Menu Close

Inspraak studenten blijkt vaak wassen neus

Ze hadden studenten een stevige voet tussen de deur moeten geven, maar zijn beland in een wollige overlegcultuur — de Studierichtingscommissies zijn niet geworden wat er van was verwacht. Deze week bracht de Onderwijsinspectie rapport uit.

 ‘MEEPRATEN KAN, maar échte beslissingen worden er niet genomen.” Dat is, in de woorden van bestuurslid Rik Eckhart van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), in één zin samengevat de moeizame positie van studenten die lid zijn van een ‘Studierichtingscommissie’. Hoewel deze nog betrekkelijk jonge loot in de universitaire overlegjungle was bedoeld om studenten een beslissende stem te geven in een zaak die hen bij uitstek aangaat — de kwaliteit van hun onderwijs — is de praktijk anders.

Eckhart is druk doende met de voorbereiding van een LSVb-congres over de kwaliteit van het onderwijs. Daar zal ook aandacht worden geschonken aan de problematische positie van de Studierichtingscommissie (SRC). Uit gesprekken met studenten uit commissies in steden als Amsterdam, Utrecht en Rotterdam kwam veel getob naar voren: maar al te vaak worden frisse, onervaren studenten in de commissie omvergepraat door hun docenten, of weten ze niet eens wat hun commissie eigenlijk mag doen. En als studenten zich in de commissie al zelfbewust tonen, blijkt dat met hun aanbevelingen weinig tot niets gebeurt — andere commissies, raden of overlegstructuren hebben het voor het zeggen.

Een zelfde beeld komt naar voren uit het rapport Studierichtingscommissies in het Wetenschappelijk Onderwijs, deze week uitgebracht door de Onderwijsinspectie. Op verzoek van minister Ritzen van onderwijs onderzocht de inspectie wat de 119 faculteiten die ons land rijk is hebben ondernomen, sinds in 1986 een wet van kracht werd die de vorming van Studierichtingscommissies voorschreef.

De komst van de Studierichtingscommissie vormde in 1986 een belangrijke breuk met de bestaande besliscultuur op de universiteiten. De invloed van studenten in allerlei organen werd teruggedrongen — niet langer werd het nodig geacht dat studenten over elk wissewasje uitgebreid hun zegje deden.

Tegelijk werd echter de studenteninvloed vergroot daar waar die er werkelijk toe doet: in een commissie die het reilen en zeilen in college- en examenzalen in de gaten houdt. De samenstelling van het onderwijsprogramma, de opbouw en de aansluiting van de roosters, de behandeling van klachten over slechte docenten — dit alles kwam onder de hoede van een commissie die op grond van de wet voor ten minste de helft uit studenten moet bestaan.

In de praktijk is er van die centrale, machtige positie in het universitaire onderwijs vaak weinig terechtgekomen. Veel faculteiten hebben nauwelijks de moeite genomen om de vage, algemene formuleringen uit de wet nader de omschrijven voor hun eigen si- tuatie. Oude commissies, waarin hoogleraren en docenten de dienst uitmaken, bleven gewoon voortbestaan en stellen de studierichtingscommissie in de schaduw. Nieuwe commissies werden opgericht, die zo veel taken van de SRC’s overnamen dat de wettelijke commissie feitelijk is uitgehold. Vakgroepen vaardigen niet een hoogleraar, maar docenten van de tweede garnituur af om in de commissie mee te praten.

Het gevolg: studierichtingscommissies die maar weinig aanzien genieten. Weliswaar worden vele uren besteed aan evaluatie en bespreking van het onderwijs, maar uiteindelijk moet de commissie machteloos toezien hoe maatregelen uitblijven. In sommige gevallen weten de commissieleden niet eens dat er adviezen kunnen worden uitgebracht aan de almachtige faculteitsraad, in andere gevallen gaat de raad zonder argumenten aan alle adviezen voorbij.

Lijkt er over de aard van de problemen redelijk overeenstemming te bestaan, over de gewenste oplossing bestaat nog veel onduidelijkheid. Zo vindt de Onderwijsinspectie dat de commissies bevolkt moeten worden door meer hoogleraren, en dat ze geregeld moeten vergaderen in plaats van eens per jaar, zoals voorkomt. Voor de rest moet de wet eigenlijk worden versoepeld, meent de Inspectie — het is duidelijk dat faculteiten toch min of meer hun eigen gang gaan en vaak alleen via krampachtige constructies binnen de grenzen van de wet weten te blijven. Soms is dat nauwelijks te voorkomen — faculteiten die onderdak bieden aan tientallen kleine studierichtingen zouden onder de vergaderlast eenvoudigweg bezwijken.

In een brief aan de Tweede Kamer schrijft staatssecretaris Cohen echter geenszins van plan te zijn de wet op te rekken. Integendeel, schrijft Cohen: voor verbetering van de kwaliteit van het onderwijs is het noodzakelijk dat studenten een stevige vinger in de pap krijgen.

Wanneer dat in de praktijk onvoldoende uit de verf komt, is dat reden de wet nog verder aan te scherpen – temeer daar universiteiten in de toekomst meer vrijheid krijgen om hun eigen besluitvorming te regelen. Voorstellen daarvoor worden dit najaar door de Tweede Kamer behandeld.

Ook studenten twijfelen nog over de manier waarop ze hun greep op het overlegkluwen kunnen versterken. Meer hoogleraren in de commissies, geeft Eckhart toe, zou kunnen betekenen dat hun status, en dus hun invloed, toeneemt. “Maar aan de andere kant,” zegt hij, “kan het ook een nadeel zijn. Als al die hoogleraren in de commissie hun mond opentrekken, durven die studenten helemaal niks meer te zeggen.”