Het zachtaardige commentaar op de hoger-onderwijsbegroting van de VSNU — waarin universiteiten samenwerken — blijkt toch niet door alle leden te worden gedeeld. College-voorzitter drs J. G. F. Veldhuis van de Utrechtse universiteit ziet ‘een greep in de kas’.
‘EEN SLUIPENDE bezuiniging,” concludeert drs J.G.F. Veldhuis na bestudering van de begroting van onderwijs. “Tegen vorige bezuinigingen hebben we steeds geprotesteerd, maar deze is veel erger.” De voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht legt uit: “Jarenlang is het aantal nieuwe studenten te laag ingeschat, dus ook de hoeveelheid te ontvangen collegegeld. Het verschil tussen het begrote en het ontvangen collegegeld is inmiddels aangegroeid tot ruim honderdentien miljoen gulden. Er zijn afspraken gemaakt dat dit geld ten goede komt aan de universiteiten, maar er is nu niets meer van terug te vinden.”
“Een greep uit de kas,” oordeelt Veldhuis, “en daar komt de twintig miljoen algemene bezuiniging nog bovenop.”
Over het ‘agentschap’, het bureau dat het geld gaat verdelen dat vrijkomt door een verwacht lager aantal studenten bij een niet navenant dalend budget, is Veldhuis evenmin enthousiast. “Jarenlang zijn we bestookt met decentralisatieplannen. Men name de rottigheid werd in die warme saus opgediend. Nu er geld verdeeld moet worden, gebeurt dat weer centraal. Het lijken de jaren zeventig wel. Schande.”
Dat de norm voor behoud van de tempobeurs in 1995 wordt aangescherpt tot zeventig procent van de studiepunten in het eerste jaar, vindt hij zo gek nog niet. “Vijfentwintig procent was ook wel erg laag.” En die prijs van twee maal tweehonderdduizend gulden voor de twee instellingen die het meest aan onderwijsvernieuwing doen? Veldhuis: “Ach, het is een beetje on-Nederlands, zoiets. Ik heb er geen bezwaar tegen. Laten we het maar een bloemetje op een hoop ellende noemen.”
Een woordvoerder van het ministerie ontkent overigens dat het bedrag van 110 miljoen dat Veldhuis noemt juist is. Volgens hem gaat het om 52 miljoen gulden collegegeld die dit jaar naar het ministerie toevloeien. “En dat is vanzelfsprekend; het collegegeld is niet bestemd voor de universiteiten, maar voor het ministerie. Het budget van de universiteiten staat los van het ontvangen collegegeld.” Dat er afspraken zijn gemaakt over de extra opbrengsten aan collegegeld ontkent het ministerie.
Bij NWO — de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, die via de zogenaamde ‘tweede geldstroom’ een groot deel van het onderzoeksgeld over de universiteiten verdeelt — begrijpt men weinig meer van het beleid dat minister Ritzen voor ogen staat. Nog maar een paar jaar geleden kondigde Ritzen aan het budget van NWO met 125 miljoen te verhogen, ten koste van de universiteiten. Na verzet van die laatsten bleef daar uiteindelijk 25 miljoen van over — ongeveer evenveel als nu via een pennestreek weer wordt weggehaald. “We zijn financieel dus weer terug op het punt van vijfjaar geleden. En dat is natuurlijk wel een domper,” aldus prof. dr H. Pinkster, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en bestuurslid van NWO.
Het grootste deel van de bezuiniging heeft NWO te danken aan een algemene maatregel van het kabinet: de komende vijfjaar worden alle overheidssubsidies met telkens één procent verlaagd. Dat wetenschappelijk onderzoek daarbij wordt gelijkgeschakeld met iets als huursubsidie, noemt Pinkster ‘willekeurig. “Heel ongerijmd,” vindt hij het om de wetenschappelijke infrastructuur van het land af te breken, waar elders wordt beleden dat die juist dringend moet worden versterkt. Het netto resultaat van de Miljoenennota — een forse verschuiving van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar research die onmiddellijk maatschappelijk relevant moet zijn — noemt Pinkster ‘kortzichtig’ en ‘onverstandig’, maar passend in een trend die al langer aan de gang is.
Dr Piet Vroon, hoogleraar psychonomie te Utrecht en befaamd kruisvaarder tegen alles wat afdoet aan de luister en schoonheid van de universiteit, staat er niet van te kijken dat op het hoger onderwijs verhoudingsgewijs meer wordt bezuinigd dan op het primair en secundair onderwijs. Hij had van deze regering ‘niet anders verwacht. Vroon legt uit dat bij psychologie de verhouding studenten/docenten begin jaren zeventig tien op één was, en dat die inmiddels is verworden tot veertig op één.
Goed, dat heeft weinig met de huidige begroting te maken, maar ter illustratie… Hij vindt het prima dat de normen voor de tempobeurs verhoogd worden.
En hij is voorstander van de suggestie al snel te selecteren: studenten die tot wetenschappelijk onderzoeker kunnen en willen worden opgeleid, moeten een apart studieprogramma kunnen volgen, een leerweg die direct toegang geeft tot het aio-schap.
Vroon blijkt al in een eerdere fase voor selectie te zijn, en wel bij de poort van de universiteit. “Gewoon een vergelijkend examen. Als een faculteit vijfhonderd plaatsen heeft en er melden zich duizend eerstejaars aan, dan nemen we gewoon de beste helft. Ja, het aantal plaatsen kan de faculteit het beste zelf bepalen, in goed overleg.” Dat hij zich met deze stellingname op de rechterflank van het politieke spectrum begeeft, interesseert hem niets. “Meneer, ik weet niets van politiek. En ik weet niet wat iedereen zegt of heeft gezegd.”
PAUL ARNOLDUSSEN en PETER VERMIJ