Menu Close

Hollands Glorie

Nederlandse wetenschappers op Europese sleutelposities

In allerlei Europese onderzoeksorganisaties bezetten Nederlanders strategische plekken. Van een Hollandse samenzwering is geen sprake, verzekeren zij. Maar het geeft ons land komend jaar wel de kans de oprichting van een European Research Council te bespoedigen.

Een beetje trots mag Nederland wel op zijn benoeming zijn, vindt Jos Engelen, nu nog directeur van het Nederlands Instituut voor Kern- en Hoge-Energiefysica (NIKHEF). Op 1 januari wordt hij wetenschappelijk directeur van de Europese Organisatie voor Nucleair Onderzoek (CERN) in Genève – ‘een droombaan’ – waar hij verantwoordelijk wordt voor het onderzoek in ’s werelds modernste deeltjesversneller, de Large Hadron Collider. Onderzoek dat, naar zijn overtuiging, ons theoretische wereldbeeld zal vergroten. ‘Het is een beetje als wanneer het Nederlands elftal een wedstrijd wint’, stelt Engelen. ‘Het is leuk als een landgenoot internationaal opvalt.’

Of er echt sprake is van een toename valt moeilijk te achterhalen; er zijn heel weinig mensen die hun lijstje invloedrijke Nederlandse wetenschappers netjes op orde houden. Maar het lijkt duidelijk dat Nederlanders dezer dagen hoge ogen gooien als er internationale wetenschappelijke posten worden verdeeld. Reinder van Duinen, voormalig voorzitter van NWO, is alweer enige jaren president van de European Science Foundation (ESF). Pieter Drenth, voormalig voorzitter van de KNAW, werd dit jaar voor de tweede keer gekozen tot president van de European Federation of National Academies of Science and Humanities (ALLEA). En Jan Dekker, bestuursvoorzitter van TNO, is al enige tijd president van de European Association of Research and Technology Organisations (EARTO). Het afgelopen jaar bracht, naast die van Jos Engelen, meer Nederlandse benoemingen: milieumodellenbouwer Leen Hordijk, bijvoorbeeld, verhuisde van Wageningen naar het International Institute for Applied Systems Analysis (IIASA) bij Wenen. John Marks, nu nog aanvoerder van het NWO-gebied Aard- en Levenswetenschappen, wordt vanaf januari directeur Wetenschap en Strategie bij ESF.

Weinig lobby

‘Al deze benoemingen’, zegt Hordijk, ‘moeten niet te snel worden gezien als een teken dat de Nederlandse wetenschap in brede zin een grotere partij meeblaast.’ Internationale functionarissen worden geworven op grond van hun persoonlijke ervaring en netwerk, weet de milieudeskundige, niet op hun nationale afkomst. ‘Men was hier op het instituut een beetje verrast’, herinnert Hordijk zich, ‘dat de eerste niet-Amerikaanse directeur uitgerekend een Nederlander was, en niet afkomstig uit een groot land als Duitsland of Japan.’

De meeste benoemingen zijn niet het gevolg van centraal georkestreerde lobby’s, is de indruk van enkele gelukkigen. ‘Ik heb zelf in het buitenland wel eens namen van Nederlanders laten vallen’, zegt Marks, ‘maar alleen als ik het gevoel had dat het ook echt een goede kandidaat was. Puur vanwege iemands Nederlanderschap lobbyen heb ik nooit gedaan.’

‘Als er gelobbyd wordt, dan is dat vooral door de kandidaten zelf’, meent ESF-president Reinder Van Duinen. ‘Er is een groot verschil met het politieke circuit. In wetenschappelijke kring kan een nationale lobbycampagne gemakkelijk tegen zichzelf keren: men wordt argwanend als er vanuit een land druk lijkt te worden uitgeoefend.’

