Menu Close

Alles klaar voor DNA-test

Met een forse verbouwing is het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk in gereedheid gebracht voor een stroom DNA-tests. Die zal zeker op gang komen, nu de Eerste Kamer vorige week instemde met een wet die verdachten van ernstige misdrijven verplicht wat van hun bloed af te staan.

IN DE GEKOELDE opslagruimte van het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk staan de dozen hoog opgestapeld tegen de muren. Ze bevatten ‘stukken van overtuiging’, zoals ze in jargon worden aangeduid – sporen die te zijner tijd in een rechtszaak als bewijsmateriaal kunnen worden gebruikt.

De medewerkers van de afdeling Serologie kijken niet meer op van de voorwerpen die er worden binnengebracht. Spijkerbroeken, overhemden, slipjes en vagina-uitstrijkjes behoren tot het standaard-repertoire. Vaak ook gaat het om zakjes met schaam- of hoofdharen, of losgesneden stukjes vloerkleed. Zelfs complete autoportieren, bedden, tafels of losgeweekte stukken behang zijn in de loop der jaren binnengedragen. Alles met één doel: zoeken naar sporen, die de plaats van een misdaad kunnen verbinden met de persoon van een verdachte.

Er waren tijden dat die speurtocht zich voornamelijk beperkte tot het bepalen van de bloedgroep. Wanneer het bloed op de jas van de verdachte overeenkomt met dat van het slachtoffer – allebei type AB, bijvoorbeeld – dan is dat wel toevallig; slechts 3,6 procent van de bevolking heeft immers die bloedgroep.

In de praktijk is de bloedgroep echter maar heel beperkt bruikbaar. De helft van de bevolking heeft bloedgroep O – dus wat zegt het dan nog wanneer twee bloedtypen overeenkomen?

Sinds enkele jaren heeft de wetenschap een nieuwe manier in handen om een verdachte aan een misdaad te koppelen – of hem er juist van vrij te pleiten: de genetische vingerafdruk, ook wel DNA-test’ genoemd. In 1987 werd de methode in ons land voor het eerst toegepast, en sindsdien steeg het aantal rechtszaken waarin het werd gebruikt gestaag, tot ongeveer tachtig dit jaar. Binnenkort zal dat aantal zelfs explosief toenemen. Vorige week nam de Eerste Kamer een wetswijziging aan, waardoor verdachten van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven kunnen worden gedwongen wat bloed af te staan voor een genetische vingerafdruk. Vanaf begin volgend jaar, wanneer de wet waarschijnlijk ingaat, kan het aantal zaken in een klap groeien tot jaarlijks zeshonderd.

Voor het laboratorium in Rijswijk heeft de wetswijziging grote gevolgen. In de afgelopen maanden werden enkele verdiepingen ingrijpend verbouwd. Verscheidene afdelingen moesten inschikken om ruimte te maken voor laboratoria waar DNA-onderzoek kan plaatsvinden. Houden zich nu zeven mensen bezig met DNA-onderzoek, straks zal dat aantal verdubbelen.

Vliegramp

De genetische vingerafdruk wordt vooral gebruikt in zaken waarbij weefsel van een verdachte of een slachtoffer gekoppeld moeten worden aan een misdrijf, zoals een verkrachting of een dodelijke steekpartij. Maar het wordt ook om andere redenen ingezet: om te bewijzen dat een ouder en een kind bij elkaar horen, bijvoorbeeld, of om slachtoffers van rampen te identificeren. Na het vliegtuigongeluk in de Bijlmermeer konden dankzij DNA-onderzoek drie slachtoffers worden geïdentificeerd, waar dat met alle andere methoden niet was gelukt.

Het principe van de genetische vingerafdruk is niet eenvoudig – vandaar dat rond de test vaak een waas van geheimzinnigheid blijft hangen.

