Een op duizend hetero’s positief
De aidscampagne wekt nodeloos onrust, zei onlangs prof. J. Huisman: de kans op infectie is maar 1 op een miljoen. Een rekensom met, helaas, schaarse gegevens.
OM DE KANS op een besmetting na een ‘risicohandeling met een willekeurig persoon’ te berekenen, zijn in ieder geval twee gegevens nodig: de kans dat de toevallige partner seropositief is, en de kans dat de besmetting via de handeling metterdaad wordt overgedragen. Beide cijfers zijn niet zo eenvoudig te verkrijgen.
Hoewel dankzij de vrijwillige melding van nieuwe ziektegevallen ruwweg 95 procent van alle aids-patiënten bekend is, tasten we over het aantal seropositieven (mensen die wel met het virus zijn besmet zonder al ziekteverschijnselen te vertonen) nog grotendeels in het duister. In een artikel deze week in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde schatten dr J. C. Jager en anderen dat ons land begin dit jaar tussen de negen- en twaalfduizend seropositieven telde,
Ook voor de efficiëntie waarmee het virus zich via de ‘risicohandelingen’ kan verspreiden, moeten we het voorlopig met schattingen doen.
Cohort
De frequentie van seropositiviteit onder homoseksuele mannen wordt geschat aan de hand van enkele onderzoeken. Al jaren wordt een groep van 760 Amsterdamse homoseksuele mannen, die bij invang van de studie twee of meer relaties hadden, op de voet gevolgd. Eind 1989 had van dit ‘cohort’ 42 procent antistoffen tegen het aidsvirus – een percentage dat mede dankzij terugdringing van ‘onveilige seks’ nauwelijks meer toeneemt. Daarnaast vond de Amsterdamse GG&GD, die op verzoek aidstesten afneemt, onder 284 homoseksuele mannen 39 besmette bloedmonsters (14 procent).
Op basis van deze gegevens schatten onderzoekers dat van alle Amsterdamse homoseksuele mannen tussen de 10 en 30 procent seropositief is – gehanteerd wordt meestal 15 procent. Buiten Amsterdam denkt men aan 5 procent. De precieze kans dat de besmetting via één ‘anogenitaal contact’ wordt overgedragen is niet precies bekend, maar wordt geschat op ongeveer vier procent (1 op de 25 contacten). De kans neemt toe wanneer een van beide partners een andere geslachtsziekte heeft, of wanneer seksuele technieken worden gebruikt die de wand van het rectum kunnen beschadigen. Het gebruik van een condoom daarentegen reduceert de kans op besmetting aanzienlijk, zij het niet tot nul. Gewone condooms blijken in acht procent van de gevallen te scheuren of af te glijden. Bij extra stevige condooms gebeurt dit maar een op de dertig keer.
Condoom
Op basis van deze getallen zou in Amsterdam de gemiddelde kans op besmetting via één anogenitaal contact met een willekeurige partner 15 procent van 4 procent is 0,6 procent bedragen (1 op 117). Een consequent gebruik van een stevig condoom zou het risico kunnen reduceren tot 0,6 x 0,03 = 0,018 procent. Buiten Amsterdam zouden deze kansen op respectievelijk 0,2 procent en 0,012 procent uitkomen.
De epidemie onder heteroseksuele mannen en vrouwen kwam later op gang, betreft een minder homogene groep en wordt verspreid via minder effectieve handelingen. Duidelijke onderzoeksgegevens zijn nog dun gezaaid, en de schaarse onderzoeken geven niet meer dan een aanwijzing.
– In 1989 testte een Amsterdamse kliniek voor geslachtsziekten 350 bezoekers die tenminste vijf partners hadden gehad in het voorafgaande halfjaar. Niemand bleek besmet. Driehonderdvijftig anderen weigerden echter zich te laten testen. In een vergelijkbare groep van 80 mannen en vrouwen bleek 1 persoon positief.
– Van de 2,4 miljoen bloedmonsters die tussen 1985 en 1989 door bloeddonoren werden afgestaan, bevatten 66 (0,003 procent) antistoffen tegen HIV. De bruikbaarheid van dit resultaat is beperkt, omdat sinds het begin van de aids-epidemie risicogroepen wordt gevraagd niet als donor op te treden.
– De afgelopen jaren werden in Amsterdam en Groningen zwangere vrouwen systematisch op aids getest. Van de 4812 Amsterdamse vrouwen waren er 5 seropositief (0,1 procent). In Groningen leverden 2000 metingen geen enkele seropositieve uitslag op. In Amsterdam weigerde echter acht procent, en in Groningen één procent van de vrouwen deelname aan de test.
– De Amsterdamse GG&GD voerde in 1987 op verzoek testen uit voor 1000 heteroseksuele mannen en vrouwen. Drie van hen (0,3 procent) bleken seropositief.
Onderzoekers die zich aan een schatting wagen, menen dat ongeveer 0,1 procent van de heteroseksuelen in Nederland met HIV is besmet.
