Menu Close

Onrijpe markt voor rijpe tomaat

Terwijl in de VS de eerste genetisch gemanipuleerde tomaten in de winkel liggen, worstelt Europa nog met haar toelatingseisen. De eerste stap is echter gezet: in Wageningen hadden ratten van drie maanden ‘nieuwe’ tomaten eten geen last. De moeilijke keus tussen de kiwi en de transgene tomaat.

HIJ STEEKT er zijn hand voor in het vuur – de genetisch gemanipuleerde tomaat die in de afgelopen maanden door zijn instituut op veiligheid is getest, durft hij met een gerust hart op te eten. “Natuurlijk geef ik geen garantie van honderd procent – dat kun je voor geen enkel gewas geven,” zegt dr H. Noteborn, toxicoloog bij het Wageningse Rijks-Kwaliteitsinstituut voor land- en tuinbouwprodukten van DLO. “Maar technisch gesproken is er geen bezwaar om deze tomaten te eten.”

De Wageningse proef was het sluitstuk van een Europees project om producenten van ‘transgene voeding’ en regelgevers houvast te geven op de lange weg naar de consument. Want terwijl in de Verenigde Staten de eerste transgene tomaten deze maand al in de groentestal verschenen, is Europa nog druk doende de regels enigszins op orde te krijgen.

Vandaag en gisteren congresseerden onderzoekers uit de hele wereld in Wageningen over moleculaire kanten van de tomaat – vaak met als uiteindelijke doel die tomaat te verbeteren. Bij dat verbeteren kan het gaan om tomaten die langer houdbaar zijn of minder bestrijdingsmiddelen nodig hebben, maar ook om tomaten die gewoon lekkerder smaken of er mooier uitzien.

De grote interesse voor de tomaat is verklaarbaar. De tomatenteelt is van groot economisch belang – jaarlijks werkt de mensheid een slordige zevenhonderd miljard tomaten naar binnen, gemiddeld meer dan honderd per persoon. Daarbij komt dat de tomaat behoort tot een belangrijke familie van cultuurgewassen, de nachtschade-achtigen (Solanacea). Andere leden van die familie zijn aardappel, tabak, paprika en aubergine. De tomaat heeft bovendien weinig chromosomen, die voor het overgrote deel uit nuttig DNA bestaan. Voor onderzoekers is de tomaat daarom een bijna ideaal pionier-gewas.

Consument

Maar terwijl aan allerlei eigenschappen van de plant wordt gesleuteld, lijkt het grootste probleem voorlopig nog de consument. Want hoewel die in enquêtes in meerderheid zegt weinig moeite te hebben met genetische gemanipuleerde gewassen, blijft het de vraag wat er gebeurt wanneer het op kopen aankomt. Bedrijven die miljoenen guldens in de ontwikkeling van gewassen hebben gestopt, zijn er niet gerust op – zeker niet zolang DNA-onderzoek bij actievoerders in een kwade reuk staat, zoals tijdens de Wageningse conferentie nog eens bleek: op het congresgebouw en de straat ervoor werd vrijdagmorgen vroeg met verf geschreven: ‘Puur voedsel, geen biotomaat.’

Wat er voor nodig is om een produkt in de schappen te krijgen, is in Europa nog onduidelijk. Sommige landen, zoals Duitsland, zijn zo bang voor DNA-technieken dat ze helemaal niets willen toelaten. In sommige andere landen is nog nauwelijks over regels nagedacht.

Nederland loopt daarom voorop: sinds vorig jaar is er een Warenwetregeling Nieuwe Voedingsmiddelen, waarin staat dat wie voedsel maakt via genetische technieken, zijn produkt eerst moet laten keuren door het ministerie van WVC. Die bekijkt of ze veilig zijn, en of de consument via een etiket geïnformeerd moet worden over de nieuwe produktiemethode.

Op dit moment zitten er ongeveer tien aanvragen in de la van WVC. Vrijwel allemaal gaan ze over voedsel waarin alleen een grondstof zit die door genetisch gemanipuleerde bacteriën of gistcellen is gemaakt en daarna gezuiverd. Van complete genetisch gemanipuleerde gewassen is nog nauwelijks sprake.

De discussie over de veiligheid van zulke gewassen is ook ingewikkelder. Want, legt toxicoloog Noteborn uit, het inbouwen van nieuwe genen gaat tot nu toe op de gok: we hebben geen idee waar het nieuwe gen terecht komt, en wat er daardoor allemaal in het organisme verandert. “Daardoor is het in theorie mogelijk dat een gewas een gifstof die het altijd al maakte, plotseling in grotere hoeveelheden gaat produceren.”

Als proefgewas in het Europese project diende een tomateplant waarbij een gen uit de bacterie Bacillus thuringiensis (‘Bt’) was ingebouwd. Dat gen bevat de code voor een eiwit dat voor schadelijke insekten, zoals kevers en vlinders, dodelijk is. Het zet de darm-epitheelcellen aan om zoveel water op te nemen, dat ze knappen. Wanneer je het gen inbouwt in een plant, maakt die plant dus zijn eigen insekticide. Dat klinkt zó aantrekkelijk, dat zulke gewassen binnenkort vrijwel zeker zullen opduiken, verwacht Noteborn.