Aan de basis van de techniek liggen verschillen in het DNA van ieder mens. Hoewel je het aan de buitenkant vaak niet zou zeggen, zijn die verschillen niet zo bijster groot – 99,9 procent van het DNA van twee mensen is zelfs precies gelijk. In het resterende duizendste deel zitten de verschillen bovendien niet eens zozeer in uiterlijke kenmerken als haarkleur, oogkleur, lichaamslengte of wat dan ook. Het meest lopen we uiteen op stukken van ons DNA die er eigenlijk niets toe doen, al zijn dat er wel heel veel: het overgrote deel van het erfelijk materiaal van de mens bevat geen ‘echte’ erfelijke informatie. Juist op die plekken kunnen verschillen voortbestaan, omdat veranderingen er geen gevolgen hebben.

Inmiddels hebben wetenschappers honderden plaatsen op het DNA ontdekt waar de variatie in de bevolking groot is. Van een bepaald stukje DNA zijn, als rekenvoorbeeld, honderd varianten in omloop. Wanneer we het DNA van twee willekeurige personen op die plek vergelijken, is de kans dus ongeveer één procent dat het gelijk is. Datzelfde geldt, wanneer we zo’n DNA-patroon van een vermoedelijke verkrachter vergelijken met dat van een spermavlek in het slipje van een slachtoffer: wanneer de twee patronen op deze plek overeenkomen, is de kans slechts één op honderd dat die gelijkenis toevallig is.

Nu mag een kans van één op honderd klein lijken, absoluut bewijs is het zeker niet. Maar het handige van DNA-onderzoek is, dat de truc op verschillende plaatsen in het erfelijk materiaal kan worden herhaald. Zolang die stukken DNA niet vlak naast elkaar liggen, wordt de kans op een toevallige overeenkomst snel kleiner. Wanneer vier plekken gelijk zijn, praten we al gauw over een kans van 1/100 x 1/100 x 1/100 x 1/100, ofwel één op honderd miljoen, dat die gelijkenis toevallig is. En in een land waar vijftien miljoen mensen wonen tikt dat aan.

Maar toch, het aureool van onfeilbaarheid dat de genetische vingerafdruk omgeeft, is niet geheel terecht. In werkelijkheid hangt de betrouwbaarheid van de methode af van verschillende factoren. Hoe nauwkeurig werkt het laboratorium dat de test uitvoert? Hoe bepaalt men de kans op een toevallige gelijkenis?

Het Gerechtelijk Laboratorium is er uiteraard alles aan gelegen fouten te voorkomen. Zo zijn er na de verbouwing twee geheel gescheiden ruimten waarin bewijsstukken worden onderzocht. Analisten die van de ene naar de andere kamer gaan, laten hun witte jas achter; na elke analyse worden tafels en gereedschap gesteriliseerd. Wanneer per ongeluk een haar van de verdachte zou ‘overwaaien’ naar een vagina-uitstrijkje van het slachtoffer, zou immers een fatale vergissing gemaakt kunnen worden.

Ook in de rest van de procedure zijn controles ingebouwd. Potjes en buisjes worden door twee analisten samen verwerkt. Voor elke handeling van de een is een paraafje van de ander nodig – “soms krijg je er wel eens een lamme hand van,” verzucht analist Nico van der Geest. Op de analyse-platen, waar verschillende stukjes DNA met verschillende snelheden ‘overheen lopen’, worden controle-monsters aangebracht. Mochten de lijntjes van het DNA-patroon onverhoopt ‘scheeftrekken’, dan is dat snel te zien.

Omdat de rechter en de verdachte niet elke keer kunnen controleren of de proeven nauwkeurig zijn uitgevoerd, mogen genetische vingerafdrukken alleen worden gemaakt in een laboratorium dat tevoren op zijn betrouwbaarheid is onderzocht. Deze week kreeg het verbouwde lab in Rijswijk bezoek van een inspectieteam. Om in de toekomst verdachten de mogelijkheid te bieden een onafhankelijk tegenonderzoek te laten instellen, zal ook bij het Instituut voor Anthropogenetica van de Leidse universiteit een gecertificeerd ‘Ster-lab’ worden ingericht.

