Hoewel de prestatiebeurs nu door de Tweede Kamer is aanvaard, zijn de ontwikkelingen rond de studiebeurzen verre van voltooid. Sterker nog als de voortekenen niet bedriegen, zal de afbouw van het bestaande beurzenstelsel volgend jaar heviger dan ooit worden voortgezet.
WIE EVEN niet goed oplette, had het waarschijnlijk niet eens gehoord. Tijdens de behandeling van de nieuwe prestatiebeurs, afgelopen week in de Tweede Kamer, liet minister Ritzen van onderwijs zich ontvallen dat de strenge norm van 70 procent van de studiepunten van meet af aan in de hoofden van de ‘kleine kring’ van beleidsmakers heeft gezeten. Het probleem was slechts de ‘haalbaarheid’ van zulke plannen: studenten, universiteiten en Tweede Kamer zouden eensgezind in opstand zijn gekomen.
Dus werd iedereen langzaam in de gewenste richting geduwd. Er kwam een tempobeurs met een studienorm van 10 procent, van 25 procent, van 50 procent. Deze week werd, op voorwaarde van praktische haalbaarheid, de verhoging naar 70 procent ingeluid.
De ontboezeming van Ritzen was des te interessanter, omdat de minister zich ook liet ontvallen dat een studienorm van 100 procent eigenlijk redelijk zou zijn: wie zijn studiejaar niet haalt, heeft geen recht op overheidssteun. Het lijkt erop dat ook de 70 procent geen eindstation is, maar slechts een halte op weg naar de 100.
Voor studenten is dat idee dubbel zorgelijk, omdat Ritzen een fundamentele discussie over de toekomstige studiefinanciering wil. Kennelijk is hij met de prestatiebeurs nog niet tevreden.
Die prestatiebeurs is eigenlijk al een ‘leenstelsel’ een oude wens van de VVD: wie wil studeren, kan geld lenen bij de overheid. Wie goed presteert, krijgt een deel van de schuld kwijtgescholden. Als sociaal-democratisch sausje wordt van studenten uit arme gezinnen een groter deel kwijtgescholden dan van studenten uit rijke gezinnen. Dat vooruitzicht moet voorkomen dat jongeren uit armere milieus, uit angst voor hoge schulden, afzien van een studie.
Het is echter zeer de vraag hoe lang dit sausje het nog uithoudt. Want zelfs bij de Partij van de Arbeid groeit de twijfel of de honderden miljoenen guldens van de ‘aanvullende beurs’ wel goed zijn besteed als het erom gaat de ‘toegankelijkheid’ van het hoger onderwijs te vergroten.
Het probleem is dat, vooral op de universiteiten, studenten uit armere milieus sterk zijn ondervertegenwoordigd. Tot nu toe deed iedereen alsof dat moest worden opgelost met de studiefinanciering: zonder studiebeurzen zouden jongeren uit armere milieus zeker van een studie afzien.
PvdA-Kamerlid Van der Ploeg legde deze week een bom onder deze argumentering. De bottleneck, redeneerde de Amsterdamse econoom, zit niet tussen het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs. Wanneer een kind uit een achterstandswijk het tot het havo of vwo heeft geschopt, dan stroomt hij net zo gemakkelijk door naar universiteit of hogeschool als rijkere klasgenoten.
Het is die éérste stap terechtkomen op het vwo die problematisch blijkt. Wie wil bereiken dat meer ‘kansarme’ kinderen de universiteit bereiken, geeft zijn geld niet uit aan studiebeurzen, maar aan maatregelen om meer kinderen naar het vwo te krijgen, aldus Van der Ploeg.
Het lijkt erop dat in de Kamer de geesten rijp worden voor een afbouw van de studiefinanciering zoals wij die nu kennen. Wat komt is een stelsel waarin studenten al hun geld lenen. Wanneer zij hun vierjarige studie binnen vier jaar voltooien, worden ze beloond met een voor arm en rijk gelijke kwijtschelding. Voor schrijnende gevallen komt er een noodfonds; briljante studenten kunnen door universiteiten of bedrijven worden gestimuleerd met een particuliere toelage. Wie door werkloosheid zijn studieschuld niet kan terugbetalen, krijgt hem na vijftien of twintig jaar kwijtgescholden.
Eén ding staat die droom nog flink in de weg: de meeste studies zijn niet in vier jaar te doen. Van der Ploeg heeft zijn hoop gevestigd op een ‘onderwijsexplosie’ na de onderzoeks-explosie moeten nu de collegezalen worden overspoeld met nieuw elan. Maar docenten kunnen niet tegelijk in hun laboratorium én voor de klas staan.
Een breekijzer kan worden dat universiteiten en hogescholen sinds kort verplicht zijn opleidingen te bieden die goed ‘studeerbaar’ zijn. Studenten die door slecht onderwijs duizenden guldens verliezen, kunnen hun opleiders voor de schade aansprakelijk stellen. Het wachten is op het eerste proefproces, waarin rechten-studenten massaal hun nieuwe wettelijke mogelijkheden uitbuiten. Misschien een idee voor de Landelijke Studentenvakbond, nu deze week bleek dat zij nog slechts een handjevol verlegen studenten in het parlement kunnen mobiliseren?