Menu Close

Fel protest tegen onderzoek naar gen voor geweld

De Amerikaanse binnensteden worden geplaagd door toenemend geweld. Steeds harder dringen wetenschappers daarom aan op onderzoek naar mogelijke biologische oorzaken van dat gewelddadige gedrag. Maar het verzet tegen die benadering is nog niet geluwd.

BESTAAN ER genen die de ene mens gewelddadiger maken dan de ander? En wanneer die genen zouden kunnen worden opgespoord, ontstaan er dan mogelijkheden om via medicijnen het ongewenste gedrag te voorkomen?

Onder druk van het hevige geweld in de grote Amerikaanse steden, maken overheidsinstituten in de Verenigde Staten plannen om al het onderzoek naar de oorzaken van geweld te bundelen. Het initiatief kan echter rekenen op fel verzet van delen van de psychiatrie en zwarte politieke groeperingen. Zij ontwaren in de groeiende belangstelling voor het onderwerp een poging om zwarte bevolkingsgroepen te brandmerken als ‘risicogroep’ voor gewelddadig gedrag.

De onrust in de wetenschappelijke wereld begon eerder dit jaar met de aankondiging van een congres aan de universiteit van Maryland. Het thema van het congres luidde: ‘Erfelijke factoren in de misdaad: resultaten, toepassingen en implicaties’. De brochure waarmee ruchtbaarheid aan de conferentie werd gegeven, stelde dat genetisch onderzoek ‘uitzicht biedt op het opsporen van individuen met een erfelijke aanleg tot misdadig gedrag’ en ‘het behandelen van sommige gevallen van aanleg met medicijnen andere therapieën.’ De thematiek deed sterk denken aan onderzoek dat in Nederland indertijd werd voorbereid door de Leidse hoogleraar Buikhuisen, die door middel van biologisch onderzoek onder gevangenen verbanden tussen crimineel gedrag en afwijkingen in de scheikundige huishouding van de hersenen op het spoor wilde komen. Zijn voorstellen verdwenen na felle kritiek van alle zijden van tafel.

Net als destijds in ons land oogstte de aankondiging van de conferentie in de Verenigde Staten een storm van protest. Verontwaardigde critici wezen erop dat nog nooit een wetenschappelijk verband tussen genen en geweld of ander ‘afwijkend gedrag’. De pogingen om gewelddadig gedrag toe te schrijven aan erfelijke factoren verhullen onderliggende racistische motieven, vreest onder meer psychiater Peter Breggins, en ze kunnen leiden tot programma’s waarin psychiaters zwarte kinderen in de binnensteden met behulp van medicijnen rustig houden.

Ook zwarte politici en wetenschappers voorspelden dat de bijeenkomst bestaande vooroordelen over de vermeende gewelddadigheid van zwarten alleen maar zouden aanwakkeren.

Als gevolg van de felle protesten werd een reeds toegekende overheidssubsidie voor de controversiële conferentie ijlings weer ingetrokken – een beslissing die door de universiteit van Martland op juridische gronden overigens nog steeds wordt betwist.

Het rumoer rond de ‘uitgestelde’ conferentie lijkt echter de voorbode te zijn geweest van een groter, soortgelijk conflict. Het hoofd van het ministerie van gezondheid, Louis Sullivan, heeft inmiddels de voorbereidingen gestart voor een poging om alle onderzoek naar de oorzaken van geweld te bundelen. Zowel sociale, psychologische als biologische factoren die bijdragen aan het ontstaan van gewelddadig gedrag zouden in onderlinge samenhang bestudeerd moeten worden. Het ‘Gewelds-initiatief’ zou daarenboven ook moeten zorgen dat bijna honderd miljoen gulden extra beschikbaar komt voor het onderzoek.

De ongelukkige manier waarop het overheidsplan naar buiten werd gebracht, werkte bij de critici reeds als een rode lap op een stier: tijdens een rede vergeleek de directeur van het Bureau voor alcohol- en druggebruik en geestelijke gezondheid, Frederick Goodwin, de geteisterde Amerikaanse binnensteden met een ‘jungle’. Volgens sommige van de toehoorders ging hij zelfs nog een stapje verder: zwarte mannen in die steden zouden zijn vergeleken met ‘apen’.

Ras

Beschuldigingen als zou het nieuwe onderzoeksprogramma bedoeld zijn om een genetisch verband te vinden tussen geweld en ras, worden echter met klem tegengesproken. Volgens onderzoekers die zijn verbonden aan een van de betrokken instituten, berust de hele kwestie op een groot misverstand – ‘een schandelijke verdraaiing van datgene waar we in werkelijkheid mee bezig zijn’, aldus epidemioloog Darrel Regier in Science. Volgens hem worden de conferentie en losse opmerkingen op één hoop gegooid ‘om een patroon te schetsen dat niet bestaat.’

Als voorbeeld van onderzoek dat inmiddels plaatsvindt, noemt Regier een project waarbij bijna duizend drie- tot vijfjarige kinderen op kleuterscholen nauwkeurig worden geobserveerd. Kinderen die ‘aanleg’ tot gewelddadig gedrag lijken te vertonen, zullen samen met hun ouders begeleiding en training ontvangen, bijvoorbeeld in sociale vaardigheden. Door de kinderen tot en met het voortgezet onderwijs te blijven volgen, hopen de onderzoekers te ontdekken of een dergelijke vroegtijdige aanpak vruchten kan afwerpen.

Dergelijke onbetwiste projecten, stelt Regier, maken het overgrote deel uit van het onderzoek naar geweldsoorzaken van het Nationaal Instituut voor Geestelijke Gezondheid. Van de 35 miljoen gulden die het instituut uittrekt voor onderzoek naar geweld, is slechts 1,8 miljoen uitgetrokken voor speurwerk naar biologische oorzaken of behandelmethoden.

Hoewel de tegenstanders van het onderzoek met het uitstel van de conferentie hun eerste winst binnenhaalden, kan worden betwijfeld of zij op de langere termijn hun succes kunnen vasthouden. Geweldsmisdrijven worden in Amerika bijna als volksvijand nummer één beschouwd, en de publieke druk neemt toe. Volgens sommige wetenschappers dreigt door alle opwinding maar één categorie echt de dupe te worden: de arme, veelal zwarte bevolkingsgroepen die in de binnensteden moeten zien te overleven.