De tweede factor die de waarde van de genetische vingerafdruk bepaalt is fundamenteler van aard: hoe bereken je de kans dat de overeenkomst tussen twee stukjes DNA op toeval berust?

Genenbank

In Rijswijk heeft men, vertelt A.D. Kloosterman, hoofd van de sectie DNA, in de loop der jaren bloedmonsters van ruim driehonderd Nederlanders afgenomen – van medewerkers, stagiairs en zelfs gasten. Van elk te analyseren stukje DNA wordt in deze ‘genenbank’ bepaald hoeveel typen er in Nederland in omloop zijn en in welke frequentie.

De vraag is natuurlijk wel hoeveel zo’n Nederlandse databank zegt over bevolkingsgroepen met een niet-Nederlandse achtergrond. Stel dat een misdaad is gepleegd in een wijk waar veel Afrikanen wonen – kunnen de frequenties uit de Nederlandse databank dan zomaar worden toegepast?

In de Verenigde Staten, waar de verschillen in afkomst veel groter zijn, leidde dit probleem tot felle debatten in de wetenschappelijke gemeenschap. In Nederland hebben we daarvan geleerd, zegt Kloosterman: anders dan in de VS, waar in de rechtszaal zonder blikken of blozen werd gesteld dat de kans op een toevallige gelijkenis ‘één op tien miljard’ bedroeg, bouwt het Gerechtelijke Laboratorium een ruime veiligheidsmarge in. Kloosterman: “Wij rapporteren tegenwoordig alleen dat die kans, op basis van ons gegevensbestand, vele malen kleiner is dan één op de honderdduizend – ook al volgt uit de berekeningen een kans van één op honderd miljoen. Dat betekent, dat in de rechtszaak elke twijfel in het voordeel van de verdachte wordt uitgelegd.” Kloosterman sluit echter niet uit dat, naarmate de methoden verder worden verfijnd, kleinere toevalskansen zullen worden gemeld.

De groei van het aantal DNA-onderzoeken opent ook de weg naar een andere toepassing: niet het berechten van bestaande verdachten, maar het opsporen van nieuwe verdachten van misdrijven. Zoals de politie nu al bestanden met gewone vingerafdrukken heeft, die inbrekers jaren later aan een oude kraak koppelt, zo legt het Gerechtelijk Laboratorium vanaf nu een bestand aan met ‘rechtmatig verkregen’ DNA-patronen van oude zaken.

Wat Kloosterman betreft, verdwijnt niet elk DNA-patroon automatisch in de opsporings-computer: slachtoffers, vrijgesproken verdachten en bewezen onschuldigen blijven erbuiten. Er wordt nog nagedacht over manieren om te voorkomen dat een DNA-patroon uit het sperma van de partner van een verkrachtingsslachtoffer als dat van een potentiële dader wordt opgeslagen.

Ook zonder dat hoeven onschuldige Nederlandse mannen niet bang te zijn om, op grond van een DNA-patroon in de politiecomputer, onschuldig achter de tralies te verdwijnen, meent mr J.T.K. Bos van het ministerie van Justitie – een DNA-profiel op zich kan nooit voldoende grond zijn voor een veroordeling. Net als Kloosterman benadrukt hij bovendien dat de omvang van het opsporingsbestand altijd beperkt zal blijven – “zolang elke DNA-test nog een paar duizend gulden kost, zijn er nog aanzienlijke praktische beperkingen,” aldus Bos. Ideeën om een DNA-patroon van de voltallige bevolking op te slaan, of bijvoorbeeld van alle gekeurde dienstplichtigen, kunnen alleen daarom al snel naar de prullenbak worden verwezen. Kloosterman: “Bovendien – de techniek ontwikkelt zich zo snel, dat we over vijf jaar waarschijnlijk weer hele andere methoden gebruiken. Dan zou je weer helemaal overnieuw kunnen beginnen.”