Menu Close

VS dagen irrationele consument voor tribunaal

Amerika stapt naar de rechter omdat Europeanen, ondanks bewijzen van het tegendeel, geloven dat genetisch gemodificeerde maïskorrels slecht voor hun gezondheid zijn.

HET waren bizarre scènes, een paar maanden geleden voor de kust van zuidelijk Afrika.
In landen als Zimbabwe, Zambia, Mozambique en Malawi heerste door lange droogte een hevige hongersnood. Miljoenen dreigden van honger te sterven. Maar ondertussen wachtten in Afrikaanse havens Amerikaanse graanschepen vruchteloos om te worden gelost. Duizenden tonnen maïskorrels werden niet tot de pakhuizen van de Verenigde Naties toegelaten, omdat een deel ervan afkomstig was van genetisch gemodificeerd graan.

Door de ogen van de gemiddelde Amerikaan, die al vele jaren genetisch gemodificeerde maïskorrels eet zonder er ook maar een extra boertje door te laten, was het een verbluffend tafereel; voor de Amerikaanse overheid was het de druppel die de emmer deed overlopen.

Vijf jaar zijn verstreken sinds de Europese Unie een ‘moratorium’ uitriep over de toelating van genetisch gemodificeerde gewassen of producten die er van worden gemaakt. Sinds vorige herfst is dat moratorium officieel afgelopen, maar nieuwe regels zijn in de maak die de import van Amerikaanse landbouwproducten zullen bemoeilijken of zelfs praktisch onmogelijk maken. Amerikaanse boeren zullen jaarlijks honderden miljoenen dollars aan omzet blijven mislopen. De gebeurtenissen in Afrika onderstrepen dat de ‘Europese ziekte’ zich uitbreidt.

Twee weken geleden trok de Amerikaanse regering een dikke streep in het zand. Vijf jaar nadat Europa de deuren dicht deed, wordt de Wereld-Handelsorganisatie (WTO) gevraagd een oordeel te vellen. Mag Europa de toepassing van genetische technieken in de landbouw blijven hinderen, ook al zeggen haar eigen deskundigen dat daarvoor wetenschappelijk eigenlijk geen enkele reden bestaat?

Voor Amerikaanse boeren dateert het begin van de kloof tussen Europa en de Verenigde Staten van lang voordat George W. Bush het Witte Huis betrok.

Voor die boeren was het ooit zo klaar als een klontje. De opmars van de moderne genetica maakte vooruitgang mogelijk waarover ze tot dan toe alleen maar konden dromen. Met het veredelen van plantenrassen was weliswaar veel bereikt, maar de methode had ook zijn grenzen: vaak was het ene ras goed bestand tegen schimmel. maar erg gevoelig voor insectenvraat; bij een ander ras lag de afweging net andersom. Het telen van een ras dat al het goede in zich wist te verenigen, leek een onmogelijke opgaaf.

Totdat wetenschappers eind jaren tachtig ontdekten hoe ze een paar genen konden isoleren en inbouwen in de plant van hun keuze. Opeens konden populaire gewassen nóg beter worden door er selectief gunstige eigenschappen aan toe te voegen.

Ook overheden, niet alleen die in Amerika maar ook in Europa, waren enthousiast. Wel werden, het ging tenslotte om een nieuwe techniek, procedures opgezet om te garanderen dat de nieuwe gewassen veilig waren voor mens en milieu.

Dankzij die procedures werden de nieuwe gewassen in menig opzicht zelfs veiliger dan rassen die via ‘ouderwetse’ kruising waren ontstaan. Mochten die ‘oude’ rassen vaak zomaar op de markt worden gebracht zonder dat iemand ze goed had bekeken, genetisch gemodificeerde gewassen werden uitgebreid doorgelicht en geanalyseerd. Ze werden 60 dagen, later zelfs 90 dagen in hoge doses aan ratten of muizen gevoerd, om onvermoede giftige bestanddelen naar boven te halen. Gedetailleerde voorschriften over de wijze van verbouwen moesten voorkomen dat de nieuwe eigenschappen zich op grote schaal in het wild konden verspreiden.

