Een ruime keus aan elixers en levensverlengende therapieën is verkrijgbaar, maar de ware bron van de jeugd is nog niet gevonden. Wie lang wil leven, suggereert wetenschappelijk onderzoek, kan maar beter niet te veel eten.
IN EEN DIERVERBLIJF bij het Amerikaanse plaatsje Poolesville, enkele tientallen kilometers van Washington, lijden 75 resusaapjes al dertien jaar lang honger. Waar elders in het gebouw hun soortgenootjes eten zoveel ze willen, komen de proefaapjes naar eigen smaak minstens dertig procent van hun calorieën te kort.
Het is de prijs, vermoeden onderzoekers van het Gerontology Research Center van de Amerikaanse National Institutes of Health, die de aapjes betalen voor een lang leven. Want levenslang hongeren, zo blijkt uit experimenten op allerlei diersoorten, is hun grootste kans op uitstel van een ontmoeting met Magere Hein.
Tot nu toe beantwoorden de lijnende aapjes aan de verwachtingen: hun puberteit begon ruim een jaar later dan normaal. Wanneer ze zo doorgaan, zijn ze in 2020 de eerste primaten wier levensduur door ‘calorische beperking’ blijkt te zijn uitgerekt.
Voor menselijke liefhebbers van een lang leven komen die resultaten waarschijnlijk te laat. In afwachting van de uitslag moeten zij zich behelpen met preparaten waarvan de werking, zacht gezegd, twijfelachtig is. Alleen een klein aantal die-hards duldt geen uitstel meer, en is alvast begonnen met een Spartaans dieet.
Bloed spoelen
Het verlangen naar een lang leven is geen recente uitvinding. Al in oude mythologieën gold de eeuwige jeugd als het ideaal. Godsdiensten als het christendom gebruiken een eeuwig leven als de ultieme beloning voor haar meest trouwe aanhangers.
Ook voor kwakzalvers vormt de belofte van een lang leven traditioneel een aantrekkelijke handel. Een keur aan geheimzinnige levenselixers vond in voorbije eeuwen zijn weg naar tevreden klanten — klachten werden, niet helemaal verrassend, zelden gehoord.
Riolering, antibiotica en vaccins bereikten uiteindelijk wat de elixers nooit was gelukt: in welvarende landen verdubbelde de gemiddelde leeftijd waarop mensen sterven, van minder dan 40 tot tussen de 70 en 80. Maar aan de bovengrens, de maximale leeftijd door een mens te bereiken, veranderde relatief weinig: ook al geven we over ons hele leven honderdduizenden guldens uit aan medische zorg, hooguit een enkeling bereikt de 110.
Maar velen laten zich door dit gebrek aan klinkende resultaten niet uit het veld slaan: op tal van manieren blijven mensen zoeken naar een eeuwig leven. Technische innovaties brachten nieuwe, verfijnder levenselixers, die althans voor een tijdje de hoop levend houden.
Sommige van die therapieën komen inmiddels al weer wat gedateerd over. Zoals de chelatietherapie, waarbij het bloed om de paar maanden wordt gespoeld met ethyleen-diamine-tetra-acetaat (EDTA). Volgens aanhangers maakt het verkalkte aderen soepel, en laat het schadelijke metalen via de urine verdwijnen.
Celtherapeuten gaan nog een stap verder om het lichaam fris en fruitig te houden: eens per jaar krijgt de patiënt gedroogde cellen van geitenfoetussen in het bloed gespoten. Zo krijgt elk orgaan, is de gedachte, de verse ingrediënten die het nodig heeft.
Beide therapieën genieten in de medische wetenschap weinig aanhang, want nog nooit is aangetoond dat de — dure — behandelingen meer doen dan een infuus met zout water.
Schildpadden en mensen
Wat moderner is de beweging die de vergrijzing en de verzakking probeert tegen te gaan door het slikken van anti-oxidanten. Gematigde aanhangers beperken zich tot het eten van veel groenten en fruit, omdat de vitaminen en kleurstoffen daarin kanker en vaatziekten zouden kunnen voorkomen. Maar fanatieker volgelingen slikken handenvol ‘supplementen’, soms aangevuld met injecties, om hun lichaam te helpen in de vermeende strijd tegen de aftakeling.
De oxidanten-verouderingstheorie vindt zijn basis in de ontdekking dat in elke levende cel voortdurend sterke ‘oxidanten’ ontstaan; ‘vrije radicalen’ worden ze ook wel genoemd, omdat ze op zoek naar een extra elektron met bijna alles in hun omgeving chemische reacties aangaan: genen, enzymen, celmembranen — niets is veilig voor een vrije radicaal.
