Met een klap viel de Eindhovense chemicus Henk Buck twee weken geleden van zijn voetstuk. Zijn imago – een naïeve, wat al te enthousiaste geleerde – bleef daarbij echter recht overeind. De onthutsende ervaringen van zijn directe medewerkers spreken echter een andere taal. Als een dictator regeerde Buck over zijn ondergeschikten, in een krampachtige poging het falen van zijn theorie af te wenden. De andere kant van het drama dat zich aan de Technische Universiteit voltrok.
EEN ‘INSPIRERENDE leermeester’, een ‘originele denker’, zo roemde deze week bestuursvoorzitter drs H. J. ter Heege van de technische universiteit in Eindhoven de deugden van voormalig scheikunde-decaan Prof. dr Henk M. Buck, lid der eerbiedwaardige Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en gevallen ontdekker van een potentieel aids-medicijn. Toegegeven, zijn vakgroep stond sinds jaar en dag bekend als een ‘harde leerschool, samenhangend met de persoonlijksheidsstructuur van de voorzitter’, maar Buck had toch maar het grootste aantal promoties van de hele TU op zijn naam staan.
Dit keer had Buck helaas gefaald, door ‘kritische signalen’ van zijn eigen promovendi te negeren. Zo had het kunnen gebeuren, aldus het bestuur, dat Buck ‘voorbarig’ was geweest met zijn bewering een nieuw aids-middel te hebben gevonden.
Het waren kritische, maar niet al te harde woorden, die het bestaande beeld van Buck als naïeve, overenthousiaste onderzoeker onaangetast lieten. De nieuwsgierigheid naar wat zich op het laboratorium van Buck heeft afgespeeld werd niet bevredigd. De ervaringen van Bucks directe medewerkers worden, tot op de dag van vandaag, voor de buitenwereld angstvallig geheim gehouden. Het rapport van de speciale commissie die de affaire onderzocht, met daarin de getuigenverklaringen, is veilig weggeborgen in de kluis van een notaris. Om de reputatie van de TU te redden doet het bestuur er verder liever het zwijgen toe. ‘Buck Weg – en snel vergeten’, zo vatte een lid van de Eindhovense universiteitsraad die opstelling deze week kernachtig samen.
Dictator
‘Een pure dictator’. Zo durven de promovendi van de vertrokken hoogleraar hun voormalige begeleider zonder meer te omschrijven, Allemaal denken ze met afschuw terug op de periode waarin wetenschappelijke discussies taboe waren en Buck onwelgevallige resultaten beloond Werden met een scheldpartij. “Buck besliste alles van bovenaf. Wij mochten van elkaar niet weten waar we mee bezig waren. ledereen werkte op een eilandje. Zoiets als werkoverleg, toch heel normaal in een onderzoeksgroep, was hier bij de DNA-groep ondenkbaar.”
De DNA-onderzoeksgroep van Buck bestond in de periode tussen januari 1989 en april 1990 naast de hoogleraar zelf uit de deeltijdhoogleraar prof. dr Stan van Boeckel, twee stafleden (dr Marcel van Genderen en dr Leo Koole) en acht onderzoekers in opleiding (aio’s), waarvan er vijf een promotie bij Buck voorbereidden. Op één staflid en één promovendus na hebben alle betrokken onderzoekers het Eindhovense lab inmiddels achter zich gelaten.
De groep had zich gestort op het idee van Buck om de elektrische lading van stukjes DNA te neutraliseren door er ‘methyl-groepen’ aan te plakken (methyleren). Ongeladen DNA-fragmenten, zo was de gedachte, zouden de verspreiding van het virus in aidspatiënten effectief kunnen blokkeren. Deze gedachte was overigens allerminst nieuw. Over de hele wereld speuren onderzoekers naar vergelijkbare manieren om DNA zo te veranderen dat het virussen kan remmen.
Ook Buck ontwierp een methode om zijn gemethyleerde DNA te kunnen maken. Dat zou niet eenvoudig zijn, zo konden op dit terrein ervaren chemici hem vertellen. Maar volgens Buck zouden na drie speciale chemische stappen alle eenheden waaruit een DNA-molecule is opgebouwd van een methylgroepje moeten zijn voorzien. Met gezwinde spoed werd de ploeg aan het werk gezet om Bucks ‘stofje’ te gaan maken.
Giftig
Al snel, omstreeks januari 1989, rees echter een probleem: de methode waarmee de eindprodukten op het laboratorium werden bekeken bleek ongeschikt om langere stukken DNA mee te controleren. Alleen de allerkortste stukjes DNA (twee tot vier ‘basen’) konden worden geanalyseerd. Buck besloot aan te nemen dat, wat voor korte moleculen gold, ook voor langere moleculen – achttien tot twintig basen – wel op zou gaan.
