Een dezer dagen wordt duidelijk of de Verenigde Staten in 1992 met achteraf wetenschappelijke zekerheid een onschuldige man hebben geëxecuteerd.

Voor het eerst laat de gouverneur van een Amerikaanse staat, Virginia, bewijsmateriaal uit de zaak van een ter dood gebrachte veroordeelde op DNA-sporen testen. Wanneer onschuld inderdaad wordt bewezen, zou dat nieuwe wind in de zeilen geven van tegenstanders van de doodstraf, die tot nu toe alleen de onschuld wisten aan te tonen van tientallen nog in leven zijnde terdoodveroordeelden.
Mijnwerker Roger Coleman, die bij zijn executie verklaarde dat ‘een onschuldige man wordt vermoord’, werd veroordeeld voor de moord op zijn schoonzus, in 1981. Tot het schaarse bewijsmateriaal behoorden haren gevonden op het slachtoffer.
Het bewijs bleef bewaard omdat een forensisch deskundige in Californië een gerechtelijk bevel negeerde het terug te sturen naar Virginia. Hij was bang dat het daar zou worden vernietigd.
De angst was terecht, want het overige bewijsmateriaal, inclusief bebloede kledingstukken, verdween inderdaad.
Het weggooien van bewijsmateriaal na executies is gebruikelijk, wat heropening van doodstrafzaken ernstig bemoeilijkt.