Radicalen kunnen het gevolg zijn van zonnestraling of giftige gassen uit de rook van een sigaret. Maar de belangrijkste radicaal is zuurstof die vrijkomt wanneer onze cellen suiker verbranden, een proces zo onlosmakelijk verbonden met het leven dat het plaatsvindt in elke cel. ‘Mitochondriën’ heten de kleine structuren die daarbinnen als verbrandingsoven dienen.
Wanneer de evolutie geen tegenmaatregelen had genomen, zou de stroom radicalen voor grote schade zorgen. De oplossing kwam in de vorm van anti-oxidanten: door de cellen zelf aangemaakte stoffen die vrije radicalen wegvangen voor ze kwaad doen. Het enzym superoxide-dismutase (SOD) bijvoorbeeld zet vrije zuurstofradicalen om in waterstofperoxide, dat vervolgens door andere eiwitten, zoals catalase, onschadelijk wordt gemaakt.
Veroudering, aldus de oxidanten-theorie, ontstaat doordat onze eigen anti-oxidanten tekort schieten, waardoor beschadigingen zich opstapelen — vooral in mitochondriën, waar het radicalenvuur het hevigst woedt. Veroudering kan worden tegengegaan, is de ogenschijnlijk logische conclusie, door van buitenaf extra anti-oxidanten toe te voegen.
Het vermoeden dat oxidanten betrokken zijn bij veroudering vindt steun in experimenten. Zo bevatten diersoorten die lang leven, zoals schildpadden en mensen, relatief veel anti-oxidanten; Wanneer genetisch gemanipuleerde fruitvliegen extra superoxide-dismutase maken, leven ze vijf tot tien procent langer; Wie wormen generaties lang selecteert op lange levensduur, ontdekt dat de taaiste exemplaren het meeste superoxide-dismutase en catalase maken; En wanneer ratten via hun voer een anti-oxidant krijgen, lijkt hun geheugen te verbeteren en vind je in hun hersenen minder geoxideerde eiwitten terug.
Ook ons eigen voedsel bevat anti-oxidanten: in vruchten en bladgroenten zitten naast vitaminen C en E bijvoorbeeld flavonoïden en carotenen — stoffen die goed vrije radicalen kunnen binden. Het toch al goede advies om veel groente en fruit te eten, lijkt door de oxidanten-theorie dus aan kracht te winnen, net als de gedachte er met vitaminepillen nog een schepje bovenop te doen.
Lange tijd leek het inderdaad of al die adviezen werkten: onderzoeken suggereerden dat vitaminerijke diëten de sterfte aan kanker en vaatziekten tegengaan. Maar latere, vaak nog grotere onderzoeken hebben inmiddels veel van die conclusies in twijfel getrokken. Eén van de onderzoeken werd zelfs voortijdig gestaakt, omdat onder consumenten van extra flavonoïden de sterfte aan longkanker hóger was in plaats van lager.
Inmiddels blijkt ook uit fundamenteel onderzoek dat oxidanten en anti-oxidanten niet simpelweg kunnen worden bestempeld tot bad guys en good guys. Anti-oxidanten, bijvoorbeeld, veranderen soms in oxidanten. Bovendien komen er steeds meer aanwijzingen dat, hoe meer anti-oxidanten van buiten we slikken, des te minder ons lichaam zelf nog maakt.
Het blijkt dat oxidanten misschien niet louter als schadelijk afval moeten worden gezien. Allerlei processen in cellen blijken door oxidanten te worden beïnvloed — een teken dat overenthousiaste bestrijding van radicalen wel eens onvoorziene, schadelijke effecten kan hebben.
Hormonen voor Hollywood
De jongste trend in de strijd tegen de ouderdom wordt gevormd door hormonen, die dankzij moderne biotechnologie steeds gemakkelijk kunnen worden gemaakt.
Hormonen zijn feitelijk chemische signalen, die normaal gesproken direct of indirect door de hersenen worden gestuurd. Maar anders dan een zenuwprikkel doet een hormoon zijn invloed van top tot teen gelden.
Met het klimmen der jaren neemt de concentratie van sommige lichaamshormonen geleidelijk af. Bij vrouwen daalt de hoeveelheid oestrogeen, wat onder meer lijkt te leiden tot afbraak van bot; bij mannen daalt de concentratie testosteron, wat de aanmaak van spierweefsel lijkt te remmen. Ook het gehalte dehydro-epiandrosteron (DHEA), een halffabrikaat van beide geslachtshormonen, zakt na de dertigste verjaardag. Hetzelfde geldt voor groeihormoon, dat een rol speelt bij de aanwas van botten en spieren. Van melatonine, onder meer betrokken bij onze behoefte aan slaap, werd lang gedacht dat het bij ouderen afnam, maar recent onderzoek heeft die aanname in twijfel getrokken.
