Menu Close

Frits Bolkestein jokt en kan niet rekenen

Selectie aan de poort van de universiteit is niet alleen nodig, maar ook heel goed mogelijk, stelde VVD-leider Bolkestein vorige week in zijn Duijker-lezing. Maar de politicus ging wel héél creatief om met de aangehaalde onderzoeksgegevens. Zonder uitzondering blijken de cijfers selectief gekozen, verkeerd samengevat of foutief opgeteld.

Door PAUL ARNOLDUSSEN en PETER VERMIJ 

PROF. DR G. J. Mellenbergh, hoogleraar Psychologische Methodenleer aan de Universiteit van Amsterdam, kreeg al wel een vaag voorgevoel, toen het wetenschappelijk bureau van de WD hem verzocht om toezending van een stukje dat hij had geschreven voor het faculteitsblad.

Hij zat ook in de zaal, toen VVD-leider Bolkestein in zijn Duijker-lezing een warm pleidooi hield voor selectie aan de poort van de universiteit, en dat betoog deels fundeerde met gegevens van Mellenbergh.

De universiteit, stelde Bolkestein in de lezing, is met zijn weerzin tegen selectie een van de laatste bolwerken van de softe sector.

Omdat zij de toegang tot de bovenste etage van de intellectuele piramide niet durft te dichten, lopen de zaken daar langzaam maar zeker in het honderd.

Dat terwijl, aldus Bolkestein, uit onderzoek kan worden afgeleid dat eindexamencijfers van middelbare scholieren heel bruikbaar zijn als selectie-instrument: het gemiddelde cijfer geeft een betrouwbare voorspelling over de kans op succes op de universiteit, en het aantal mensen dat ten onrechte zou worden afgewezen ligt betrekkelijk laag.

Om zijn stelling te onderbouwen haalde de WD-voorman cijfers aan uit drie bronnen: het onderzoek van Mellenbergh, een onderzoekje onder Utrechtse natuurkunde-studenten en één onder studenten aan de technische universiteit in Delft.

Dat de VVD-voorman zich zo nadrukkelijk en onvoorwaardelijk uitspreekt voor ‘selectie aan de poort’, is een feit waarmee vanaf nu rekening moet worden gehouden. Het paarse kabinet heeft een ingrijpende herziening van het stelsel van hoger onderwijs op de agenda gezet. In de Tweede Kamer kan minder gemakkelijk om Bolkestein worden heengelopen dan tot nu toe om andere pleitbezorgers van selectie vóór de studie.

IN ZIJN BIJDRAGE voor het faculteitsblad had Mellenbergh gebruik gemaakt van testresultaten onder eerstejaars psychologiestudenten. Om alvast te wennen aan psychologische testen, vullen ze in de eerste week van hun studie anoniem testformulieren in dat levert ze ook één studiepunt op.

In die testen wordt niet alleen gevraagd naar eindexamencijfers, maar komen ook cognitieve vaardigheden, persoonlijkheidseigenschappen en de ‘studiehouding’ naar voren.

Wanneer je een student die na één jaar driekwart van zijn studiepunten heeft gehaald ‘succesvol’ noemt, kun je achteraf vaststellen of dat in die eerste week al te voorspellen was geweest. Overigens zou op basis van dit criterium zou 63 procent van de huidige studenten als ‘niet succesvol’ betiteld moeten worden.

Wanneer je de volgens de testen beste vijftig procent zou toelaten, berekende Mellenbergh, zou slechts zes procent van alle aanmelders ten onrechte worden afgewezen een laag percentage, aldus Bolkestein.

Een kritischer blik op de cijfers van Mellenbergh leert echter ook dat van de studenten die dan wèl worden aangenomen, nog steeds 42 procent niet succesvol zou zijn (en niet 21 procent, het percentage dat Bolkestein in zijn betoog hanteert). Van de afgewezen studenten zou 12 procent binnen een jaar wel degelijk driekwart van de studiepunten hebben gehaald en dus op dit moment tot de top van de studentenpopulatie behoren.