Eén ding was al wel zichtbaar: naast DNA bevatte het eindprodukt ook restprodukten, zoals giftige zouten van paratolueensulfonaat – dit in lijnrechte tegenspraak met Bucks stellige ontkenning, in mei van dit jaar nog, in het blad Biovisie.
Alarmerender was echter in dezelfde periode de vondst van promovendus ir Will Kuijpers, die op basis van een contract tussen het bedrijf Organon en de TU in Eindhoven op het laboratorium zou werken met het gemethyleerde DNA. Hij zag dat bij zijn allerkortste moleculen 16 procent van de methylgroepen er in de derde en laatste chemische stap weer afviel. Omgerekend naar grote moleculen betekende dit dat hooguit enkele procenten van het eindprodukt volledig gemethyleerd zouden zijn in plaats van 90 tot 100 procent, zoals Buck aannam en bleef volhouden.
In overleg met zijn Organon-begeleider Van Boeckel begon de promovendus daarom een alternatieve, betere methode te ontwikkelen om het DNA te methyleren. Ook ir Peter Quaedflieg en ir Harold Moody, promovendi van Buck, ontdekten in het voorjaar van 1989 dat hun eindprodukten allesbehalve volledig gemethyleerd waren. Met een analyse-apparaat – een HPLC – bij de firma Organon werd aangetoond dat lang niet alle kleinere moleculen volledig gemethyleerd waren. In de buisjes met lange moleculen was zelfs helemaal geen gemethyleerd DNA meer te vinden.
Furieus
Intussen waren omstreeks mei 1989 Will Kuijpers en begeleider Van Boeckel met hun resultaten onder de arm naar het kantoortje van collega-promotor Buck getogen. Die reageerde furieus op het slechte nieuws. Hij waande zich slachtoffer van een sluwe manoeuvre van Van Boeckel: in plaats van het TU-octrooi uiteindelijk voor veel geld over te kopen, zoals was afgesproken, ontwikkelde Organon in het geniep een alternatieve methode, zodat het bedrijf gratis een eigen octrooi in handen zou krijgen. Voor de argumenten van zijn promovendus en Van Boeckel – dat ‘professortje van 33’ – hield Buck zich doof, en de concept-publikatie over het verbeterde procédé keurde hij geen blik waardig. “Binnen een paar minuten ging het alleen nog over hoe we keken, en dat we met onze handen in de zakken stonden.”
Ook de andere promovendi hoefden niet op een enthousiaste ontvangst te rekenen, toen ze bij Buck en diens trouwe rechterhand Van Genderen kwamen melden dat de zaken niet liepen als gehoopt. Toen de bij Organon gemaakte analyses op tafel kwamen die bewezen dat er bij langere moleculen van gemethyleerd DNA geen sprake meer was, ontstak de hoogleraar in woede. Ze moesten ophouden het onderzoek van anderen af te breken. Wat dachten ze wel? De biologische experimenten in de vakgroep gaven toch remming aan? Het móest dus toch wel goed zitten?
Een dergelijk bezoek aan Buck was een overdonderende ervaring, zo wordt duidelijk uit de beschrijvingen achteraf van de verschillende promovendi. “Als je zo’n woede-aanval voor het eerst meemaakte, was je er een dag later nog kapot van”, bekent de één, “er gaat gewoon een knop om bij die man.” “Buck leefde in een waanwereld”, zegt een ander. “Als dingen niet klopten, of in tegenspraak waren met zijn theorie, veegde hij ze gewoon van tafel. Ik zie twee mogelijkheden: of er is medisch iets met hem aan de hand, of hij heeft het altijd geweten. Ikzelf denk dat’ie gewoon gek is.”
Geen tijd
De door Buck genoemde biologische experimenten werden, in een andere hoek van dezelfde negende verdieping van de T-hoogbouw, uitgevoerd door toenmalig promovendus dr Henk Kocken. Hij was als bioloog speciaal voor deze taak naar de scheikundige vakgroep gehaald.
Kocken beaamt dat in bacteriën werd waargenomen dat het aflezen van DNA werd geremd als er vloeistof uit het potje ‘van de overkant’ werd bijgevoegd. Maar voor het opzetten van de noodzakelijke controle-experimenten, met willekeurige stukjes DNA van dezelfde lengte en op dezelfde wijze gemethyleerd, kreeg hij van Buck geen gelegenheid. “Dat zou een paar weken aan voorbereiding kosten, en daarvoor was volgens hem geen tijd”, aldus Kocken.
