Geen beroep staat in de Verenigde Staten zo slecht bekend als dat van de letselschadeadvocaat. Maar sinds kort heeft het land een vice-presidentskandidaat die zich niet schaamt er een geweest te zijn. Kan John Edwards de advocatuur van zijn imagoprobleem bevrijden?
IN zijn eind vorig jaar gepubliceerde boek getiteld Four Trials beschrijft John Edwards, kandidaat voor het Amerikaanse vice-presidentschap, vier van zijn meest gedenkwaardige rechtszaken. In drie daarvan eiste hij vergoedingen voor leed dat kleine kinderen was aangedaan; in alle vier nam hij, uit naam van eisers van bescheiden komaf, de handschoen op tegen grote, gevestigde belangen.
Onmiddellijk nadat Democratisch presidentskandidaat John Kerry hem begin juli aanwees als zijn running mate, beschuldigden politieke tegenstanders Edwards ervan ‘oneerlijk’, ‘ondeskundig’ en ‘links’ te zijn. Maar bovenal, aldus de Republikeinse campagnemachine, was hij ‘een vriend van letselschadeadvocaten’.
Het aanroepen van advocatuur-vijandige sentimenten in de Amerikaanse samenleving is meestal een effectieve politieke methode. De vraag is of dat bij Edwards ook het geval zal zijn.
Perry Mason
John Edwards wordt in 1953 geboren in de zuidelijke staat South Carolina als kind van een opzichter in de textielindustrie.
Als kind, schrijft hij in Four Trials, raakte Edwards betoverd door tv-series als The Fugitive en Perry Mason. In de laatste ontmaskert een advocaat, via speurwerk en kruisverhoor, gewetenloze schurken; in de eerste ziet een voortvluchtige professor, verdacht van moord op zijn vrouw, zich genoodzaakt zelf zijn onschuld te bewijzen. Elf jaar oud schrijft Edwards in een opstel (Waarom ik een advocaat wil worden) ‘onschuldige mensen te willen beschermen tegen blinde justitie.’
De advocaat als Robin Hood, die nooddruftigen beschermt tegen hogere machten — het is nog steeds de rol waarin Edwards zichzelf ziet en die hij ook in de verkiezingscampagne zal spelen. In de woorden van Kerry, zijn baas: ‘John wijdde zijn carrière aan het representeren van gezinnen en kinderen die getroffen werden door de onverschilligheid en nalatigheid van anderen. Pal staand tegenover de machtige verzekeringsindustrie en hun legers van advocaten hielp John deze gezinnen om, in de donkerste tijd van hun leven, enorme moeilijkheden te overwinnen.’
Dat deze onbaatzuchtige toewijding dankzij een systeem van no cure no pay ook voor Robin Hood lucratief uitpakte, doet er in Democratische ogen niets aan af.
Miljoenenclaims
De loopbaan van Edwards kwam goed op gang toe hij begin tachtiger jaren, als jongste firmant bij een respectabel kantoor in de hoofdstad van de staat North Carolina, een lastige zaak rond medische nalatigheid op het bord kreeg. Tot ieders verbazing overreedde de jonge Edwards de jury $3,7 miljoen schadevergoeding toe te kennen — in 1984 een record voor de staat.
Het zou niet bij één miljoenenclaim blijven. Tot zijn toetreding tot de Amerikaanse Senaat, in 1999, sleepte Edwards in ruim zestig zaken meer dan $150 miljoen binnen, becijferde het Amerikaanse Center for Public Integrity. Mede- en tegenstanders uit die tijd roemen zijn opmerkelijke vermogen juryleden (met name vrouwelijke) van zijn kant van de zaak te overtuigen, niet zelden met schaamteloos sentimentele pleidooien.