Mellenbergh: “Uit ons onderzoek bleek ook dat het gemiddelde examencijfer niet alleen van belang is. Vragen over de studiehouding kon je je werk goed plannen, werkte je regelmatig of onregelmatig, hoeveel tijd spendeerde je aan het leren bleken de kans op succes mede te voorspellen. Maar dat effect verdwijnt natuurlijk direct wanneer de test deel zou uitmaken van een selectieproces. Nu kon iedereen eerlijk antwoorden, maar dan werkt elke aspirant-student natuurlijk als de beste. En wanneer je die werkhouding weghaalt, blijft er van de voorspellende waarde veel minder over.” Natuurlijk zijn er individuele verschillen, zegt Mellenbergh. Het gaat erom wanneer je die moet vaststellen. “De geschiktheid voor een studie is een mix van capaciteiten, ijver en motivatie. Wanneer je selecteert na de propaedeuse, kunnen studenten een jaar lang tonen dat ze de studie serieus behandelen. Dan is selectie een rechtvaardig middel.” Onwillekeurig denkt Mellenbergh ook terug aan zijn voorganger en leermeester, prof.dr A.D. de Groot. Die schreef decennia geleden een lijvig rapport over mogelijke maatregelen tegen een te grote toestroom naar de universiteit. Zijn conclusie: strenge selectie in de propaedeuse, daarna een soort ‘onderwijscontract’ tussen student en universiteit voor het resterende deel van de studie. Die ‘harde’ stellingname maakte hem tóen zeer controversieel, maar is nu ironisch genoeg bijna letterlijk terug te lezen in de voorstellen van de universiteiten.

PROF.DR F.H.P.M. Habraken, hoogleraar bij de ‘intervakgroep onderwijs’ van de Utrechtse faculteit Natuur en Sterrenkunde, was niet blij toen hij merkte dat Bolkestein cijfers over de slaagkansen van zijn studenten gebruikte in zijn pleidooi voor selectie aan de poort. Niet dat die cijfers geheim zijn, maar ze zijn niet bruikbaar voor zulke verstrekkende conclusies, vindt hij.

Wanneer je de grens voor de natuurkunde-studie bij een gemiddelde van een 7 zou leggen, citeerde Bolkestein de Utrechtse cijfers, zou 87 procent van de toegelatenen de propaedeuse halen een hele nauwkeurige selectiemethode dus.

Van de afgewezenen zou 28 procent het wel degelijk hebben gered getuige zijn betoog in de ogen van Bolkestein een acceptabel percentage.

Wie de originele cijfers erbij pakt, ziet dat Bolkestein echter een rekenfoutje in zijn voordeel heeft gemaakt: de ‘nauwkeurigheid’ van 87 procent hoort bij een grens van een 8 bij een drempel van een 7, zoals Bolkestein voorstelt, hoort een slaagkans van maar 77 procent.

Habraken: “Van die relatie tussen het gemiddelde van de eindexamencijfers wiskunde B en natuurkunde en de kans op het halen van de propaedeuse maken we grafiekjes, die we laten zien op voorlichtingsdagen. Zo maken we ouders en potentiële studenten duidelijk dat natuurkunde een zware studie is. Zij bepalen zelf wat ze met die informatie doen zij weten ook het beste hoe hun eigen examencijfers tot stand zijn gekomen. Wie betwijfelt of hij het aankan, ziet er vaak zelf van af.”

Het getal van 77 procent, met andere woorden, is bereikt na afloop van een strenge zelfselectie voor een van de zwaarste studies. Dat kan moeilijk representatief worden genoemd voor andere vakken, waar het verband tussen examencijfers en studiesucces waarschijnlijk nog veel kleiner is.

Het derde onderzoek waarop Bolkestein zich beriep is het rapport van de Commissie-De Moor, genoemd naar prof.dr R.A. de Moor, socioloog aan de universiteit van Tilburg. In dat rapport staan gegevens over het verband tussen eindexamencijfers en de kans op het behalen van de propaedeuse bij studenten van de technische universiteit in Delft.

In de tabellen zijn de studenten verdeeld op basis van hun gemiddelde examencijfer wiskunde l/B en natuurkunde: hoger en lager dan 7. Bolkestein: “Ook hier blijkt bij een aantal opleidingen het percentage studenten dat bij selectie zou worden afgewezen maar toch de propedeuse haalt, betrekkelijk laag te liggen: uiteenlopend van 11 tot 25 procent.”

