Een nieuwe, nóg hogere wolkenkrabber, of een rustiek park waarin het gemis van de Twin Towers is te voelen: in New York is, nauwelijks enkele weken na afloop, de discussie reeds begonnen over de beste manier om 11 september 2001 te gedenken. Vooralsnog is eensgezindheid daarbij niet in zicht.

Amerikanen houden van monumenten — geen land dat zijn geschiedenis eert met 7zoveel inscripties in marmer. Het is dan ook niet voor het eerst dat het ontwerp van een passend memorial toekomstige gedenkers verdeelt.
Het nationale gedenkteken voor de Vietnam-oorlog, bijvoorbeeld, hield de gemoederen jarenlang bezig. Het ontwerp voorzag slechts in een wegzakkend stuk grasveld, de vrijvallende bodem bedekt door zwart marmer met daarin de bijna zestigduizend namen van gesneuvelde Amerikaanse soldaten. Boze veteranen zagen in het ontwerp al hun frustraties bevestigd: geen imposant monument maar een schaamtevol gat in de grond.
Maar deze moeilijkheden verbleken nog bij de nog altijd voortdurende strubbelingen rond het monument voor gevallenen in de Tweede Wereldoorlog. Hoewel het aantal oud-strijders dat zo’n monument nog kan bezoeken met de dag slinkt, ontbreekt het nog altijd op de National Mall in Washington. De reden: een zich al jaren voortslepende strijd over de precieze locatie en het ontwerp, dat volgens tegenstanders meer weg heeft van een fascistische triomfboog dan van een gedenkplaats voor gesneuvelden. Eerder dit jaar probeerden president Bush en het Congres via een noodwet nieuwe bezwaarprocedures af te kappen, maar terwijl de eerste spade al in de grond is gegaan zijn rechtszaken tegen die wet alweer in volle gang.
Aanzienlijk vlotter verliep de bouw van een gedenkteken voor de aanslag in Oklahoma City, in 1995. De stad liet de keuze over aan de honderden nabestaanden, die zich concentreerden op de verwerking van hun verlies. Vijf jaar na de aanslag werd het monument al geopend — een leeg plein op de plek van de kantoren, met 168 lege stoelen van glas, en in de kelder foto’s van slachtoffers. Verwijzingen naar het motief achter de aanslag ontbreken vrijwel totaal.
In New York lijkt de discussie zich te richten op twee uitersten. Sommigen pleiten voor nieuwe gebouwen, nog hoger en imposanter dan de vorige, om de wereld te tonen dat de geest van New York ongebroken is. Anderen pleiten voor een plein of een park, net als in Oklahoma een plek voor rust en bezinning.
`De skyline van New York heeft haar identiteit verloren gegaan,’ stellen bijvoorbeeld de architecten Elizabeth Diller en Ricardo Scofidio in de New York Times. `We moeten niet proberen om het te herstellen. Het is veel sterker om de leegte te behouden. Proberen de uitvlakking uit te vlakken zou tragisch zijn.’ Beeldhouwer Joel Shapiro valt hen bij: `Leegte is veel sterker dan een of ander dom monument. Wie kijkt naar een monument voelt niets. Leegte geeft je een gevoel van wat is gebeurd.’ Het monument zou kunnen bestaan uit twee vierkante gazons, één voor elke toren, met eromheen voor elk slachtoffer een boom.
Niet geheel onverwacht verzetten echter vooral architecten zich tegen een leegte — al was het maar omdat de grond in Lower Manhattan behoort tot de duurste ter wereld. `Amerika drukt traditioneel haar zelfvertrouwen uit in hoge gebouwen,’ meent Robert Stern, hoofd van de architectuur-opleiding van de universiteit van Yale, die pleit voor herbouw. `We moeten er niet voor terugschrikken ten minste even hoog te bouwen,’ meent architect Peter Eisenman. ‘We kunnen niet capituleren.’ Ook Terrence Riley, architectuur-curator van het Museum voor Moderne Kunst, ziet ná het rouwen een moment aanbreken voor vernieuwing. `Een nog groter, nog vernieuwender wolkenkrabber moet ervoor in de plaats komen.’
`Misschien,’ denkt architect Ralph Appelbaum, `moet het hele Amerikaanse volk erover stemmen.’ Als dat gebeurt, heeft beeldhouwer James Turrell voor alle kiezers bij voorbaat een troostende boodschap: `We moeten ons niet schuldig voelen als we besluiten te bouwen op de as van deze torens. Alle culturen zijn uiteindelijk gebouwd op de as van de culturen ervoor.’