Menu Close

Chinese vogel kon echt vliegen

IN WAT OOIT de bodem was van een Prehistorisch Chinees meer, hebben onderzoekers de fossiele resten aangetroffen van een dier dat het raadsel rond het ontstaan van vogels zou kunnen oplossen. Het opgegraven diertje, ‘Sinornis’ gedoopt (Chinese vogel), viel 135 miljoen jaar geleden in het water, waar hij snel bedekt raakte onder een laagje zand. Daardoor bleven zijn botten bewaard, en kunnen ze nu helpen de brede kloof tussen de fameuze Archaeopteryx en de oudst bekende vogels te overbruggen.

De vraag hoe zich uit kruipende dinosauriërs vliegende vogels hebben kunnen ontwikkelen, is een van de grote resterende mysteries in de evolutie. De vondst van Archaeopteryx, een 150 miljoen jaar oude dinosauriër met duidelijk zichtbare sporen van veren aan de armen, was daarom al een grote doorbraak. Maar Archaeopteryx was zeker geen vogel, en kon – te oordelen naar zijn botten – niet meer dan vanaf een rotspunt naar beneden zweven of een beetje zielig in het rond fladderen.

Uit de erop volgende periode van ongeveer vijftig miljoen jaar, die door geologen wordt aangeduid als het ‘Onder-Krijt’, werden tot nu toe geen complete skeletten van overgangsvormen opgegraven. Vanaf het moment dat gevleugelde dieren als fossielen opdoken, ging het direct om échte vogels – zij het dat ze niet konden vliegen. Ze leefden in het water, naar schatting honderd miljoen jaar geleden.

Onduidelijk bleef dus hoe de evolutie van de vogel zich had voltrokken, een gegeven dat ook door bestrijders van de evolutietheorie dankbaar werd benut.

De ontdekking van Sinornis, vorige week gerapporteerd in het Amerikaanse tijdschrift Science (p. 845), komt daarom voor paleontologen als een geschenk uit de hemel. Want het skelet vertoont voor het eerst niet alleen typische kenmerken van een ‘moderne’ vogel, maar ook primitiever eigenschappen die doen terugdenken aan zijn voorouder, de dinosauriër. Voorbeelden van de laatste zijn de korte snuit, de aanwezigheid van tanden, een dinosauriër-achtig schaambeen en ribben ter hoogte van de maag.

Dat Sinornis, die de afmetingen van een zwaluw heeft, desondanks als een vogel gezien moet worden, blijkt bij voorbeeld uit het feit dat de vleugels van het skelet helemaal ingevouwen waren. Vogels gebruiken deze mogelijkheid om hun vleugels te beschermen wanneer ze niet nodig zijn om te vliegen. Kleinere vogels maken er ook gebruik van tijdens de vlucht, op het moment dat de vleugels weer omhoog worden gebracht. Bij dode vogels, zoals het opgegraven exemplaar, trekken de vleugels zich meestal krampachtig samen.

Veel meer dan Archaeopteryx was Sinornis een gespecialiseerde vlieger. Op zijn vleugeltoppen zijn de klauwtjes verdwenen, en de korte romp en staart maken de gewichtsverdeling ideaal voor de vlucht. Het borstbeen en de schouders bieden niet alleen ruimte aan dikke bundels vliegspieren, maar hebben ook de uitsteeksels om ze te laten aangrijpen.

De aanwezigheid van sterke klauwen met een opponeerbare duim, noodzakelijk om te klimmen of op boomtakken te staan, leidt de onderzoekers tot de veronderstelling dat Sinornis zijn leven hoofdzakelijk in boomtoppen doorbracht.

Niet alle paleontologen zijn overigens onder de indruk van de vondst: sommige vinden dat Sinornis weinig nieuws toevoegt aan twee eerdere vondsten van primitieve vogels, in Spanje en Mongolië, al waren die verre van compleet. Paul Sereno, van de universiteit van Chicago, die het fossiel samen met zijn collega Rao Chenggang van het natuurhistorisch museum in Peking ontdekte, houdt echter vol dat de gedetailleerde resten van de vleugels de kennis over de evolutie van.vogels drastisch zal uitbreiden.

FOTO PAUL SERENO EN RAO CHENGGANG Sinornis kon niet alleen vliegen, maar ook op een tak zitten.

Related Posts