Bovendien, had Buck nog benadrukt, ‘werkte het spul in Amsterdam’. Dat aidsonderzoeker prof. dr Jaap Goudsmit in zijn AMC-laboratorium met het stofje experimenteerde, wisten de promovendi overigens niet. Kocken: “Ik heb alleen een keer opgevangen dat er materiaal naar de Daniël den Hoed-kankerkliniek in Rotterdam was gegaan.”
Achter de rug van ‘Onze Lieve Heer’ om onderhielden de verschillende promovendi contact met elkaar. Om het voor hun experimenten noodzakelijke gemethyleerde DNA in handen te krijgen, zagen Quaedflieg en Moody zich gedwongen hun toevlucht te nemen tot de alternatieve methode die door Will Kuijpers en Van Boeckel verder werd ontwikkeld. Maar Bucks controle over het laboratorium was praktisch waterdicht. “Je kunt hem misschien het beste vergelijken met Ceausescu, compleet met zijn eigen Securitate”, aldus een van de promovendi. “Op het lab heerste een sfeer van terreur. Er liep altijd iemand over de zalen om voor Buck te controleren waar we mee bezig waren, en welke stoffen we gebruikten voor onze proeven.”
Ook Buck zelf maakte dagelijks enkele malen zijn ‘ronde’ over de verschillende zalen van het laboratorium. Waar hij kwam wachtten trillende medewerkers, bang om de wind van voren te krijgen. “De ene keer was het een potje dat open was blijven staan, de andere keer had je alleen je haar niet gekamd”.
Het duurde dan ook niet lang voor Buck ontdekte dat de alternatieve methode niet alleen door Will Kuijpers werd gebruikt. Vanaf dat moment was het voor de andere promovendi verboden om meer dan een paar woorden te wisselen met Kuijpers of Van Boeckel.
Weggewuifd
In het najaar van 1989 ging de conceptpublikatie voor het tijdschrift Science op de bus. Bucks promovendi, die het leeuwedeel van het onderzoek hadden uitgevoerd, werden daar niet in gekend. De tekst kregen zij niet onder ogen.
In dezelfde periode ontdekte Morris Moody, aio voor twee jaar, dat het, tegen al Bucks theorieën in, mogelijk was om met enzymen een radioactief fosforatoom aan het ‘gemethyleerde’ DNA te plakken. Een nieuw bewijs dat het DNA op z’n minst niet volledig gemethyleerd was. Maar Buck verbood hem dit onderzoek in zijn verslag te vermelden.
Kocken: “Dat soort dingen werd gewoon niet in discussie genomen. Slecht nieuws werd eenvoudig weggewuifd: ‘daar vinden we nog wel een oplossing voor’, werd dan gezegd.”
Het aantal bewijzen dat er iets grondig fout zat met Bucks synthese-procédé groeide gestaag. Niet alleen de derde stap, maar ook de tweede (methylerings)-stap bleek niet goed te werken. In feite, weten de onderzoekers nu, loste het produkt van de eerste stap nergens in op, zodat er in stap twee überhaupt geen chemische reactie kon plaatsvinden. Van het hele procédé bleef daarmee feitelijk niets heel.
Vanaf het moment dat het Eindhovense laboratorium in het najaar van 1989 een eigen HPLC-machine had gekregen, begonnen de promovendi onafhankelijk van elkaar allerlei experimenten met Bucks stofjes uit te voeren. Zo behandelden zij Bucks stofje met een middel dat methylgroepen, indien aanwezig, zou verwijderen. In januari 1990 bleek dat de metingen hierdoor niet veranderden: het zoveelste bewijs dat Buck – die zelf dergelijke controle-experimenten niet liet uitvoeren – ten onrechte volhield dat zijn eindprodukt gemethyleerd was. “We zijn naar zijn kamer gegaan, en hebben alle gegevens op tafel gelegd. Urenlang hebben we daar gezeten om Buck en Van Genderen uit te leggen wat het betekende. Of ze het begrepen? Met Buck weet je dat nooit. ‘Als je met een negatieve instelling werkt, vind je natuurlijk ook geen resultaat’, zei hij. Uiteindelijk ontaardde het in een scheldpartij, waarin Buck ons probeerde te intimideren. We moesten onze mond houden over die analyses. ‘Als je nog eens met zoiets aankomt, dan zetten we een punt achter je promotie’, kregen we te horen.”
