Menu Close

‘Lekken’ in de Wet Tweefasenstructuur 

Effectieve sluipwegen voor ondernemende studenten

Toen in 1982 de Tweefasenstructuur jn werking trad, overheerste bij nieuwe studenten pessimisme. De nieuwe wet zou voor de meesten van hen een onvolwaardjge opleiding betekenen, die in zes jaar voltooid moest zijn. Alleen als het Walhalla van de Tweede Fase bereikt kon worden Was er nog hoop op een baan. Bij nadere bestudering blijken echter onverwachte mogelijkheden voor het grijpen te liggen, die de minister geen geld kosten, maar de universiteiten des te meer. “Als alle studenten het doen, moeten we de wet wijzigen, maar je mag ze niet weigeren, al ga je failliet.”

De nieuwe structuur veranderde officieel een paar belangrijke zaken. Ten eerste werd de inschrijvingsduur beperkt: de student mocht voortaan, behoudens situaties van Overmacht, nog maar zes jaar ingeschreven staan als student. Op die manier zou de eeuwige student uit het maatschappelijk leven verdwijnen.

Ten tweede werd de nominale programmaduur voor alle studies verkort tot vier jaar. Dat was in de meeste gevallen één jaar minder dan voorheen, reden voor de meeste mensen om te stellen dat de nieuwe afgestudeerden minder ‘waard’ zouden zijn dan hun vroegere collega’s; in vier jaar kun je immers minder leren dan in vijf.

Tenslotte zou er na de eerste fase voor een beperkt aantal bofkonten plaats zijn in een tweede faseopleiding, de enige manier om het niveau van de studie nog op te krikken en ooit nog voor een baan in aanmerking te komen.

Ziedaar het beeld van de Tweefasenstructuur, zoals dat door minister Pais, en ook door actievoerders, van meet af aan werd gepresenteerd.

Maar de ervaringen met de wet van de afgelopen jaren laten steeds duidelijker scheuren in dit beeld zien. Voor de ondernemende student blijken effectieve sluipwegen onvermoede mogelijkheden te bieden om de Tweefasen-studie weer nieuw élan te geven. En volgens dr. A.P. Kroon, als hoofd Onderwijs en Studiezaken van de subfaculteit Biologie betrokken bij de studieplanning van zo’n 700 studenten, staan de faculteiten voor de keus: moet dit worden gestimuleerd, of worden. afgeremd: “Het moet niet zo zijn dat alleen een paar slimme studenten hier op eigen houtje gebruik van maken. Als je in die situatie de anderen er niet op wijst, doe je je werk niet goed.”

Eeuwig student

Het eerste ’lek’ in de wet wordt volgens Kroon gevormd door de mogelijkheid je in plaats van als ‘student’ in te schrijven als ’toehoorder nieuwe stijl’, oorspronkelijk bedoeld om probleemgevallen, door de beperking van de inschrijvingsduur ontstaan, op te lossen: ”De toehoorder heeft recht op alles waar de student ook recht op heeft, zoals colleges en practica, en ook op universitaire examens. Hij of zij heeft alleen géén recht op secundaire leningen als studiefinanciering, studentenvoorzieningen en actief of passief universitair stemrecht.” Maar het belangrijkste verschil met de inschrijving als ’student’ is dat er geen beperkingen zijn aan de inschrijvingsduur. De Voorlichtingsgids voor studenten aan de RUG meldt nog: “Vóór de invoering van de nieuwe wet had je, als student, de mogelijkheid je studie eindeloos te rekken (als je daartoe de financiële middelen had). Hier is een einde aan gekomen.” Maar, zo blijkt, hier is dus géén einde aan gekomen.

Het college- en inschrijvingsgeld voor de toehoorder nieuwe stijl is net zo hoog als dat voor gewone studenten. Onder het huidige studiefinancieringsstelsel was, en is het nog, voor circa de helft van alle studenten mogelijk zonder extra kosten deze weg te volgen.

Maar bij het ingaan van het nieuwe studiefinancieringsstelsel, waarschijnlijk oktober a.s., gaat deze grap niet meer zo’n zesduizend, maar door de afschaffing van de kinderbijslag circa twaalfduizend gulden per jaar kosten, zodat alleen de meest welvarende studenten deze mogelijkheid, om eeuwig student te worden, in de toekomst nog kunnen benutten.

Maar ook mensen die een ’parkeerstudie’ willen volgen om te wachten op inloting voor bijvoorbeeld een studie medicijnen, kunnen er baat bij hebben. Zij kunnen op deze manier hun inschrijvingstijd vasthouden voor de lotingsstudie. Want faculteiten kunnen dit soort studenten alleen tegenhouden als er sprake is van een capaciteitsprobleem voor de opleiding als geheel, dat wil zeggen als er voor de betreffende studie loting plaatsvindt dan wel een actieve plaatsingscommissie aanwezig is.

