Menu Close

Geen glanzende top op piramide

Na maanden spanning liet gisteren de commissie Rinnooy Kan weten hoe een ‘onderzoeksschool’ eruit zou moet zien. Maar gemeten naar de bezorgde geluiden vooraf was het resultaat weinig opzienbarend. Bestaande initiatieven moeten wat opgepoetst, er moet wat extra geld op tafel en er komt een leuke prijs voor het neusje van de zalm onder de onderzoekscholen.

‘EEN BEETJE EEN ANTICLIMAX’. Zo noemt prof. dr J. Borgman, voorzitter van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), het gisteren bekendgemaakte rapport van de Adviescommissie Onderzoekscholen, oftewel de commissie Rinnooy Kan. Een anticlimax, omdat de academische wereld de laatste maanden in alle toonaarden een voorschot had genomen op de conclusie van de commissie. Men vreesde ingrijpende veranderingen in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

De onderzoeksschool is een paradepaardje van de nieuwe minister van onderwijs en wetenschappen. Volgens hem is het wetenschappelijke talent nu te veel uitgesmeerd over vele universiteiten en instituten. Daardoor is er niet veel bar slecht, maar ook weinig heel goed onderzoek te vinden, met alle gevolgen van dien voor de internationale concurrentiepositie.

Bovendien, was de zorg van de minister, ontbreekt voor excellente studenten de mogelijkheid zich in een omgeving van toponderzoekers tot het hoogste niveau te ontwikkelen. De tweede fase, waarin de opleiding tot onderzoeker gestalte moest krijgen, dreigt te verzanden in een onoverzichtelijk geheel, en assistenten in opleiding (aio’s) klagen steen en been over hoogleraren met wie vier weken tevoren een afspraak voor een gesprekje gemaakt moet worden.

Graduate schools

Een glanzende top op de piramide van het Nederlandse onderwijssysteem, kortom, werd node gemist. De minister nam zich voor om daartoe onderzoeksscholen in te stellen, geïnspireerd op de Amerikaanse graduate schools. Zelf dacht hij aan een stuk of tien, verspreid over het land. Hij stelde een commissie in om de zaak nauwkeurig uit te werken. Daarin zaten naast Rinnooy Kan – kortgeleden tot nieuwe voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO gekozen – ook drs J.K.M. Gevers van de Universiteit van Amsterdam en rector-magnificus prof. dr C. Datema van de VU.

Degenen die niet in de commissie zaten, maakten zich intussen ernstig zorgen. Hun ongerustheid werd gevoed door tussentijdse opmerkingen van de minister. Begin mei zei die dat met de oprichting van onderzoeksscholen ‘een reeks gebeurtenissen in gang wordt gezet waardoor zich op termijn structurele veranderingen zullen aftekenen in ons wetenschapsbestel’.

Op die grote veranderingen zat echter niemand te wachten. De universiteiten zijn als de dood dat nieuwe top-instituten hun beste onderzoekers, medewerkers en studenten zouden gaan wegzuigen. Het gewone onderwijs zou daarmee afdalen tot een veredelde hogere beroepsopleiding, een ‘undergraduate school’, zoals KNAW-voorzitter prof.dr P.J.D. Drenth het in deze krant fijntjes uitdrukte. “Een onzalige gedachte,” meende hij.

Het in een grote verjaardagstaart verstopte advies dat commissievoorzitter Rinnooy Kan gisteren aan de minister overhandigde, bewijst echter dat men zich voor niets had opgewonden. Hij pleit allerminst voor revolutionaire veranderingen, maar doet slechts de aanbeveling om ‘de bestaande initiatieven uit te bouwen’ en ‘procedureel af te perken’. Dat is geen uitspraak om van wakker te liggen, en ir P. van der Schans, voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), haastte zich dan ook om ‘verheugd’ te reageren.

Of minister Ritzen de voorzichtige aanbevelingen voldoende acht om zijn heilige doel te bereiken, moet worden afgewacht. Zo niet, dan heeft hij dat toch een beetje aan zichzelf te danken. Want de enkele tientallen miljoenen guldens extra die Rinnooy Kan beleefd van de minister vraagt, staan natuurlijk geen wereldschokkende veranderingen toe. “We hebben ons laten influisteren wat er ongeveer beschikbaar zou zijn. Dat is een schijntje, dat zijn we ons wel bewust,” zegt Rinnooy Kan vandaag zelf in een interview met een aantal universiteitsbladen. En tot overmaat van ramp behield Ritzen zich gisteren bij de aanbieding het recht voor dat geld, tegen de zin van de commissie, bij het gewone universitaire onderwijs te halen.

Mattheus-effect

Wat overblijft is een Snelliusfonds, genoemd naar een vermaarde Nederlandse opticus. De top-tien van de onderzoeksscholen krijgt van een speciale jury vijf jaar lang circa twee miljoen gulden extra. Die prijs geeft zoveel prestige, denkt de commissie, dat daarna het geld uit alle hoeken en gaten zal toestromen.

Maar NWO-voorzitter Borgman zet daar vraagtekens bij. Zijn ervaring leert dat avonturen, opgezet met speciale ‘aanjaagpremies’, zelden door andere geldschieters worden overgenomen. “Het Mattheus-effect – wie heeft zal gegeven worden – gaat hier dus niet op,” aldus Borgman. Zonder duidelijkheid vooraf over wie na vijf jaar de betaling overneemt, vindt hij, is het Snellius-fonds voorlopig niet meer dan versiering.

Related Posts