De eerste genetisch gemodificeerde gewassen die officieel werden goedgekeurd, gaven vooral voordelen aan de boer. Een gen dat de sojaplant bestand maakt tegen een verdelgingsmiddel, maakte het bijvoorbeeld goedkoper het onkruid eromheen te bestrijden. Een gen dat de plant giftig maakte voor insecten, maar niet voor mensen, scheelde spuiten met insecticiden.

Het resultaat leverde de boer een goedkoper eindproduct, en dus een betere concurrentiepositie op een moordende wereldmarkt. Maar in de toekomst konden de mogelijkheden verder gaan: in laboratoria en op proefvelden wordt gewerkt aan gewassen die meer voedingswaarde hebben, beter bestand zijn tegen droogte, verzilte bodems of andere factoren die hun teelt beperken.

Hoe dan ook: Amerikaanse boeren mikten op de vooruitgang, en bezaaien sinds 1995 steeds meer akkers met vernieuwde gewassen. Dit jaar zal 80 procent van de Amerikaanse sojaoogst en 38 procent van de maïsoogst genetisch zijn gemodificeerd.

De Atlantische breuklijn ontstond ergens halverwege de jaren negentig, toen in bestuurskamers van Europese milieuorganisaties genetisch gemodificeerde gewassen de oorlog werd verklaard. Anders dan de wetenschappelijke commissies die de milieurisico’s van de nieuwe gewassen hanteerbaar achtten, vreesden de activisten dat de ingebrachte genen kunnen ontsnappen en milieurampen veroorzaken.

Het is niet het enige bezwaar dat ze tegen ‘genetisch gemodificeerde landbouw’ inbrengen. Ze zijn ook bang dat octrooien op zaden boeren in de handen kunnen drijven van internationale bedrijven, dat kleinschalige en organische landbouw ten onder zal gaan en het gebruik van verdelgers alleen maar toeneemt als gewassen bestand worden gemaakt tegen onkruidbestrijdingsmiddelen. Bovendien, zo stellen zij, is het mengen van genen van verschillende soorten ‘onnatuurlijk’.

Op consumenten leken al die bezwaren betrekkelijk weinig indruk te maken. Maar dat veranderde toen campagnestrategen van organisaties als Greenpeace eind jaren negentig naar een nieuw wapen grepen: angst. Het woord ‘Frankenstein-voedsel’ werd uitgevonden en een gestaag bombardement van suggestieve campagnes zaaide onder consumenten langzaam maar zeker twijfel aan de veiligheid van genetisch gemodificeerde gewassen. (Dat terwijl, even afgezien van dierproeven, honderden miljoenen mensen al jaren zonder problemen dagelijks Frankenstein-maïs en Frankenstein-soja nuttigen.)

Hoe veel invloed de campagnes hadden, bewees afgelopen maart een enquête van het Rotterdamse Erasmus Food Management Instituut. Bijna de helft van de ondervraagde consumenten meende dat genetisch gemodificeerd voedsel minder veilig is om te eten dan niet-genetisch gemodificeerd voedsel; een derde wist het niet zeker. Slechts één op de vijf consumenten wist dat twijfels over de veiligheid geen enkele wetenschappelijke basis hebben.

Het sluitstuk van de strategie was een veredelde vorm van chantage: actievoerders drongen er bij voedingsbedrijven op aan ‘te garanderen dat al hun producten zijn geproduceerd zonder gebruik te maken van genetische manipulatie.’ Deden zij dat niet, dan belandden zij op een ‘rode lijst’. (Op dit moment, meldt de website van Greenpeace, zijn 100 bedrijven “om” — de aanhalingstekens zijn van de milieuorganisatie.)