De proeftomaat gaat verder dan de Flavr Savr, de tomaat die deze maand in de VS verscheen. Daar is een bestaand gen ‘uitgeschakeld’: er ontstaat dus geen nieuw eiwit, maar minder van een oud eiwit dat de vrucht slap maakt terwijl hij rijpt. De tomaat blijft daardoor langer stevig, kan langer aan de struik blijven hangen, kan meer smaak ontwikkelen en over grotere afstanden worden vervoerd.

De Europese proeftomaten werden in Gent in elkaar gezet, en in Napels opgekweekt, geoogst, gevriesdroogd en verpulverd. In Wageningen mengde men de verpulverde transgene tomaten uiteindelijk door de voederbrokjes van laboratoriumratten. Negentig dagen lang bestond hun menu voor tien procent uit transgene tomaat – omgerekend naar de mens een dagelijkse dosis van twintig tomaten per dag.

Die voederperiode van negentig dagen is aanmerkelijk langer dan de dertig dagen die gelden voor andere ‘voedseladditieven’. In Nederland drongen zowel de Voedingsraad als de Gezondheidsraad op zo’n extra lange testperiode aan, om ook eventuele subtiele neveneffecten van de genetische inbouwoperatie op het spoor te komen. Niemand weet immers welke bestaande processen in de vrucht zijn verstoord, en welke onbedoelde gevolgen dat heeft.

De voederproef van DLO was de eerste waarin een transgeen gewas negentig dagen in een hoge dosis werd getest. Het grootste deel van de resultaten van de unieke proef is nu bekend – aanstaande maandag zullen ze op een congres in de RAI worden gepresenteerd. Zowel de samenstelling van het bloed, het lichaamsgewicht, de waterhuishouding, de voedselopname als de urine van de proefratten werden vergeleken met een controlegroep – en nergens was een verschil te ontdekken. Wat nog rest is de – niet onbelangrijke – analyse van orgaanweefsel onder de microscoop, maar ook daar verwacht Noteborn geen verrassingen.

Zijn voorlopige conclusie is dan ook helder: deze proeftomaat zou technisch gesproken rijp zijn voor de markt.

Voor dr P. Lindhout, plantenveredelaar bij de Landbouwuniversiteit, is die uitkomst geen verrassing. Want op de man afgevraagd vindt hij de uitgebreide testprocedures een beetje overdreven. “De maatschappij heeft die eisen nu eenmaal gesteld, dus moet je eraan voldoen wanneer je op de markt wilt komen. Maar als het puur gaat om de veiligheid, dan kun je volgens mij beter één of twee genen gericht overbrengen, dan dat je twee complete soorten met elkaar kruist, zoals met de meeste gewassen tot nu toe is gebeurd. Dan meng je immers allerlei eigenschappen door elkaar heen. Dat heeft misschien ook wel nadelige effecten, dat weet je gewoon niet.”

Voorouders

Lindhout: “In een gewone tomateplant zitten honderdduizend genen, en van hooguit honderd daarvan is de functie bekend. Toch eet je die allemaal maar, omdat je voorouders dat ook al deden. Wanneer je de strenge normen voor voedsel met additieven zou toepassen op voedsel zonder additieven, dan denk ik dat veel gewassen de test niet zouden passeren.”

Ook in de ogen van Noteborn zijn negentig dagen niet altijd noodzakelijk – hij zelf zou niet aarzelen de Flavr Savr, die dertig dagen is getest, te eten.

Zou het niet beter, en voor de consument geruststellender zijn om proefdieren nog langer, bijvoorbeeld een jaar, te testen, maar dan met een normale, gemiddelde dosis? Nee, vindt Noteborn: “In lage doseringen verwachten wij toxicologen eigenlijk geen effecten door stoffen die er toch al waren. Natuurlijk, wanneer je de dosis maar hoog genoeg maakt, is alles toxisch – als ik een kilo suiker eet word ik ook ziek. Als ik ratten een jaar lang een hoge dosis tomaten geef, toon ik in feite de giftigheid van tomatine aan. Van bijna alles wat wij eten kun je aantonen dat het stoffen bevat die in hoge doses kankerverwekkend zijn. Bij de klassieke kruisingsmethode maakten wij ons alleen minder zorgen – we zijn opeens kiwi’s gaan eten, terwijl dat toch een nieuwe kruising is van een heel exotische vrucht. Maar genetische manipulatie is als techniek nog een beetje een black box. Dus willen we in Nederland iets langer, negentig dagen, kijken.”

Of de consument zich door die extra lange testperiode over de streep zal laten trekken, blijft voor de betrokken bedrijven nog even spannend. Maar wie weet, beaamt Lindhout, zullen de verhoudingen over een paar jaar tot ieders verrassing zijn omgekeerd – en zal een fabrikant zich tegen die tijd geen beter aanbeveling kunnen wensen dan het etiket: ‘Via genetische modificatie geproduceerd.’