Menu Close

Hbo-student werkt harder dan collega op universiteit

STUDENTEN DIE een opleiding volgen aan een hogere beroepsopleiding komen gemiddeld uit lagere inkomensgroepen dan studenten aan de universiteit. Dat geldt ook voor universitaire studenten die eerst een hbo-opleiding hebben gedaan. Studenten uit die lage inkomensgroepen werken echter wel harder dan hun collega’s uit de hogere inkomensgroepen.

Dat concluderen onderzoekers van de Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek (SCO) van de Universiteit van Amsterdam, in hun deze week verschenen rapport ‘Snelwegen en slingerpaden in en om het hoger onderwijs’.

Uit de cijfers blijkt dat de gemiddelde hbo’er veel meer ‘slingerpaden’ bewandelt dan de collega’s op de universiteit. Van alle studenten aan een hogeschool is een derde ooit begonnen op een lbo- of mavoschool. Op de universiteit heeft maar twaalf procent zo’n ‘omweg’ achter de rug.

Omdat steeds vaker wordt gesproken over het verhogen van de studiesnelheid en het vergroten van het ‘rendement’ – het aantal studenten dat binnen een bepaalde tijd afstudeert – keken de onderzoekers ook naar studenten die hun opleiding de rug toekeerden voordat het diploma binnen was. Op de universiteiten blijkt een derde van de studenten binnen drie jaar naar elders uitgeweken te zijn. Het grootste deel vertrekt overigens naar een andere opleiding in het hoger onderwijs.

Studenten die voortijdig afhaken hebben vaak geen vwo-opleiding en zijn vroeger vaker blijven zitten. Ze zijn al vanaf het begin minder gemotiveerd, laten zich sneller uit het veld slaan door slechte cijfers, en hebben geen hoge pet op van hun eigen zelfdiscipline.

De Amsterdamse onderzoekers keken ook naar het ‘studieadvies’, dat elke student officieel na één jaar hoort te krijgen. Dat advies zal in de toekomst flink aan gewicht winnen, omdat Ritzen een controversiële wet voorbereidt die de uitslag ervan ‘bindend’ verklaart: universiteiten en hogescholen krijgen de bevoegdheid om slecht presterende studenten na een jaar de bons te geven.

Veertig procent van de studenten zegt, ondanks de nu bestaande verplichting, nooit een studieadvies te hebben gekregen. Erg lijkt dat niet, want van degenen die het advies kregen te stoppen, sloeg aan de universiteiten 44 procent die raadgeving in de wind. Twee jaar later hebben die studenten weliswaar meer vertraging dan anderen, maar hebben ze meestal gewoon hun propaedeuse-examen binnen.

De conclusie van de onderzoekers is dan ook, dat een ‘bindend studieadvies’ niet ingevoerd kan worden voordat universiteiten en hogescholen in staat zijn een beter gefundeerd advies te verstrekken. En daarvoor is nodig dat studenten intensiever worden gevolgd en begeleid.

De onderzoekers ontdekten ook dat studenten veel tijd besteden aan activiteiten die niets met de studie te maken hebben. De ‘vertragingen’ die daaruit voortkomen, worden door hun zelf niet als zodanig ervaren: het is geen ‘ongeluk’. Studenten vinden niet dat ze alle tijd moeten benutten om zo snel mogelijk door het studieprogramma te hollen, of zo hoog mogelijke cijfers te halen. Maar uit deze resultaten concluderen dat tegenvallende ‘rendementen’ geheel voor rekening komen van luie studenten, zou onjuist zijn, vinden de onderzoekers.

Met instemming halen zij de mening van de studenten aan, die met de beschuldigende vinger de andere kant op wijzen: volgens hen zou het al flink helpen wanneer studenten weer gemakkelijker in contact kunnen komen met hun docenten. Bovendien, aldus de studenten, zou het geen kwaad kunnen de onderwijskundige kwaliteiten van de man of vrouw voor de collegezaal aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.