Menu Close

Het perspectief van de underdog

Doodstraf-advocaat Bart Stapert keert terug naar Nederland

Advocatenblad, 2 november 2001

Twaalf jaar bestreed Bart Stapert (37) in de Verenigde Staten de doodstraf. Nu keert hij terug, met opmerkelijk veel begrip voor het Amerikaanse rechtssysteem. Nederland, vindt hij, kan nog wel iets van Amerika leren — zoals wat meer argwaan jegens het gezag.

Voor velen zal het een beetje als een verrassing komen, vermoedt hij zelf. Bart Stapert is immers vooral bekend als activist tegen de Amerikaanse doodstraf, die twaalf jaar terug besloot de strijd in dat land zelf te voeren. Nu keert hij terug met veel begrip, deels zelfs bewondering, voor het Amerikaanse rechtssysteem. Een systeem, denkt Stapert, waarvan Nederland nog wat zou kunnen leren.

`Eigenlijk vind ik het een fantastisch land,’ bekent Stapert. `Dat ik hier in Nederland niet weer de advocatuur inga, heeft daar ook mee te maken. Amerika bood mij als advocaat geweldige mogelijkheden. Die uitdagingen zou ik hier waarschijnlijk gaan missen — ik zou het werk voortdurend vergelijken met wat ik daar heb gedaan.’

Wat hij wél gaat doen houdt Stapert nog in het vage. Op termijn overweegt hij een gooi naar de Tweede Kamer. Maar eerst wil hij promoveren, in Utrecht, aan de universiteit die hem eerder dit jaar al eredoctor maakte. Een vergelijking moet het worden van de rechten van verdachten, enerzijds in de Amerikaanse Grondwet en anderzijds in het Europees Verdrag. `Niet om te kijken welke beter is, meer met een schuin oog op het Internationaal Strafhof.’

Terwijl ik hem spreek op een Amsterdams terras, breekt boven ons hoofd een zware regenbui los. Houdt Stapert er rekening mee dat Nederland in andere opzichten kan tegenvallen? `Ik ben een beetje bang voor de ontdekking dat dingen minder goed geregeld zijn dan ik altijd heb gedacht. Dat ik denk, nu ik met andere ogen naar ons rechtssysteem kijk: ‘wow, dat is in werkelijkheid helemáál niet zo goed voor elkaar.’’

Staperts Amerikaanse missiewerk begon in 1989, toen hij als net afgestudeerd jurist ging werken voor de Virginia Coalition on Jails and Prisons. Hij zocht pro-deo-verdedigers voor doodstrafzaken, en deed zelf ondersteunend feitenonderzoek. De wens om zelf als advocaat te werken leidde hem na vier jaar echter naar law school in New Orleans, in de Zuidelijke staat Louisiana.

In New Orleans verbreedde Stapert zijn werk naar andere dan doodstrafzaken, ook al bleven de laatste herkenbaar als rode draad. Maar de uitzichtloosheid van zulke zaken begon te knagen. `In doodstrafzaken ben je altijd te laat. Het slachtoffer is al overleden, en voor je cliënt is levenslang het hoogste wat je kunt bereiken. Ook zijn leven is in wezen dus voorbij.’

In St. Thomas, een arme, voornamelijk zwarte buurt van New Orleans, vond Stapert een manier om althans soms op tijd te zijn. Na het behalen van zijn bar exam creëerde hij, met financiële steun uit Nederland, een Community Law Center, vanwaaruit hij wijkbewoners als advocaat terzijde stond.

Hoe vaak heb je als doodstraf-advocaat succes gehad?

`Van de 75 zaken waar ik in al die jaren bij betrokken was, eindigden zeven in een executie. Maar daarbij maakte het veel uit in welk stadium we werden ingeschakeld.’

`Het eerste proces is verreweg het belangrijkst. Ik ben er gaandeweg van overtuigd geraakt dat je daar altijd de doodstraf kunt afwenden. Als je na afloop van een zaak met juryleden sprak, bleek altijd dat ze naar redenen hadden gezocht om niet de doodstraf te hoeven geven. Het is aan de advocaat om die redenen aan te voeren. Daar moet je tijd voor hebben, veel tijd.’

