbeleid in de faculteit in de toekomst te willen objectiveren’. Achteraf bezien, zo denkt hij, was het toch verstandiger geweest “een open sollicitatieprocedure voor de functie op te zetten”.

Wel staat de directeur nog steeds achter het besluit om de eerste zoon een dienstbetrekking bij de vakgroep te geven. Die beslissing die verband zou houden met het streven naar tenminste vijf procent gehandicapten’ in het personeelsbestand, is volgens hem genomen met medeweten van het college van bestuur van de universiteit, in het bijzonder rector magnificus prof.ir M. Tels. Tels was toen nog decaan van de faculteit.

“Ik zie het als een plicht om dat soort dingen te doen”, aldus Van Mierlo, “al realiseer ik me dat de directe werkomgeving er niet altijd gelukkig mee is.”

Tot leden van de nieuwe onderzoekscommissie zijn twee oud-hoogleraren van de Eindhovense universiteit benoemd: prof. dr W. Monhemius, emeritus hoogleraar bedrijfskunde, en ir P. W. Koumans, voormalig hoogleraar werktuigbouwkunde. De commissie die het universiteitsbestuur op verzoek van de universiteitsraad heeft ingesteld, wordt bijgestaan door het hoofd personeelszaken van de Rijksuniversiteit Maastricht en het hoofd juridische zaken van de Eindhovense universiteit. De commissie brengt over een maand verslag uit.

Related Posts