Menu Close

Amerikaan wil liefst als ‘gay’ worden geboren

Of Amerikaanse mannen hetero- of homoseksueel zijn, wordt voor de helft bepaald door hun genen. Dat schatten onderzoekers na een studie onder genetisch identieke tweelingbroers. De vraag blijft alleen: welke genen erven zij, en wat verklaart de andere helft?

DE VRAAG OF homoseksuele mannen en vrouwen met hun voorkeur voor het eigen geslacht worden geboren, of dat zij die eigenschap tijdens hun leven verwerven, is niet van vandaag of gisteren. Zolang er homoseksuelen bestaan, hebben sommige van hun soortgenoten zich verwonderd of verontwaardigd afgevraagd hoe het mogelijk is dat mensen seksuele verlangens bezitten die henzelf volledig vreemd zijn.

De afgelopen eeuwen hebben daardoor een bont spectrum aan mogelijke verklaringen opgeleverd. Dominante of lijdzame moeders, hardvochtige of slappe vaders, een rolpatroon-doorbrekende opvoeding, een groot aantal broertjes, veel oudere broertjes of zusjes, homoseksuele ervaringen op jonge leeftijd, een ‘homogen’, de hoeveelheid geslachtshormoon – op volwassen leeftijd dan wel in de baarmoeder – en een afwijkende hersenbouw, alle hebben of hadden wel aanhangers in de wetenschap als ‘veroorzaker’ van homoseksualiteit.

De zoektocht naar de oorzaak viel binden een bredere discussie over de vraag hoe mensen aan karaktertrekken of intellectuele capaciteiten komen. Worden ze opgebouwd door ervaringen tijdens het leven – nurture – of maken ze deel uit van de onontkoombare lotsbestemming van de erfelijke aanleg – nature.

Zowel de pure ‘nurture’-theorieën, die het in de opvoeding en de ontwikkeling van de psyche zochten, als de strikt op de erfelijkheid voortbouwende nature’-benaderingen raakten de laatste decennia wat op de achtergrond. Ervoor in de plaats kwamen theorieën die niet direct onder ‘nurture’ of ‘nature’ te vangen zijn. Fysiologen veronderstellen dat, nog voor de geboorte, hormonen in de baarmoeder de ontwikkeling van de hersenen in mannelijke of vrouwelijke richting sturen. Mannelijke homo’s zouden over enigszins ‘vervrouwelijkte’ hersenen beschikken. Die theorie is nog actueler geworden sinds hersen-anatomen – piepkleine – verschillen ontdekten tussen hersenen van overleden homoseksuele en heteroseksuele aids-patiënten.

Veel aandacht hebben speurders naar oorzaken van homoseksualiteit in de afgelopen tientallen jaren niet gekregen. Ten eerste omdat, niet altijd ten onrechte, de onderzoekers ervan verdacht werden homoseksualiteit te willen ‘genezen’ of zelfs te voorkomen. Maar ook al was men overtuigd van hun integriteit, dan nog vond niet iedereen zulk onderzoek even zinvol – net zo min als de meeste mensen het opsporen van genen voor intelligentie bovenaan hun verlanglijstje hebben staan. Homo’s zelf ten slotte stonden voor de vraag of zij, zolang het grootste deel van de wereld hen niet tolereert, moeten meewerken aan uitbreiding van kennis die tegen hen gebruikt zou kunnen worden.

Vrijwillig

Vooral in de Verenigde Staten beantwoorden veel homo’s die vraag toch positief, omdat ze hopen dat homo’s en lesbiennes op meer begrip mogen rekenen wanneer eenmaal is bewezen dat zij niet zelf voor hun ‘afwijking’ hebben gekozen. Niet alle homo’s zijn overigens gediend van zo’n vorm van acceptatie, die veel trekken van medelijden vertoont.

Een enquête, kort geleden in de VS verricht, bevestigde echter de gedachte dat geloof in de onontkoombaarheid van de homoseksualiteit hand in hand gaat met meer tolerantie. Amerikanen die van mening waren dat homo’s ‘nu eenmaal zo geboren zijn’, treden hen veel positiever tegemoet dan landgenoten die denken dat homo’s zelf voor hun onzedelijke levenswandel hebben gekozen.