Kennelijk vertrouwt Bolkestein erop dat niemand het rapport openslaat, want wat hij zegt is ronduit misleidend. Inderdaad slaagt bij Luchten Ruimtevaarttechniek van de ‘zeven-minners’ maar 11 procent voor de propaedeuse. Maar bij Bouwkunde is dat 79 procent vier op de vijf bouwkundestudenten die Bolkestein buiten wil houden zijn daar dus wel degelijk op hun plaats.

Van alle zeven-minners aan de TUDelft, zo tonen de cijfers, is 39,4 procent toch geslaagd voor de propaedeuse. Wie dit samenvat als ’11 tot 25 procent’ heeft niet het zo goed mogelijk weergeven van de werkelijkheid voor ogen gehad.

In de woorden van De Moor, auteur van het rapport: “Bolkestein neemt drie studierichtingen die zijn betoog onderbouwen, de rest laat hij zitten. Hij heeft zijn standpunt al en zoekt daar materiaal bij. Dat is een vrij veel voorkomende houding onder politici. Voor de waarheidszoeker is die minder acceptabel.”

In het rapport stelt De Moor desondanks dat, als selectie aan de poort moet plaatsvinden, het gemiddelde eindexamencijfer het meest efficiënte en het best voorspellende selectie-instrument is. Dus toch? De Moor: “Daar wilden we alleen mee zeggen dat die cijfers beter voorspellen dan IQ-testen en interviews.”

Zelfs als de drempel van de selectie wordt gelegd bij een gemiddelde van 6,0 (wiskunde en natuurkunde), zou bij een vak als civiele techniek ruim één derde de propaedeuse wèl op tijd hebben gehaald. De Moor: “Dat is in mijn ogen veel te veel om de selectie te rechtvaardigen. Tegenover die mensen, maar ook tegenover de samenleving. Techniek lijkt me nu net het terrein waarop we niet scherp moeten selecteren. De overheid laat juist weten dat er een tekort is aan studenten op dat gebied.”

Is het verband tussen eindexamencijfers en studiesucces bij de exacte vakken dus al niet sterk, bij andere vakken is het, voor zover bekend, nog zwakker. De Moor: “Sinds de jaren zestig presenteert het Centraal Bureau voor de Statistiek geen cijfers meer op dit gebied, maar ik herinner me van daarvoor dat gymnasiasten met een 6,5 of lager meer succes hadden in een rechtenstudie dan degenen met een hoger cijfer.”

De slechte correlatie tussen schoolcijfers en studiesucces komt volgens De Moor voort uit de kleine verschillen in het voortgezet onderwijs. “Bij ons is de selectie daar al scherp. In een land als de Verenigde Staten, met een veel gedifferentieerder scholierenbevolking, is een voorspelling op basis van examencijfers veel betrouwbaarder.”

In zijn rede stelde Bolkestein dat, wanneer scholieren weten dat hun cijfers de kans op een universitaire studie beïnvloeden, beter hun best doen. Daardoor zouden hun talenten meer naar boven komen, zodat het verband tussen cijfers en studiesucces sterker zou worden.

De Moor is daar minder zeker van. “Een eindexamencijfer is de resultante van ijver en leervermogen. Als scholieren allemaal ijverig worden, zegt het over die ijver niet veel meer. Het zegt dan dus vooral iets over het leervermogen. Maar is dat wel essentieel voor het succes tijdens een studie? Is ijver niet minstens even belangrijk? Dat is de vraag.”

Ook bij Mellenbergh zou Bolkestein voor zijn tentamen Methodenleer zijn zakt. “Als je de variatie van examencijfers vergroot, betekent dat niet automatisch dat de correlatie met de kans op studiesucces ook toeneemt hij zou zelfs kunnen afnemen. Mijn inschatting is dat hij niet veel zou veranderen – misschien een klein beetje omhoog. Zelfs in Amerika is hij niet veel hoger dan hier, en dat verschil is te verklaren door het ontbreken van voorselectie.”