Dat hormoonspiegels te maken kunnen hebben met onze leeftijd lijdt geen twijfel. Veel minder duidelijk is of het gaat om oorzaak of gevolg. Die cruciale leemte in de kennis heeft echter niet kunnen voorkomen dat de handel in hormonen recent is geëxplodeerd.
Niet dat hormoonbehandelingen goedkoop zijn: wekelijkse injecties met groeihormoon, naar verluidt populair onder Hollywood-sterren en andere vermogende Amerikanen, kosten een slordige vijftigduizend gulden per jaar, in ruil waarvoor klanten zeggen zich energieker, sterker en dus jonger te voelen.
In de Verenigde Staten is de hormonenhandel zo sterk gegroeid dat gezondheidsautoriteiten folders verspreiden om mensen op de gevaren te wijzen. Omdat sommige hormonen niet als medicijn maar als ‘voedingssupplement’ worden verkocht, ontbreekt het aan wettelijke mogelijkheden de handel te reguleren.
Oestrogeen, waarschuwt het National Institute on Aging in de folder, kan de kans op borstkanker vergroten, testosteron die op prostaatkanker. DHEA geeft al in lage doses leverschade, en leidt tot onvoorspelbare pieken in oestrogeen of testosteron. Tot de mogelijke bijwerkingen van groeihormoon behoren suikerziekte en onderhuidse vochtophoping, resulterend in pijnlijke gewrichten, verhoogde bloeddruk of hartproblemen. In hoge doses is onverwachte groei, bijvoorbeeld van tumoren of de schedel, niet uitgesloten. Melatonine vernauwt de bloedvaten, met name riskant bij vaatproblemen — de dosis die bij de drogist wordt verkocht kan leiden tot een bloedconcentratie veertig keer hoger dan de normale waarden.
Dit alles terwijl van geen van de betrokken hormonen is aangetoond dat ze veroudering kunnen tegengaan.
Ondervoede proefmuizen
Wie extra levensdagen wil verdienen, kan voorlopig dus nog het beste wedden op een hongerige maag. Mits niet overdreven, en met aandacht voor noodzakelijke voedingsstoffen, kan die methode bovendien weinig kwaad.
Experimenten op allerlei dieren bevestigen het verschijnsel. Of het nu gaat om eencelligen, fruitvliegen, wormen, muizen of ratten — als de dieren dertig tot zestig procent minder calorieën krijgen dan ze spontaan zouden eten, neemt de maximale levensduur tot dertig procent toe. Gezonder blijven ze ook: bij ondervoede proefmuizen blijft het afweersysteem langer intact en alle ziekten, inclusief kanker, lijken trager te verlopen.
Nog vorige week meldden Amerikaanse onderzoekers de ontdekking van een gemuteerd gen dat, in fruitvliegen, de levensduur verdubbelt. Het betrokken gen, Indy genoemd (I’m Not Dead Yet ), is betrokken bij de stofwisseling, en de vliegen met de mutatie lijken permanent op dieet te zijn.
Waarom honger zowel ziekte als dood uitstelt is nog een raadsel, maar theorieën zijn er wel: zo zou de oxidanten-theorie het principe indirect kunnen verklaren, omdat vrije zuurstofradicalen vrijkomen bij de verbranding van voedsel. Wie minder calorieën te verbranden heeft, produceert ook minder schadelijke bijproducten. Ook een wat lagere lichaamstemperatuur zou kunnen zorgen dat het leven langer, maar op een wat lager pitje, draait. Het is een soort winterslaap — een gewoonte die vleermuizen in staat lijkt te stellen zeven keer langer te leven dan gewone muizen.
Wat ook de diepere oorzaak, de hongerproeven hebben het oude geloof in een onwrikbare ‘maximale levensduur’ in ieder geval weten te schokken. Eén ogenschijnlijk simpele ingreep blijkt genoeg om de grenzen flink te verleggen, een constatering waaruit sommige onderzoekers de hoop putten dat zij het effect ooit kunnen imiteren.
Of levenslang hongeren ook bij mensen werkt, moet nog minstens een eeuw worden afgewacht. Afgezien van kleine groepjes fanatici, die helaas alle theorieën tegelijkertijd uitproberen en wiens resultaten dus wetenschappelijk onbruikbaar zijn, zijn nog geen experimenten voorzien.
Voorlopig moeten we onze wijsheid dus nog even putten uit het aloude adagium: leef snel — en sterf jong.