Labjassen
Maar de promovendi gingen door. Een maand later onderzocht Henk Kocken met de NMR-machine de verschillende fracties van het eindprodukt op (DNA-)fosfor-atomen. Eens te meer bleek dat wat Buck aanzag voor gemethyleerd DNA, in feite bestond uit giftige bijprodukten. Voor de rest was slechts normaal, ongemethyleerd DNA aanwezig. Kocken: “Toen ik met Morris Moody die plaatjes zat te bekijken, zag Van Genderen ons discussiëren. Buck werd erbij gehaald. Hij verbood ons om nog met de NMR te werken, of over de gevonden resultaten te praten.”
Kocken besloot alsnog de biologische controle-experimenten uit te voeren waarvoor hij eerder van Buck geen tijd had gekregen. In de tweede week van april ontdekte hij, dat willekeurige stukjes DNA van gelijke lengte en op Bucks manier ‘gemethyleerd’, dezelfde remmende werking hadden op zijn bacteriën. Niet Bucks ‘gemethyleerde’ DNA, maar één van de giftige bijprodukten was verantwoordelijk geweest voor dat effect.
Veel deed het er niet meer toe – daarvoor was het al te laat. Op de ochtend dat Kocken zijn proeven voltooide, gaf Buck opdracht de tafels op te ruimen, en de witte labjassen aan te trekken. Waarom dat moest begrepen de promovendi pas toen een cameraploeg de zalen betrad – achtergrondplaatjes schietend voor een avondvullend NOS-spektakel, zoals ze later zouden ontdekken.
Op de persconferentie, 12 april, mochten de promovendi zich niet vertonen. Van Boeckel, die een maand tevoren per brief faculteits-directeur ing. A.A.G. van Mierlo nog eens schriftelijk op de hoogte had gesteld van de taferelen op het lab, liep halverwege verbijsterd weg. De promovendi moesten die avond met stijgende verbazing toezien hoe Buck in vrijwel ieder televisieprogramma de show stal.
Voor de promovendi vormde die avond het keerpunt in hun opstelling ten opzichte van Buck. “Voor de persconferentie hadden we nog het idee dat we een modus vivendi moesten vinden om verder te kunnen werken. Maar daarna wisten we dat het niet meer goed zou komen”, zegt Peter Quaedflieg nu.
Steunpilaren
Na de eerste berichten in de pers over de onzuiverheid van de stof werd Will Kuijpers de toegang tot het lab ontzegd. De rest kreeg dreigementen naar het hoofd geslingerd. “Als jullie de zaak hier destabiliseren, pak ik mijn laatste troef, en maak ik jullie helemaal kapot”, brieste de hoogleraar door de laboratoriumzaal.
De gebeurtenissen volgden elkaar nu snel op. Naast Van Boeckel vertrok ook stafmedewerker Koole, die zich al die tijd moeizaam tussen de strijdende partijen staande had proberen te houden. Met beide handen accepteerde hij een kans om een paar jaar in Zweden te gaan werken.
Beroofd van hun twee laatste steunpilaren in de DNA-groep toonden de achterblijvende promovendi in een gezamenlijke krachtsinspanning hun gelijk nog één keer onomstotelijk aan. Samen schreven ze ook een verontwaardigde brief naar het universiteitsblad Cursor. Dat blad had de situatie totaal verkeerd ingeschat, en trouwhartig geschreven dat ‘de pers Buck en zijn groep met rust moet laten omdat ze graag verder willen gaan met hun onderzoek’. Van Boeckel werd geschaard in een ‘koor van gefrustreerden’. Het kostte overredingskracht, maar uiteindelijk stemde de redactie toe in publikatie van de brief.
Buck belegde ‘reorganisatie-gesprekken’ met directeur Van Mierlo voor alle medewerkers. Die weigerden, en dwongen aparte gesprekken met alleen de directeur af. Daarin kreeg Van Mierlo lucht van de in aantocht zijnde ‘open opinie’, en lichtte Buck in. De twee faculteitsbestuurders vormden, zo verzekeren alle betrokkenen, sowieso ‘twee handen op één buik. Ook Buck riep alle zeven overgebleven onderzoekers weer apart bij zich, maar ontdekte voor het eerst dat ze op één lijn tegenover hem stonden.
Van Mierlo ging, uit vrees voor een totale leegloop van de hele vakgroep, akkoord met de instelling van een speciale commissie van drie hoogleraren, die de zaak tot de bodem moest uitzoeken.
Gewaagd
Terwijl de commissie de betrokkenen hoorde en werkte aan haar – vernietigende – eindrapport, bogen Buck en Van Genderen zich over een concept-rectificatie voor Science. ‘Stel dat er toch gemethyleerd DNA in zit, dan volgt uit het feit dat we het niet kunnen terugvinden dat het nog duizenden keren krachtiger is dan we dachten!’, luidde kort samengevat de gewaagde conclusie.