Zijn klimmende reputatie gaf Edwards al snel de mogelijkheid zich te beperken tot de meest schrijnende (en potentieel lucratieve) zaken. Sommige verzekeringsmaatschappijen verhoogden hun schikkingsbod zodra ze hoorden dat Edwards een zaak had geaccepteerd. Nog steeds besluiten verloskundigen in de VS, mede door Edwards’ vroege successen, bij het eerste teken van zuurstoftekort bij de foetus, tot een keizersnee — een gewoonte die onder medici ter discussie staat. Artsen behoren, met Republikeinen en het bedrijfsleven, tot de grootste voorstanders van pogingen juridische schadevergoedingen wettelijk in te perken.
Hoeveel Edwards zelf aan zijn overwinningen heeft overgehouden is onbekend, maar bij de Senaat meldde hij een persoonlijk vermogen van tientallen miljoenen dollars. Collega-advocaten waren de afgelopen jaren de belangrijkste sponsors van zijn miljoenen kostende verkiezingscampagnes.
Watertanden
Het levensverhaal lijkt genoeg te bevatten om politieke tegenstanders te doen watertanden. Want voor het Amerikaanse publiek zijn advocaten allang geen Perry Masons meer, maar inhalige, onbetrouwbare aanjagers van uit de hand gelopen schadevergoedingen en verzekeringspremies. Volgens opiniepeiler Gallup verdenkt tegenwoordig minder dan 20% van de Amerikanen advocaten van ‘hoge’ of ‘zeer hoge’ ethische standaarden, niet veel meer dan tweedehands-autoverkopers. Bij grote delen van de bevolking geldt ‘advocaat’ als een half scheldwoord.
De Republikeinse partij stelt op haar website simpelweg: ‘Edwards is niet alleen verplicht aan letselschadeadvocaten, hij is er zelf één!’ Vice-president Dick Cheney bouwde op die toon voort toen hij eind juli, in een toespraak op een medische faculteit, stelde dat Kerry en Edwards ‘aan de kant van letselschade-advocaten staan’ terwijl Bush en hijzelf de zijde van patiënten en dokters zouden kiezen. Edwards was als advocaat ‘zeer bedreven in het aanklagen van artsen,’ voegde Cheney daaraan toe.
Overtuigen
Toch is er gerede twijfel of een advocaat-vijandige strategie tegen Edwards niet als een boemerang zal werken. Doordat hij als advocaat alleen zeer schrijnende zaken aannam, kan hij onmogelijk van frivolous lawsuits worden beschuldigd. En als íemand het Amerikaanse volk kan overtuigen van het zegenrijke werk van de balie, ja zelfs van letselschadeadvocaten, dan is het wel Edwards, met zijn ontwapenende, romantisch-populistische stijl van argumenteren: zijn politieke aantrekkingskracht ligt recht in het verlengde van zijn uitzonderlijke vermogen jury’s te overtuigen.
Eén politieke tegenstander heeft die les al geleerd: Edwards Republikeinse voorganger als senator voor North Carolina volstond in zijn verkiezingscampagne van 1998 met tv-spotjes die zijn tegenstander etaleerden als ambulance chaser wiens rechtszaken de gezondheidszorg onnodig duur maken. Maar Edwards won, tegen de voorspellingen in.
De eerste aanwijzingen voor een nieuw Edwards-effect zijn al merkbaar. Volgens een in juli gehouden peiling van het weekblad Time ziet 55% van de Amerikanen zijn professionele achtergrond als bewijs dat de kandidaat ‘vecht voor gewone mensen tegen grote bedrijven’.
In Four Trials trekt Edwards zelf openlijk de parallel tussen de Amerikaanse politiek en haar rechtssysteem door jury’s te omschrijven als ‘democratieën in het klein’. Zijn in de rechtzaal gescherpte overtuigingskracht kan de Democraten helpen het Witte Huis te veroveren. En met Edwards als nieuwe ambassadeur zou ook de advocatuur, met zijn gedeukte imago, van zo’n overwinning de vruchten kunnen plukken.
John Edwards & John Auchard: Four trials. Uitg. Simon & Schuster, Dec 2003. ISBN 0743244974