`Ons doel was álles van de cliënt op tafel te hebben. Met elk familielid wilden we praten, met iedereen die hem had gekend. Elk papiertje waarop zijn naam stond moest worden opgespoord — schoolrapporten, medische dossiers. Als we daarvoor het hele land moesten doorkruisen, dan deden we dat. Echt moeilijk is het vaak niet eens, wel heel intensief. De meeste collega’s hebben daarvoor niet genoeg tijd of geld. Het is ook een enorm verschil met Nederland: dat je als advocaat die dingen zelf moet verzamelen.’

`Als er eenmaal een doodvonnis ligt, wordt het veel moeilijker. Je stuit op een doolhof van procedurele regels. Vaak vind je iets waarvan je denkt: daar had ik in het strafproces wel iets mee kunnen doen. Maar als de advocaat tijdens de zitting bijvoorbeeld geen bezwaar heeft gemaakt, kan dat ook in beroep niet meer. Met elk beroep verminderen dus je opties. Vaak ben je alleen nog aan het tijdrekken. Daar word je niet vrolijk van: zorgen dat mensen twaalf jaar in de dodencel zitten in plaats van acht.’

`Onder collega’s wordt wel eens gezegd: we kunnen beroepszaken beter laten lopen, en al onze middelen inzetten voor strafprocessen. Cru gezegd: jammer voor die 3800 mensen die nu in de dodencel zitten, maar het is beter om te zorgen dat er geen nieuwe bijkomen. Voor mij was de afweging meer persoonlijk dan strategisch: ik vind het belangrijk dat beroepszaken gebeuren, maar zelf haalde ik er niet genoeg meer uit.’

Hoe sterk speelden die zeven executies daarin mee?

`Ze raakten me, maar toch was het goed ze mee te maken. Toen ik in 1989 aankwam was de doodstraf een abstractie. Tot ik opeens in de kelder van zo’n gevangenis stond, met één kamertje verder de elektrische stoel. Ik heb maar één executie bijgewoond, maar daaruit kwam wel een woede voort die me sindsdien heeft gedreven.’

`Tegenover die executies staat een geval waarin onze cliënt dankzij een nieuw proces vrij kwam. Zijn ex-vrouw kon zijn alibi bevestigen. Het duurde heel lang voor ik haar vertrouwen had gewonnen en haar bereid vond te getuigen. Eindeloos hebben we doorgesproken wat ze moest zeggen en wat niet. Als mijn getuige opkomt, weet ik precies wat gaat gebeuren, anders doe ik mijn werk niet goed.’

`Maar om dan ’s avonds iemand na tien jaar uit de dodencel op te halen… Het compenseert natuurlijk nooit die executie, maar het is ook een motor die je drijft.’

`Een interessant geval was die waarin we de juridische lijn louter gebruikten om tijd te winnen. Voor de rest kozen we volledig een politieke strategie. De toenmalige gouverneur wilde graag president worden en kreeg veel geld uit Hollywood. Al zijn geldschieters schreven we aan, zodat hij overal te horen kreeg: ‘kijk nog eens naar die doodstrafzaak’. Uiteindelijk kreeg onze cliënt gratie.’

Ooit was je optimistisch dat de VS de doodstraf zal afschaffen.

`Nou, dat is wel lang geleden. Nu denk ik dat mensen hooguit bereid zijn na te gaan of hij eerlijk wordt toegepast. Zelf ben ik er overigens van overtuigd dat het proces niet te verfijnen valt: je houdt altijd een vorm van willekeur, en racisme zal daarbij altijd een rol spelen.’

Sinds 1973 zijn al 98 mensen uit de Amerikaanse dodencel bevrijd, omdat achteraf bleek dat ze onschuldig waren. Wat zegt dat over die andere twee miljoen Amerikanen achter de tralies?

`Ik vraag me inderdaad wel eens af hoeveel onschuldigen levenslang hebben gekregen. Het zijn er relatief waarschijnlijk meer, omdat bij doodstrafzaken extra waarborgen zijn ingebouwd. Maar veel Amerikanen steken op dit punt de kop in het zand. Men kan zich niet veroorloven aan het systeem te twijfelen. Ik ken iemand die DNA-testen wil regelen voor gedetineerden met levenslange gevangenisstraf, maar daar is geen geld voor. Heel triest.’