Profijt

Profiteert Nederland van de aanwezigheid van landgenoten op internationale posities? Daarover verschillen de meningen. ‘Wetenschappelijke contacten vinden toch vooral plaats op het niveau van onderzoekers’, denkt Hordijk. ‘Daar heeft men mij als directeur niet echt voor nodig.’ Maar vooral telefoontjes van oude bekenden maken soms duidelijk dat het toch wel gunstig is, een Nederlander op een invloedrijke buitenpost. Hordijk werd de laatste maanden gebeld vanuit TNO, de Universiteit Maastricht en het RIVM. Het laatste geval betrof een bevriende onderdirecteur, die na een rondleiding samen met Hordijks instituut een groot onderzoeksproject bij de EU indiende. ‘Dat was inderdaad niet gebeurd als hier een Amerikaanse directeur had gezeten’, vermoedt Hordijk. Ook Engelen verwacht bij CERN geregeld Nederlanders aan de lijn te krijgen, waar hij geen bezwaar tegen heeft. ‘Natuurlijk mogen Spanjaarden mij ook bellen, maar ik verwacht dat de drempel voor landgenoten lager zal zijn.’ Wat hem betreft mogen ook niet-kernfysici gerust opbellen. ‘Als het bijvoorbeeld gaat over een nieuw Europees computernetwerk waar CERN nauw bij betrokken is, zou men mij best om hulp kunnen vragen.’

John Marks ziet ook op het gebied van de fondsenverwerving voordelen van landgenoten op centrale posities. ‘Nederlandse onderzoekers, zoals Nobelprijswinnaar Paul Crutzen, spelen een cruciale rol in internationale programma’s op het gebied van klimaatonderzoek, ook als leden van programmacommissies. Dat geeft ze niet alleen invloed op de richting van die programma’s, maar ook de mogelijkheid om in Nederland zelf de prioriteitsdiscussies tijdig bij te sturen.’ De indruk mag echter niet ontstaan dat Nederlanders makelaars zijn in nationale belangen, aldus Marks. Integendeel: ‘We hebben de naam bruggenbouwers te zijn, over de eigen belangen heen te kunnen kijken en ons in te zetten voor het “grotere” belang.’

European Research Council

Hoog op de agenda van veel Nederlanders, en zeker van Reinder van Duinen, staat de oprichting van een European Research Council (ERC), een soort Europese NWO, die een deel van het budget voor wetenschap moet gaan verdelen op grond van louter kwalitatieve argumenten. De manier waarop het nu gaat, met reusachtige Framework-programma’s waarmee de Europese Commissie geld over de lidstaten verdeelt, leidt bij veel onderzoekers tot grijze haren. ‘Een geweldige bureaucratie die ervoor moet zorgen dat ieder land gelijk wordt behandeld, zodat naderhand niemand kan zeuren’, oordeelt Engelen over het systeem. Hordijk, die zegt voor fondsen steeds meer naar Azië te kijken, noemt de Europese situatie ‘uitermate bedroevend’. ‘De consequentie van financiering op kwaliteit zou zijn dat Nederlands onderzoeksgeld zou kunnen verdwijnen naar Zweden’, erkent hij. ‘Dat geeft niet: het is dan juist een uitdaging het weer voor ons land terug te winnen.’

Van Duinen op zijn beurt maakt er geen geheim van dat zijn prominente positie bij de European Science Foundation wordt gebruikt om Nederlandse opvattingen over de ERC op ‘natuurlijke wijze’ in de discussie te brengen. Elk halfjaar, vertelt Van Duinen, neemt hij met twee Nederlandse ‘praatpalen’ (oude bekenden van respectievelijk NWO en KNAW) de standpunten door. Kort gezegd luiden die: nationaal blijven financieren wat nationaal kan, maar op drie punten Europees geld bundelen: (1) onderzoek dat alleen gecentraliseerd zin heeft, zoals ruimtevaartonderzoek of onderzoek naar Europese migratie; (2) gezamenlijke infrastructuur, zoals nieuwe computernetwerken; en (3) extra Europese onderzoekfondsen, die als een soort ‘eredivisie’ de afzonderlijke nationale competities scherp kunnen houden.

Mede om de indruk te bestrijden dat hij als ESF-voorzitter alleen naar Nederlandse organisaties luistert, bezoekt Van Duinen voorafgaand aan vergaderingen met opzet lid-organisaties in drie of vier andere landen. ‘Deze baan heeft ook een diplomatieke dimensie’, zegt Van Duinen.

