Menu Close

Piramide van Ritzen en Cohen stiekem geslecht

De uitgelekte plannen voor het hoger onderwijs lijken ingewikkeld, maar betekenen in werkelijkheid een flinke vereenvoudiging: vijfjaar universiteit of hogeschool met subsidie van de overheid — daarna zoeken instellingen en studenten het samen zelf maar uit. Onenigheid is er vooral over het geld: het hoger beroepsonderwijs voelt zich weer als het stiefkindje behandeld.

DOORSTROMEN van het hoger beroepsonderwijs naar de universiteit — voor de een is het een manier om op de valreep nog een echte academische titel te halen, voor de ander de enige manier om de universiteit te bereiken. Als het aan de nieuwe staatssecretaris voor hoger onderwijs, mr J. H. Cohen, ligt, is het binnenkort vrijwel geheel voorbij. Alleen een hbo-afgestudeerde die torenhoge collegegelden en wegvallende studiefinanciering weet te trotseren, zal nog een universitair diploma kunnen veroveren.

Kern van het plan, dat is opgenomen in het vorige week uitgelekte concept van het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (Hoop), is het afschaffen van allerlei toeters en bellen die de scherpste kantjes van de studiefinancieringsregels tot nu toe konden bijvijlen.

Zo krijgt een hbo-afgestudeerde die nu naar de universiteit wil, nog drie jaar de tijd tegen het gewone collegegeldtarief een korte doorstroom-opleiding te volgen. Wel is de kans groot dat hij de laatste jaren het volledige studiefinancieringsbedrag moet lenen.

Cohen snijdt deze route straks vrijwel volledig af. Het recht op ‘gesubsidieerd collegegeld’ – lees: het normale collegegeld wordt voor iedere student aan hogeschool of universiteit beperkt tot vijfjaar. Daarna wordt die subsidie afgeschaft. Hoe hoog het collegegeld wordt, hangt dan af van de universiteit of hogeschool zelf. Maar omdat die tegelijk geen vergoeding meer krijgen voor studenten die dan nog door willen studeren, zullen zij ernaar streven dit bedrag ‘kostendekkend’ te maken. Afhankelijk van de opleiding, kunnen langstudeerders en doorstromers dus aankijken tegen collegegeld van vele duizenden guldens per jaar.

Hoewel ze er ingewikkeld uitzien, betekenen de nieuwe plannen een enorme vereenvoudiging ten opzichte van de wirwar aan regeltjes die nu nog bestaat. ledere student zou vijfjaar recht krijgen op basisbeurs en een laag collegegeld, terwijl zijn onderwijsinstelling geld krijgt voor de opleiding.

Daarna verandert alles: noch de universiteit of hogeschool, noch de student krijgt nog geld van de overheid — ze zien onderling maar wie voor de kosten opdraait.

Ir W. C. M. van Lieshout, voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), kan zich redelijk vinden in de gedachtengang van Cohen. Net terug van een overleg met de staatssecretaris, plaatst hij wel een kanttekening:

“Op het moment datje de doorstroming te rigide inperkt, snijd je voor een klein percentage jonge mensen die nu eenmaal niet leren volgens de lijn van de onderwijswetten, de weg naar de universiteit af. Daar zou ik op tegen zijn. Maar ik heb de indruk dat het ontwerp-Hoop de doorstroming al- leen moeilijker maakt, niet definitief afsluit.”

Bij de hbo-raad, de vereniging van scholen voor hoger beroepsonderwijs, is men minder tevreden. Woordvoerder D. Adema: “Ritzen en Cohen kiezen voor diegenen die via het vwo naar de universiteit gaan. Voor wie begint op de mavo, de havo of het middelbaar beroepsonderwijs, wordt het in feite onmogelijk gemaakt nog op de universiteit terecht te komen — tenzij ze fors extra betalen. En omdat vooral minder draagkrachtigen die weg volgen, kunnen zij straks de universiteit dus nog maar moeilijk bereiken.”

In de ogen van Van Lieshout zal de oplossing moeten komen van speciale uitzonderingsmaatregelen voor groepen in de samenleving die omwegen in het onderwijs nodig hebben. “Ik denk dat allochtonen bij voorbeeld zon bijzondere behandeling nodig hebben. Dat bedoel ik ook met ‘niet te rigide’: het zou verkeerd zijn, wanneer bijzondere groepen niet extra gestimuleerd kunnen worden.”