Ook de gemiddelde kans om tijdens één heteroseksueel vaginaal contact met een seropositieve partner besmet te raken is becijferd, en wel op ongeveer 0,1 procent. Samen met voornoemde schatting van de besmettingsgraad resulteert dit in Huismans kans van ‘een op een miljoen’. Overigens meldt 1 op de tien vrouwen ook anogenitale contacten te hebben, waardoor hun kans op besmetting al veertigmaal zo groot wordt.
Tegen zo’n kleine kans pleiten ook studies onder de vrouwelijke partners van 115 mannelijke seropositieven. Van hen bleek 17 procent besmet. Nadere analyse leerde dat de kans op besmetting niet afhangt van het aantal geslachtsgemeenschappen, maar van de eigenschappen van de seropositieve partner. Kennelijk is de een besmettelijker dan de ander.
Daarvoor zijn verschillende verklaringen. Zo worden sommige virusstammen gemakkelijker overgedragen dan andere. Het hebben van een andere geslachtsziekte, of ongesteldheid van de vrouw, kan de kans op besmetting flink vergroten. Ten slotte wordt verondersteld dat vlak na de besmetting en vlak voor het uitbreken van aids de ‘virulentie’, de mate van besmettelijkheid, hoger is dan in de tussenliggende periode.
Donorbloed
HIV kan ook worden overgedragen via orgaantransplantaties of bloedtransfusies. Op elke miljoen bloeddonaties slippen naar schatting vijf besmette bloedmonsters door de controle, omdat de donor weliswaar besmet is, maar zijn lichaam nog geen antistoffen heeft gemaakt. Wanneer zulk bloed wordt toegediend, is de kans op besmetting ongeveer 50 procent. Per toegediend bloedmonster is de kans op een aids-besmetting dus 0,00025 procent.
Ziekenhuismedewerkers kunnen besmet raken door zich te prikken aan besmette naalden of mesjes. De kans dat een verpleegkundige gedurende de carrière ooit langs deze weg besmet raakt, wordt bepaald met de formule 1 – (1 – a x b)(c x d), waarbij a staat voor het risico per ‘prikaccident’ (stel 0,35 procent), b voor de kans dat een patiënt seropositief is (0,5 procent), c voor het jaarlijkse aantal prikaccidenten (2) en d voor het totale aantal dienstjaren (30). Een Nederlandse verpleegkundige zou dan een kans lopen van ongeveer 1 – (1 – 0,0035 x 0.005)(2 x 30), oftewel 0,1 procent. Dat mag klein lijken, maar het zou wel betekenen dat tientallen als gevolg van zo’n ongelukje met HIV besmet zullen raken.
Aids-epidemie in Nederland
De aids-epidemie, die in ons land volgens een opgave van de Wereldgezondheidsorganisatie tot 1 oktober jongstleden 1443 slachtoffers eiste, bestaat in feite uit twee of drie verbonden deelepidemieën.
De epidemie onder homo- en biseksuele mannen begon het eerst, en is het verst gevorderd: 1158 (80 procent) van de patiënten tot nu toe behoren tot deze groep. De snelheid waarmee het virus zich verspreidt neemt af. Begin dit jaar verdubbelde het aantal nieuwe ziektemeldingen bij homoseksuele mannen elke 34 maanden. Aan het begin van de epidemie was dat nog 9 maanden.
De tweede epidemie, onder drugsverslaafden die elkaars injectiespuiten lenen, startte later, maar verspreidt zich nu het snelst. Tot nu toe werd bij 109 verslaafden aids vastgesteld, 8 procent van alle patiënten. Het aantal nieuwe gevallen verdubbelt elke 23 maanden.
Over het bestaan van een derde epidemie, onder heteroseksuele mannen en vrouwen, wordt nu weer getwijfeld. De vraag is of een deel van de 75 geregistreerde patiënten (5 procent) niet toch onder een van de eerste twee risicogroepen gerekend moet worden. Vorig jaar, toen nog wel van een heteroseksuele epidemie werd uitgegaan, berekenden onderzoekers een verdubbelingstijd van 20 maanden, destijds tussen die van de eerste twee deel-epidemieën in. De jongste cijfers geven geen verdubbelingstijd voor heteroseksuelen meer.
Voor zover nu bekend verstrijkt tussen de besmetting en het uitbreken van aids gemiddeld tien jaar, en ontwikkelt 54 procent van alle seropositieven binnen 10 jaar aids. In Nederland is de gemiddelde levensverwachting na de aids-diagnose opgelopen van negen maanden in 1985 tot zestien maanden in 1987. De kans dat een patiënt twee jaar na de diagnose nog in leven is, bleef de laatste jaren ongewijzigd, en bedraagt ongeveer 30 procent.
Een besmetting met HIV kan worden opgelopen door middel van risico-handelingen met iemand die ‘seropositief is. De belangrijkste risico-handelingen zijn ‘anogenitaal’ geslachtsverkeer (‘kontneuken’), het uitwisselen van besmette naalden, vaginaal geslachtsverkeer en het blootstellen van wondjes aan besmet bloed of sperma.