Uitbouwen

Het tweede ’lek’ in de tweefasenwet is wellicht nog veel belangrijker. Het geldt tenminste voor alle studenten, en niet alleen voor de rijkste groep. Centraal hierbij staat het studieprogramma dat men volgt teneinde af te studeren. Kroon: ’In een vierjarig programma moet een student bioloog, chemicus, of neerlandicus worden. De faculteit krijgt ook geld voor die vierjarige opleiding, met wat statistische correcties voor uitloop en studievertragingen, dus wij proberen ze daar aan te houden. Maar studenten willen een zo goed mogelijke opleiding volgen, als het kan zelfs iets beter dan de anderen, om hun kansen te vergroten: zij proberen dus meer programma te volgen. En nu blijkt dat niemand ze kan tegenhouden als ze bijvoorbeeld de volle zes jaar inschrijvingstijd willen vullen met studieprogramma-onderdelen, om zich beter te profileren. In feite blijken ze dus ’recht’ te hebben op zes jaar programma in plaats van vier.”

Ook bij de DOOP, de Dienst Onderwijs, Onderzoek en Planning van de RUG, voorziet men geen problemen voor mensen die op deze manier hun doctoraalbul nog wat willen uitbouwen; “Binnen de inschrijvingstijd kun je van alles gaan doen, zelfs een andere studie.” Bovendien kunnen deze mensen, zolang ze hun inschrijvingstijd van zes jaar niet hebben verbruikt, een eventuele beurs gewoon houden.

Als je ze goed zou voorlichten zou je ze moeten vertellen: ’Vier jaar is wat krap aan, en de arbeidskansen dalen, dus snel afstuderen, en doorgaan met doctoraalprogrammaonderdelen om je kwaliteit te verbeteren.”, aldus Kroon. “De nieuwe doctorandus kan met één jaar extra doctoraal een hoger niveau bereiken dan de oude, die al zelfstandig onderzoeker was. Ik zie langzamerhand dat de AIO’s straks een probleem worden, want die hebben ze op deze manier niet nodig. Ze kunnen beter even doorstuderen, en elders beginnen zonder vast te zitten aan een vierjarig contract. Want promovendi, dat weten we allemaal, liggen niet beter in de markt.’”

Failliet

Voor de faculteiten kunnen deze trucs problemen op gaan leveren, vooral als ze op grotere schaal toegepast zouden gaan worden.

Het geld voor het onderwijs wordt toegewezen Op basis van tellingen, in het eerste jaar van elke studie, van het aantal mensen dat staat ingeschreven als ’student’. De toehoorder nieuwe stijl telt dus niet mee. De hoogte van het toegewezen bedrag wordt verder bepaald door prognoses die er van uitgaan dat studenten een programma van vier jaar volgen. Als alle snelle studenten, in plaats van met de studie te stoppen, hun zes jaar inschrijvingstijd zouden gaan vullen betekent dit dat de gemiddelde studieduur oploopt tot zo’n zes jaar. Terwijl deze studie-strategie in de toekomst dus kan gaan zorgen voor overvolle cursussen, levert het door de in gebruik zijnde modellen geen extra geld op.

Kroon: “Ik sprak met iemand op het ministerie, die betrokken was geweest bij het opstellen van de wet. Die zei: ’Als iedereen extra werk wil doen móet je ze toelaten. Als ze het allemaal doen moeten we de wet wijzigen. Maar je kan en mag niet weigeren, ook al ga je failliet’.”

Het geheel overziend zou je bijna ontzag krijgen voor de manier waarop het ministerie langs een omweg haar doel heeft bereikt: bezuiniging. Kroon: “Wat is er feitelijk gebeurd? De inschrijvingsduur voor mensen met een beurs is beperkt, en het doctoraalprogramma is officieel ingekort maar kan gemakkelijk worden uitgebreid. De faculteiten leiden dus evenveel mensen evenlang op, voor minder geld. Bovendien wordt een deel van het dure wetenschappelijk personeel vervangen door spotgoedkope wetenschappelijk assistenten, in de vorm van Assistenten in Opleiding. Want het zou me niets verbazen als ze de tweede fase gebruikt hebben als breekijzer om iets als de AIO in het leven te roepen, als goedkope wetenschappelijk assistent. Het is op zich een geniale vondst geweest om die ‘O’ van Opleiding erachter te zetten, als legitimatie voor een veel lager loon; want soms denk ik wel eens dat het allermaal opzet is geweest.”