Ook het Nederlandse ministerie van OCenW heeft ontdekt dat op dit moment opmerkelijk veel Nederlandse sterren aan het Europese researchfirmament flonkeren. Ter voorbereiding op het EU-voorzitterschap volgend jaar, zo vertelt Van Duinen, heeft de vorige Nederlandse onderwijsminister een overlegclubje in het leven geroepen waarin, naast NWO-voorzitter Peter Nijkamp en Van Duinen zelf, ook Drenth (president van ALLEA) en Dekker (president van EARTO) zitting hebben. En het selecte gezelschap heeft inmiddels ambitieuze plannen geformuleerd: onder leiding van Nederland moet Europa, eind volgend jaar, het principebesluit nemen dat er een European Research Council wordt opgericht. Na jaren van praten in wetenschappelijke kringen zullen politici de verandering definitief in gang moeten zetten.

Een ongekend aantal Nederlanders op internationale posities stelt ons land in staat een relatief zwaar stempel op deze discussie te drukken. Een positie die past bij ons land, vindt Van Duinen. ‘Nederlanders zijn van nature pro-Europees. Dat heeft te maken met de schaal van het land. Als onderzoekers zijn we bijna allemaal gedwongen in een internationale context te opereren. De wereld is nu eenmaal ons natuurlijke jachtterrein.’


REINDER J. VAN DUINEN
Wordt in 1940 geboren in Groningen, waar hij later de studie natuurkunde volgt met aansluitend een promotie in 1969. Werkt twee jaar als onderzoeker bij de afdeling Ruimteonderzoek van de Universiteit Groningen en wordt er in 1971 tot hoofd benoemd. Maakt in 1982 de overstap naar het bedrijfsleven. Bij de Koninklijke Nederlandse Vliegtuigenfabriek Fokker klimt hij uiteindelijk door tot vice-voorzitter van de Raad van Bestuur.

Van 1995 tot 2002 is van Duinen voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Sinds 2000 zit hij ook de European Science Foundation (ESF) voor, een in Straatsburg gevestigde koepel van 76 onderzoeksorganisaties uit 29 landen.

LEEN HORDIJK
Wordt in 1946 geboren in Rotterdam. Studeert in 1973 af in de econometrie aan de Erasmus Universiteit en treedt in dienst bij de vakgroep Theoretische Ruimtelijke Wetenschappen. Stapt over naar het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) van de Vrije Universiteit, maar trekt in 1984 door naar het International Institute for Applied Systems Analysis (IIASA) in Oostenrijk, waar hij het Acid Rain project leidt. Bijna vier jaar later verhuist hij naar het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Na zijn promotie in 1991 reist hij door naar de Landbouw Universiteit Wageningen, die hem naast de leerstoel Milieusysteemanalyse de directie van het Wageningen Instituut voor Milieu- en Klimaatonderzoek (WIMEK) aanbiedt. In 2002 benoemt het IIASA Hordijk tot directeur.

JOS J. ENGELEN
Wordt in 1950 geboren in het Limburgse Maasniel. Koud 22 rondt hij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) zijn studie experimentele natuurkunde af, om er zes jaar later ook te promoveren. Vertrekt dan naar de Europese Organisatie voor Kernonderzoek (CERN) in Genève. Keert in 1985 terug voor een plek bij het Nederlands Instituut voor Kern- en Hoge-Energiefysica (NIKHEF) in Amsterdam, waar hij in 2001 directeur wordt. In 1987 benoemt de Universiteit van Amsterdam (UvA) hem daarnaast tot hoogleraar Experimentele hoge-energiefysica. In 2004 gaat Engelen weer naar CERN, waar hij vijf jaar lang de positie van Chief Scientific Officer en plaatsvervangend directeur-generaal zal bekleden.

JOHN MARKS
Wordt in 1946 geboren in Leiden. Studeert in 1972 af als natuurkundige aan de universiteit aldaar, en zal er ook promoveren. In 1980 verkiest hij echter beleidswerk boven wetenschappelijk onderzoek. Na een lange periode bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCenW) stapt hij in 1998 over naar de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), waar hij het gebied Aard- en Levenswetenschappen leidt. Op 1 januari 2004 verhuist Marks naar Straatsburg, waar hij bij de European Science Foundation (ESF) de nieuwe positie van directeur Wetenschap en Strategie zal innemen.