Waar faalt het systeem? Is het de jury? Ongeoorloofd politie-optreden?

`Het systeem is gebouwd op de veronderstelling dat de officier van justitie en de verdediging even sterk zijn. Maar dat is een mythe. Op papier werkt het, maar alleen als de verdachte een goede advocaat kan betalen. In alle andere gevallen zijn de posities niet evenwaardig.’

`Met juryrechtspraak op zich is niets mis — soms vind ik jury’s eigenlijk beter dan rechters. Het is goed dat gewone burgers aan het rechtssysteem deelnemen. Natuurlijk word ik ook liever niet berecht door de eerste twaalf mensen die toevallig voorbijkomen. Maar wanneer je als advocaat wat kunt selecteren, kunt onderzoeken of ze een beetje eerlijk zijn, dan denk ik dat die twaalf mensen goed kunnen afwegen of mijn cliënt schuldig is. Die medeburgers staan dichter bij hem, en daarom kunnen ze soms rechtvaardiger zijn. Rechters, ook die in Nederland, weten niet hoe het is om van de bijstand te leven, en dan soms een klein beetje te sjoemelen. Juryleden hebben daar vaak meer zicht op.’

Toch zou ik, denk ik, voor een jury doodsangsten uitstaan.

`Ja, maar dat zou ik ook doen voor een rechter. Wij hebben in Nederland erg veel vertrouwen in rechters, maar ik weet niet of dat altijd terecht is.’ (Lachend:) `En dat zeg ik niet omdat ik met een Nederlandse rechter ga trouwen.’

`Ik geloof niet in objectiviteit, niet van jury’s en ook niet van rechters. Als ik iemand moet overtuigen dat mijn zwarte cliënt onschuldig is, dan selecteer ik liever twaalf burgers dan dat ik tegenover een blanke rechter sta wiens vooroordelen ik niet ter discussie mag stellen.’

`Ik vind het werken met jury’s ook ontzettend boeiend, dat speelt mee. Ik weet dat het soms weinig met recht heeft te maken, maar voor een jury leef ik me helemaal uit: een verhaal vertellen met zo veel mogelijk overtuigingskracht. Een vriendin van me maakt films, en we zeggen vaak hoe vergelijkbaar ons vak is. Ik presenteer een film aan de jury, maar sommige stukjes snij ik er uit. Dan zeg ik tegen een getuige: ‘vertel dat maar niet’, of ‘daar gaan we even anders mee om.’ Het geeft een enorme voldoening als de jury dan jouw film verkiest boven die van de officier van justitie. Die uitdaging, die dramatiek, die zal ik missen.’

In de VS gaat het vaak over racisme in de rechtspraak. In Nederland hoor je daar weinig over. Is dat terecht?

`Uiteindelijk komen we allemaal met onze eigen bril de rechtbank binnen. Vijftien jaar geleden verscheen een onderzoek waaruit bleek dat in Nederland werklozen zwaarder gestraft werden dan mensen met werk. Mij lijkt het interessant te onderzoeken of in de strafoplegging ook racisme bestaat: wat krijgen mensen voor vergelijkbare vergrijpen? Misschien is het al eens gebeurd, maar omdat we in Nederland niet zo streng straffen, zijn we er minder mee bezig. Een paar weken gevangenisstraf, dat maakt niet veel uit, is de gedachte. Het probleem is dat we teveel denken vanuit het perspectief van de rechtshandhaver, niet dat van de underdog. Voor de verdachte maakt het heel véél uit of hij de rechtbank in handboeien verlaat!’

`Het is een beetje als het Amerikaanse debat over racial profiling. Blanken zien het niet zo als een probleem — ik vind het ook wel prettig om ’s avonds op straat politie te zien. Maar zwarte jongens in St. Thomas zien dat heel anders: die kunnen niet meer over straat zonder te worden aangehouden.’

In de VS zit een op de tien jonge zwarte mannen achter de tralies. Zie je in Nederland vergelijkbare ontwikkelingen?