Terwijl Amerika verbouwereerd toekeek, deed Europa vanaf 1998 stap voor stap het licht uit voor genetisch gemodificeerde gewassen. De toelatingsprocedure voor nieuwe gewassen werd stilgezet tot nieuwe, nóg strengere goedkeuringsprocedures in werking zouden treden — een moment dat oktober vorig jaar aanbrak.

Inmiddels werken Europese Commissie en Europees Parlement echter alweer aan een nieuwe barrière: een richtlijn die zegt dat consumenten de keus moeten hebben om genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) of afgeleide producten volledig te mijden, ook al hebben ze aan alle veiligheidseisen voor mens en milieu voldaan. Tussen 100 GGO-vrije maïskorrels producten mag er niet één zitten die per ongeluk toch genetisch is gemodificeerd.

Vriend en vijand erkennen dat deze extreme eisen maar op één manier kunnen worden ingewilligd: door akkers, vrachtwagens, scheepsruimen, pakhuizen en productielijnen volledig te scheiden, en dus voor beide productiewijzen een apart aanvoerkanaal te creëren. In de praktijk betekent het dat genetisch gemodificeerde producten uit de (super)markt zullen worden geprijsd, al was het maar omdat het voor voedselverwerkende bedrijven te duur wordt om hun fabrieken in tweevoud uit te voeren.

Zie daar de gapende transatlantische kloof: waar Amerikanen, nog volop gelovend in technische vooruitgang, zich zonder noemenswaardige aarzeling aan genetisch gemodificeerd voedsel hebben gezet, lijken Europeanen alle vertrouwen in hun biotechnologische wetenschappers te hebben verloren. Ondanks alle denkbare veiligheidsstempels zijn de oogsten van Amerikaanse boeren voor Europeanen onverteerbaar geworden. Vorig jaar kocht Europa 26 duizend ton maïs uit de Verenigde Staten — minder dan één procent van wat in 1995 nog werd ingevoerd. En de taferelen in Afrikaanse havens geven aan dat het daar niet bij zal blijven: uit angst om hun exportmogelijkheden naar Europa te verliezen, sluiten steeds meer ontwikkelingslanden hun grenzen voor genetisch gemodificeerde gewassen.

Geen wonder dus dat Amerika, ‘s wereld grootste voedselexporteur, samen met Canada, Argentinië en Egypte besloten Europa voor de Wereld-Handelsorganisatie aan te klagen. De claim, kort samengevat: vage angsten onder Europese consumenten, zonder basis in wetenschappelijk onderzoek, mogen op grond van handelsverdragen niet langer worden gebruikt om de invoer van voedsel te hinderen.

Anderhalf jaar zal het ongeveer kosten, plus vermoedelijk een flinke eruptie van milieu- en anti-WTO-activisme, voordat de arbitragecommissie in Genève met een uitspraak komt. En hoewel het altijd riskant is om de uitkomst in zo’n ingewikkelde zaak te voorspellen, lijkt de kans groot dat Europa het pleit zal verliezen.

Hoeveel Europese consumenten direct van zo’n verlies zullen merken is nog de vraag. Europese schappen zullen waarschijnlijk grotendeels vrij blijven van genetisch gemodificeerde gewassen en afgeleide producten, ook al zijn ze door de wetenschap veilig verklaard. Want politici zullen er vermoedelijk voor terugschrikken hun bouwsel van splinternieuwe regels weer overhoop te halen uit angst voor nieuwe acties en reclamecampagnes. De strijd zal zich verplaatsen naar de voor gewone Europeanen onzichtbare slagvelden van handelsembargo’s en importtarieven. De Verenigde Staten zullen Europa mogen treffen met honderden miljoenen dollars aan strafheffingen per jaar.

Consumenten zullen in de winkel alleen wat meer blijven betalen voor producten van ouderwets gekruiste gewassen. De echte rekening zal worden betaald door exporteurs van Franse wijnen, Aalsmeerse bloemen en Edammer kaas.

Related Posts