Piramide

Het uitgelekte concept van het Hoop heeft voor grote irritatie gezorgd bij het hoger beroepsonderwijs. Zo stuitte men in de tekst op termen als een ‘piramidaal onderwijssysteem’ — een piramide waarvan de universiteit als de vanzelfsprekende top werd beschouwd. En al lijken studenten en werkgevers die visie te delen — de afgestudeerde universitaire student die ‘doorstroomt’ naar het hbo moet nog worden uitgevonden, en het salaris van een doctorandus ligt hoger dan dat van een hboer — in het hoger beroepsonderwijs is het een absoluut taboe.

Van Lieshout zegt ‘erg ongelukkig’ te zijn met formuleringen over ‘toppen’ van ‘piramidale systemen. “In ons onderwijsstelsel vullen universiteiten en hogescholen elkaar aan. Ik spreek zelf nooit van ‘hoog’ of’laag’. Dat dat in ons land, dat toch al erg statusgevoelig is, vaak toch gebeurt, betekent een geweldige rem op een goed onderwijsbeleid.”

Ook minister Ritzen zei in een interview in de Volkskrant de term ‘piramide’ te ‘verafschuwen. En, toegegeven, hij voegde de daad bij het woord: volgens ingewijden is uit de laatste versie van het plan, dat gisteren onder de gesprekspartners van het ministerie werd verspreid, het woord ‘piramide’ weer schielijk geschrapt.

De hbo-raad is gelukkig met die nipte koerswending — of die te danken is aan hun eigen boze reactie, laat men in het midden. Wat de hbo-raad betreft is daarmee de kous echter niet af. Want ook zonder het ‘p-woord’ ademen de plannen de geest van bevoordeling van universiteiten boven hogescholen, vindt Adema.

“In dat hele verhaal over een selectievere universiteit, komen hogescholen nauwelijks voor.

Maar het hoger beroepsonderwijs mag straks wel grote groepen studenten opvangen die op de universiteit niet meer welkom zijn.” Deze verschuiving van studenten die niet geheel wordt gevolgd door een verschuiving van geld, stemt het hbo bitter. Wanneer de hbo-raad de voorlopige plannen doorrekent, concludeert men dat de universiteiten de komende jaren tot tien procent meer voor elke student uit kunnen geven.

Het hbo, daarentegen, zal over vijf jaar juist een kleine tien procent minder geld krijgen per student. Adema: “En dat tast dus de gelijkwaardigheid tussen de twee onderwijssoorten aan. De kwaliteit van de hogere beroepsopleiding komt in het gedrang, wanneer per student minder geld overblijft.”

Behalve Ritzen, die de argumentatie van het hbo kwalificeerde als ‘onzin’, vindt ook Van Lieshout het verhaal van de hbo-raad niet sterk.

“Bij mensen die de cijfers niet goed kennen, boeken ze zo wel heel gemakkelijk succes. De universiteiten hebben de laatste tien jaar vijf procent minder geld gekregen, terwijl we veertig procent meer studenten opleiden. Het hbo heeft in diezelfde periode aanzienlijk meer geld gekregen, terwijl hun studentenaantal maar iets harder groeide dan het onze — ongeveer zestig procent. Als je alleen naar dit moment kijkt, snap ik het bezwaar wel. Maar het hbo is de afgelopen tijd versterkt, waar de universiteiten steeds verder werden uitgeknepen. Als staatssecretaris Cohen nu vindt dat dat niet langer kan doorgaan, ben ik geneigd het met hem eens te zijn.” Volgens staatssecretaris Cohen zal het aantal studenten de komende jaren met tien tot twintig procent afnemen. Deelt Van Lieshout die voorspelling?

“Als de plannen voor een verzwaring van het vakkenpakket in het voortgezet onderwijs worden uitgevoerd, zal de selecterende werking groter zijn. Dat betekent dat er minder vwo’ers op de universiteit terechtkomen.” “De groep die het haalt, zal bovendien gemiddeld sneller afstuderen. Ten slotte neemt de komende jaren, bij voorbeeld door de tempobeurs, de druk om te presteren verder toe. Dat al die effecten bij elkaar zullen zorgen voor een daling van het aantal studenten, lijkt me een reële verwachting.”

Selectie

Zal die daling voldoende zijn om de universiteit weer een echt wetenschappelijk karakter te geven? Van Lieshout: “Dat hangt er mede af van hoe universiteiten ermee om zullen gaan — zeker als het gaat om strenger selecteren. Het propaedeuseprogramma zal beter op die selectie moeten worden afgestemd.”

Betekent dat, dat het felgekritiseerde ‘bindend studieadvies’ na het eerste jaar door universiteiten alsnog zal worden omarmd? Van Lieshout: “Dat lijkt me niet onwaarschijnlijk. Ik heb de indruk dat de sfeer rond selectie de laatste twee jaar inderdaad is veranderd.”