Menu Close

Nederlandse student kost veel geld

NEDERLAND bevindt zich in de voorste linies van de Europese Gemeenschap waar het gaat om uitgaven ten bate van het hoger onderwijs. Wanneer die uitgaven worden afgezet tegen de totale overheidsuitgaven of tegen het bruto nationaal produkt, neemt ons land zelfs de eerste plaats in op de ranglijst van de twaalf EG-landen.

Deze vreugdevolle conclusie kan worden getrokken uit een onderzoek van het Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijsbeleid (CSHOB) van de Technische Universiteit Twente in Enschede. Het onderzoeksinstituut onderwierp de overheidsuitgaven voor universiteiten en hogescholen in alle twaalf EG-landen aan een diepgaand onderzoek, en zette de getallen voor 1987 op verzoek van de Europese Commissie op een rij.

Het resultaat van alle becijferingen is een globale driedeling van de Europese Gemeenschap, die bijna overeenkomt met de breedtegraad van de betrokken landen. Tegenover landen die ‘veel’ uitgeven aan hoger onderwijs (Denemarken en Nederland) staan de mediterrane EG-landen (Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië en Griekenland) die er veel minder voor over hebben. Daartussenin bevindt zich een grote groep middenmoters, met België, Duitsland, lerland en Groot-Brittannië.

De Twentse onderzoekers constateren overigens wel dat de verschillen tussen de twaalf onderzochte landen vóór 1987 nog veel groter zijn geweest. Hun berekeningen laten zien dat in de landen met de hoogste uitgaven tussen 1975 en 1987 de kosten per student zijn gedaald. Tegelijk begonnen de landen met de laagste uitgaven in diezelfde periode meer aan studenten in het hoger onderwijs te spenderen.

Bezuinigingen

Ministers van onderwijs in verschillende landen van de gemeenschap, niet in de laatste plaats onze eigen Jo Ritzen, wenden hun blik meer en meer naar het buitenland, op zoek naar internationale maatstaven waartegen het eigen beleid kan worden afgezet. Soms kan zon vergelijking bovendien goed van pas komen wanneer onpopulaire bezuinigingen moeten worden verdedigd.

Zo publiceerde de Nederlandse onderwijsminister in juli vorig jaar, enkele maanden voordat hij in zijn begroting ingrijpende versoberingen’ van het stelsel van studiefinanciering moest verdedigen, een vergelijking van studiebeurs-stelsels in de omringende landen, waarin Nederland weliswaar niet het hoogst scoorde, maar ook zeker niet het laagst.

Maar het probleem bij zulke internationale vergelijkingen is dat men al snel appels met peren vergelijkt – of, om met de Twentse onderzoekers te spreken, comparing apples to oranges’. Want wat valt er allemaal onder overheidsuitgaven’? En, ingewikkelder, wat is ‘hoger onderwijs’ precies? Hoe onderscheid je bovendien wat op universiteiten aan onderzoek wordt uitgegeven en wat aan onderwijs?

Om te voorkomen dat ieder land alleen die vergelijkingen maakt die goed in de eigen kraam te pas komen, mocht het CSHOB van de Europese Commissie een enigszins objectieve en controleerbare vergelijking maken. Om dat te bereiken sloot het instituut bij voorbeeld uitgaven voor academische ziekenhuizen en militaire opleidingen buiten de berekeningen. Uitgaven die ten goede komen aan studenten, zowel direct (via studiebeurzen) als indirect (via gesubsidieerde woonruimte en sportvelden bij voorbeeld) werden wel meegeteld.

Belastingvoordelen voor meebetalende ouders, in landen als Duitsland en Frankrijk een belangrijk deel van de studieondersteuning, vielen echter weer buiten de berekening. De resulaten van de vergelijking demonstreren dat er nog bijzonder grote verschillen bestaan tussen de twaalf EG-landen. Zo wordt per universitaire student in Nederland negen keer zo veel geld uitgegeven als in Spanje.

Daarbij moet wel rekening worden gehouden met het feit dat een zeer groot deel van het geld in Nederland in de vorm van studiefinanciering wordt uitgekeerd. Wanneer de studiefinanciering erbuiten wordt gelaten, valt ons land ver terug achter Denemarken, naar een plaats voor in de middenmoot.

De hoge Nederlandse uitgaven voor studiefinanciering – rond vier miljard gulden per jaar – zorgen er ook voor dat ons land samen met Denemarken voorop loopt wanneer de uitgaven worden afgezet tegen de totale overheidsuitgaven of het bruto nationaal produkt. Terwijl in ons land van elke honderd belastingguldens vier naar het hoger onderwijs gaan, zijn dat er in Frankrijk maar anderhalf.

Op één gebied scoorde Nederland, althans in 1986, nog erg slecht, namelijk waar het gaat om het aandeel vrouwen onder studenten aan de universiteit. Samen met Luxemburg bezette ons land in dat jaar een gedeelde laatste plaats, met 38 procent vrouwen. Frankrijk, Portugal en Spanje voerden toen de lijst aan met 53 en 52 procent.

Belangstelling

Minister Ritzen heeft voorzichtig gereageerd op de Twentse bevindingen. Volgens een woordvoerder heeft Ritzen ‘met zeer grote belangstelling’ van de cijfers kennisgenomen en zal het rapport ‘grondig bestudeerd’ worden. Ook wil Ritzen een vervolgonderzoek betalen, dat zichtbaar moet maken waar het overheidsgeld in al die landen naar toe gaat – naar gebouwen of naar personeel, bij voorbeeld. Pas als daarover meer bekend is, wordt duidelijk of met zulke vergelijkingen de duimschroeven bij de Nederlandse universiteiten en hogescholen verder kunnen worden aangedraaid, en de ‘kostprijs’ per afgeleverde student nog meer omlaag kan worden gebracht.

Want dat is in de tabellen van de Twentenaren nog niet te zien: sinds 1987 zijn de uitgaven per student in ons land, door elkaar opvolgende bezuinigingen, alleen maar verder gezakt.