Gesterkt door deze morele overwegingen, deden de Amerikaanse onderzoekers Michael Bailey, werkzaam aan de universiteit van Evanston, en Richard Pillard, van de universiteit van Boston, een nieuwe poging om de rol van de erfelijkheid bij het ontstaan van homoseksualiteit te ontrafelen. Zij gingen daartoe op zoek naar tweelingen waarvan tenminste één lid gay was. De vergelijking van eeneiige tweelingen, die genetisch helemaal gelijk zijn, met tweeëiige tweelingen of andere gezinsleden is ideaal om genetische en omgevingsfactoren te ontwarren.

Natuurlijk kwamen zij niet als eersten op die gedachte. Al in 1952 deed de Newyorkse psychiater Franz Kallmann zijn best om zoveel mogelijk homo’s op te sporen die deel uitmaakten van een tweeling. Hij vond 37 eeneiige en 26 tweeëiige tweelingen. Hij constateerde dat van de eeneiige tweelingen honderd procent een gelijke seksuele voorkeur had. Bij de tweeëiige tweelingen lag de zaak geheel anders: in 22 van de 26 gevallen zag de tweelingbroer van de homo zichzelf niet als homo, maar als uitgesproken hetero. Verreweg de meesten scoorden een 0 op de ‘schaal van Kinsey’, die een oplopende mate van homoseksuele geaardheid aangeeft. De schaal werd ontwikkeld door de seksuoloog Kinsey, die eind jaren-veertig als eerste – en laatste – een grootschalig onderzoek verrichtte naar de seksuele voorkeur van de Amerikaanse bevolking, en loopt van 0 (exclusief heteroseksueel) tot 6 (exclusief homoseksueel).

Kallmann concludeerde dat de vraag of een man hetero- of homoseksueel wordt, grotendeels vastligt in zijn genen. Dat stemde hem kennelijk niet erg tevreden, want in zijn verslag schreef hij: “De urgentie van verder onderzoek wordt ontegenzeglijk onderstreept door het feit dat volwassen homoseksualiteit een onuitputtelijke bron blijft van ongeluk, onvrede en een verwrongen gevoel voor menselijke waarden.”

Deze opvatting vormde niet de belangrijkste reden waarom Kallmann veel kritiek moest incasseren. Om te beginnen vonden collega-onderzoekers zijn onderzoeksgroep niet bepaald representatief – van vrijwel alle tweelingen had één lid zich onder psychiatrische behandeling laten stellen. Maar meer nog wekten zijn uitkomsten verdenkingen: een overeenkomst van honderd procent onder eeneiige tweelingen leek te mooi om waar te zijn. Werden immers niet regelmatig wel degelijk eeneiige tweelingen aangetroffen waarvan de ene helft gay, en de andere helft straight was?

Bailey en Pillard zetten daarom een nieuw, uitgebreider en beter tweelingenonderzoek op. Via advertenties riepen zij homo’s met tweelingbroers of pleegbroers op zich te melden. De laatste groep werd bij het onderzoek betrokken omdat gegevens over broers die wel in hetzelfde gezin opgroeien maar geen erfelijke verwantschap hebben, veel informatie zouden kunnen opleveren.

Overdreven

De resultaten van hun onderzoek, die vorige maand werden gepubliceerd in het tijdschrift Archives of General Psychiatry, bevestigen nog eens de indruk dat Kallmanns met zijn honderd procent schromelijk overdreven had. Bij de gevonden 56 eeneiige tweelingen waren 29 keer beide mannen homoseksueel – oftewel 52 procent. Dat is nog steeds beduidend meer dan bij de broers uit tweeëiige tweelingen, waar in 22 procent van de gevallen (12 van de 54) beide mannen gay waren.