Tot diep in de nacht van zaterdag 11 augustus werkte Goudsmit, die de werkelijke toedracht intussen kende, samen met Moody en Quaedflieg door aan een échte rectificatie, waarin de fout onomwonden werd toegegeven. Maar de redactie van Science stond erop, zo bleek de volgende maandag, dat alle oorspronkelijke auteurs die rectificatie zouden ondertekenen, of dat schriftelijk zouden weigeren. Op dinsdag 14 augustus, twee weken voor de publiciteit opnieuw losbarstte, begaf Peter Quaedflieg zich daarom zonder veel vertrouwen in de afloop naar de kamer van Van Genderen, waar de hoogleraar zat in gezelschap van zijn – inmiddels tot inkeer gekomen – vertrouweling. Met de korte mededeling, ‘Dit is een rectificatie voor Science, de redactie wil dat jullie ook tekenen, kijk er eens naar’, liet hij de twee alleen.
Al na vijf minuten verscheen Van Genderen weer in de deuropening. En zonder een spoor van de spanning die de onderzoeksgroep de laatste jaren had gekenmerkt, gaf hij het verrassende antwoord. Buck tekende.
***
‘Dit kan nooit zo gemeten zijn’

In het inmiddels beruchte artikel in Science worden door de auteurs twee proton-NMR-spectra opgevoerd, die zouden aantonen dat fosfaatgemethyleerde DNA-fragmenten zich hebben vastgehecht aan overeenkomstige delen t-RNA van een gistbacterie. Hiernaast zijn deze twee spectra gereproduceerd.
Spectrum 1 is dat van het zuivere t-RNA-molecule. Spectrum 2 geeft het beeld zoals dat door de groep van Buck zou zijn waargenomen in een mengsel van datzelfde t-RNA en een stukje fosfaatgemethyleerd DNA, opgebouwd uit 18 basen.
Bij proton-nuclear magnetic resonance-spectroscopie, zoals de techniek voluit heet, worden magnetische golven met vele verschillende frequenties door de te onderzoeken moleculen gestuurd. Elk waterstof-atoom (proton) in het molecule trilt mee (resoneert) bij een speciale frequentie, die verband houdt met de plaats die hij inneemt. De mate van resonantie, oftewel de hoogte van de piek, heeft te maken met het aantal protonen dat zich in vergelijkbare posities in het molecule bevindt.
De verschillen tussen spectrum 1 en 2 vormden volgens de auteurs het bewijs dat de theoretisch voorspelde hybridisatie in werkelijkheid ook echt optreedt. Tussen alle achttien baseparen zouden zich waterstofbruggen hebben gevormd, waarbij telkens één proton betrokken is. Elke combinatie van twee basen (A-U, A-T en G-C) levert een apart herkenbaar proton op. De piekjes (a) tot en met (d) komen zowel wat betreft frequentie als intensiteit precies overeen met wat door Bucks theorie wordt voorspeld.
Daglicht
Nu inmiddels bekend is dat het fosfaatgemethyleerde DNA, en dus ook de beschreven hybride, nooit heeft bestaan, komt de vondst van het tweede spectrum opeens in een heel ander daglicht te staan. De rectificatie die naar Science is opgestuurd meldt onderkoeld dat het spectrum ‘niet meer op een betrouwbare manier geïnterpreteerd kan worden’. De rectificatie is mede ondertekend door dr M. van Genderen, die de metingen uitvoerde en de gegevens verwerkte.
Prof. dr J.H. van Boom, hoogleraar organische chemie aan de Rijksuniversiteit Leiden, noemt het afgebeelde hybride-spectrum ‘te mooi om waar te zijn’. “Het is zeer moeilijk voor te stellen dat dit spectrum in werkelijkheid zo gemeten is”, stelt hij.
Ook promovendi in de groep van Buck zeggen dat ‘dit spectrum zo nooit gemeten kan zijn. “De druk in de groep om resultaten te vinden die de theorie ondersteunden was zodanig”, beaamt een van hen, “dat het niet ondenkbaar is dat dit spectrum is ‘gegenereerd’ “. Met het gebruikte computerprogramma zou het betrekkelijk eenvoudig zijn om bepaalde punten wat ‘omhoog te duwen.
Van Genderen zelf weigert in te gaan op mogelijke verklaringen voor het mysterie. “Wetenschappelijke discussies horen thuis in vakbladen”, vindt hij.