`De laatste keren dat ik hier was, werd ik getroffen door de parallellen. Of je nu praat over zwarte scholen of over selectief politieoptreden, je ziet groepen mensen ontstaan die niet meer met de rest van de samenleving interacteren. Ik las een reportage over Marokkaanse jongeren in Utrecht, en dat was zó vergelijkbaar met wat ik ken uit St. Thomas! Jongens die iets hebben van: dat is júllie samenleving, daar hoor ik niet bij. Die respect willen van de politie, maar tegelijk de politie als vijand zien.’

`Ik vind dat heel beangstigend, maar tegelijk weet ik ook niet precies wat je eraan kunt doen. De enige mogelijkheid is, denk ik, een echte dialoog aangaan. Dat vond ik in Amerika het ergste van de neergang van Clinton: hij was de eerste president die geloofwaardig was voor zowel zwarten als blanken. Hij had iets teweeg kunnen brengen. In Nederland zouden we zoiets ook moeten proberen: zorgen dat het probleem écht op tafel komt.’

In de VS wordt de situatie versterkt door speciale wetten voor ‘zwarte’ vergrijpen.

`Ik zie dat zelfde hier een beetje gebeuren als het gaat over dingen als preventief fouilleren. Na de aanslagen in New York en Washington hoor je Bram Peper op televisie roepen om een minister van veiligheid. Terecht waarschuwen vluchtelingenorganisaties dan: wie worden dan het eerst aangepakt? Dan zie je dat zulke argumenten finaal onder tafel verdwijnen. Hebben we hier in Nederland niet de jodensterren gehad? Het is toch duidelijk wie er dan worden uitgepikt — mensen die een beetje afwijken, de minderheden, de niet-blanken?’

Kan het Nederlandse rechtssysteem iets van de Amerikanen leren?

`Ik denk dat het Nederlandse systeem wat meer argwaan tegen machtsdragers zou kunnen gebruiken. Toen ik in New Orleans een Nederlandse stagiaire de rechtbank liet zien, vroeg ze: ‘wat doet al dat spul daar?’ Ik zeg: ‘Hoezo, dat is bewijsmateriaal — wapens, drugs.’ Toen vertelde ze dat in Nederlandse rechtbanken niemand dat eigenlijk ziet. Alles gaat op basis van een politieverslagje, zelfs de officier van justitie kijkt er niet naar. Ik stond echt met mijn oren te klapperen. Je gelooft toch niet zomaar een politieagent? Als je het al zo doet, dan wil je die agent toch op zijn minst vragen hoe het materiaal is vergaard en wat er daarna mee gebeurde? Ik wil geen argwaan kweken waar het niet nodig is — misschien gaat het allemaal goed omdat we goede politiemensen hebben. Maar misschien ook niet. Wie zal het zeggen?’

Hebben we in Nederland ‘Miranda-rechten’ nodig, om verdachten te beschermen tegen verhoren zonder advocaat?

`Ja, ik denk dat het individu tegenover de overheid en zijn ambtenaren te kwetsbaar is. Natuurlijk, in Nederland wordt niemand veroordeeld op alleen een bekentenis. Maar het blijft gemakkelijk om een verdachte tot het afleggen van valse verklaringen te brengen. Als je midden in de nacht door drie agenten wordt aangehouden, en je Nederlands is niet zo goed, dan voel je je bedreigd. Zeker vluchtelingen, wier ervaringen met de politie misschien niet positief zijn. Ik denk dat de politie nooit moet praten met verdachten zonder advocaat.’

`Twee jaar geleden werd ik zelf gearresteerd door de Amerikaanse immigratiedienst. Honderden mensen heb ik verteld wat ze in zo’n geval moeten doen: niets zeggen zonder advocaat. Maar zelf begin ik meteen te praten. ‘Dit moet een fout zijn, laat me die en die even bellen…’ Pas halverwege denk ik: wacht eventjes, ik moet mijn mond houden!’

`Mensen zijn kwetsbaar. In die zin ben ik misschien wel erg Amerikaans geworden: ik heb een groot wantrouwen opgebouwd tegenover de overheid.’

Related Posts