Vreemd was wel dat onder ‘gewone’, niet-tweelingbroers het aantal homo’s nog veel lager lag – 9 procent (13 van de 142). Dat is even veel als onder pleegbroers (11 procent, of 6 van de 57), die geen genetische verwantschap met de geënquêteerde homo hebben. Dat resultaat wijkt af van eerdere onderzoeken, waaruit bleek dat als in een gezin één zoon homoseksueel is, zijn broers vijf keer zo veel kans hebben ook gay te zijn als een willekeurige andere man.

Op grond van de andere, meer in de lijn der verwachtingen liggende resultaten, berekenen Bailey en Pillard dat de seksuele voorkeur van een Amerikaanse man voor dertig tot zeventig procent is terug te voeren op erfelijke factoren.

Erg nauwkeurig is deze schatting echter niet. De belangrijkste reden daarvoor is, dat het percentage homoseksuele mannen in de totale Amerikaanse bevolking een essentieel onderdeel van de becijferingen vormt. De schattingen over dat aantal lopen al sterk uiteen, met als belangrijkste extremen vier en tien procent. De oplossing voor dat probleem – een onderzoek naar de seksuele voorkeur van de Amerikaan – lijkt eenvoudig, maar is dat niet. Sinds Kinsey in 1948 zijn nu verouderde resultaten publiceerde, heeft in de VS geen onderzoek op vergelijkbare schaal meer plaatsgevonden, omdat de Amerikaanse overheid intiatieven daartoe geen subsidie verleent. Volgens sommigen, onder wie de Amerikaanse antropoloog Gilbert Herdt, vreest de overheid dat zo’n studie zou uitwijzen dat meer dan tien procent van de Amerikanen als ‘homoseksueel’ bestempeld zou moeten worden. Daarmee zou een officiële ‘minderheid’ ontstaan, met speciale rechten. Sociale verzekeringsfondsen en pensioenfondsen zouden miljarden kunnen kwijtraken aan de partners van overleden homo’s en lesbiennes.

Om de onzekerheid te beperken, berekenden Bailey en Pillard dat bij de meest gehanteerde schatting (vier procent) vijftig procent van de variatie in seksuele voorkeur voor rekening van erfelijke factoren blijft.

Homo-genen

Of het daarbij gaat om één ‘homo-gen’, of dat juist vele genen elkaar beïnvloeden, kunnen Bailey en Pillard op basis van hun gegevens niet zeggen. Evenmin kunnen zij iets zinnigs zeggen over welke eigenschappen precies worden overgeërfd. Want in die zin blijft van alles mogelijk – via verschillen in hormoonklieren, via uiterlijke kenmerken die ouders stimuleren tot een andere opvoeding, via andere hersenstructuren of noem maar op.

De twee onderzoekers zelf hanteren voorlopig als ‘werkhypothese’ dat de homo-genen werken via de bouw van de hersenen. Zij verwijzen naar een recente publicatie van de Amerikaanse hersenonderzoeker Simon LeVay. Die ontdekte, augustus vorig jaar, dat een klein groepje cellen vóór in de hypothalamus – een hersendeel dat bij mannetjesdieren het seksueel gedrag stuurt – in homo’s twee keer kleiner is dan in hetero’s, en even groot als bij vrouwen.

In Nederland vond hersenonderzoeker Dick Swaab al eerder een klein verschil tussen de hersenen van heteroseksuele en homoseksuele mannen. Dat betrof echter een groepje cellen dat voor zover nu bekend niet direct te maken heeft met seksueel gedrag.

Ten slotte: als vijftig procent van de variatie in seksuele voorkeur van Amerikaanse mannen te herleiden is tot erfelijke factoren, resteert nog steeds vijftig procent voor niet-erfelijke, uit de omgeving afkomstige factoren. Daarbij hoeft niet direct aan het gedrag van de ouders te worden gedacht, of aan andere ervaringen in de kinderjaren. Hoewel biologisch van aard, behoren ook de natuurlijke schommelingen in de concentratie van geslachtshormonen in de baarmoeder tot de ‘omgeving. Zulke invloeden zouden meteen kunnen verklaren, waarom tweeëiige tweelingen, die genetisch niet gelijk zijn maar wel naast elkaar in de baarmoeder hebben gelegen, vaker dezelfde seksuele voorkeur hebben dan gewone broers.

Related Posts