Menu Close

Banaan als betaalbaar aids-vaccin

Terwijl in Thailand het eerste aidsvaccin wordt getest, twijfelen deskundigen steeds openlijker aan de zin van zulk onderzoek. Want zelfs als dat vaccin zal werken – en de kans daarop is klein – ontbreekt het geld om het te bezorgen waar het moet zijn: in de Derde Wereld. ‘Het is tijd om de omvang van de epidemie serieus te nemen, vindt ook de Amsterdamse viroloog Jaap Goudsmit. Samen met een Amerikaanse plantengeneticus werkt hij aan een aidsvaccin dat voor iederéén bereikbaar is.

ACHT JAAR geleden leek het groot nieuws voor de Derde Wereld, waar vele honderden miljoenen mensen het gevaar lopen besmet te raken met het hepatitis-B-virus, dat dodelijke leverbeschadigingen kan veroorzaken. Dankzij genetisch gemanipuleerde gistcellen was er eindelijk een vaccin, zodat de ziekte in een klap van de aardbodem kon verdwijnen.

Inmiddels weet men daar beter: ondanks het bestaan van een vaccin gaat de opmars van het hepatitis-B-virus onverminderd door.

Het hepatitis-vaccin, zo stelde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) lange tijd, was te duur: 165 gulden voor de benodigde drie doses is voor ontwikkelingslanden onbetaalbaar. A dollar a dose werd de slogan – maar toen de fabrikant kortgeleden eindelijk aan die noodkreet tegemoet kwam, stond de WHO in haar hemd: zelfs bij die kostprijs ontbreekt eenvoudig het geld om de noodzakelijke 300 miljoen vaccindoses te kopen.

De les uit deze nog verse geschiedenis is even duidelijk als pijnlijk: ook al was er morgen een werkzaam en veilig aidsvaccin, dan nog zou de epidemie in Afrika, Azië en Zuid- Amerika over tien jaar onverminderd voortrazen.

Te optimistisch

De kans dat er morgen een goed aidsvaccin bestaat, is voorlopig nog bijzonder klein – zelfs voorspellingen over ‘een vaccin rond het jaar 2000’ beschouwen aids-onderzoekers langzamerhand als te optimistisch. Belangrijke oorzaak: de ontwikkeling van een vaccin is overgelaten aan de farmaceutische industrie, die niet staat te trappelen om miljarden te investeren in een produkt waarvoor geen kopers zijn.

Uit het vaccin-onderzoek weten we inmiddels wel dat apen tegen aids-infecties worden beschermd door twee soorten vaccins. De eerste bestaat uit levende virussen, die eerst zijn verzwakt. De tweede soort lijkt op het hepatitis-B-vaccin: genetisch gemanipuleerde eencelligen maken een stof die voorkomt op de buitenkant van het aidsvirus – een manteleiwit. Een injectie met dit eiwit, in de maanden erna nog tweemaal herhaald, geeft een reactie van het afweersysteem die infectie kan voorkomen.

Omdat het inspuiten van verzwakte, maar levende aidsvirussen bij gezonde mensen van meet af aan als te riskant is beschouwd, zijn alle nu ontworpen vaccins – meer dan een dozijn – gebaseerd op een manteleiwit. In mei, zo werd onlangs bekend, zullen in Thailand voor het eerst dertig onbesmette vrijwilligers zon vaccin krijgen toegediend. Als dat veilig blijkt, en de proefpersonen tonen een afweerreactie, wil de WHO op groter schaal experimenten organiseren – in Thailand, maar ook in Brazilië, Rwanda en Oeganda.

De kans dat die experimenten slagen is echter maar heel klein, al was hét maar omdat de fabrikanten hun vaccins, met het oog op de afzetmarkt, op westerse landen hebben gericht.

Dat betekent niet alleen dat de vaccins peperduur zijn – de drie injecties kosten bij elkaar meer dan vierhonderd gulden – maar ook dat ze waarschijnlijk alleen werken tegen één virusstam, HIV-type-B. Dat type komt bij ons vrij veel voor, maar is in ontwikkelingslanden vrijwel afwezig.

Omdat potentiële klanten in het westen weinig trek zullen hebben in een vaccin met nare bijwerkingen, was voor de ontwikkelaars bovendien de veiligheid, en niet de effectiviteit van hun produkten prioriteit nummer één. Daardoor roepen de vaccins op zijn best een lichte afweerreactie op, waarschijnlijk te gering om immuniteit te garanderen.

Grote vraag is verder of een manteleiwitvaccin besmetting kan voorkomen wanneer het binnenkomende virus diep zit verstopt in het DNA van een cel – een situatie die bij andere virussen nooit optreedt. Een ander belangrijk kenmerk van HIV, zijn buitengewone vermogen om van gedaante te veranderen, is nog nauwelijks goed in kaart gebracht.

WHO-eisen

Wanneer deze wetenschappelijke vragen zullen zijn opgelost, resteren nog de eisen die de Wereldgezondheidsorganisatie aan een wereldwijd bruikbaar vaccins stelt. Zo is één dosis niet genoeg, kunnen de vaccins niet tegen tropische temperaturen en zijn ze dermate high tech dat ze onmogelijk in ontwikkelingslanden te maken zijn – sterker nog, het is de vraag of er in westerse landen genoeg van te produceren is.

De meeste van die problemen kleven ook aan het Nederlandse aidsvaccin, waarvan het prototype momenteel in het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven wordt aangemaakt. Bij dat vaccin stond, zegt de Amsterdamse viroloog dr Jaap Goudsmit, meer dan bij andere de effectiviteit voorop. Als eersten namen hij en dr Ab Osterhaus bijvoorbeeld virusvarianten die vooral een rol spelen bij de eerste infectie – NSl-varianten’, in vaktaal. Daarnaast gebruikten ze een afweerversterkend middel dat nog nooit in mensen is toegepast. Volgend jaar zal het vaccin worden getest op chimpansees en, als dat goed gaat, op proefpersonen in Nederland en Frankrijk.

Voor het werkelijk tot staan brengen van de aids-epidemie hebben maar drie opties enige kans van slagen, betoogde Goudsmit eerder deze maand tijdens een bijeenkomst van de Amerikaanse Rockefeller Foundation. Alle drie staan ze, voorzichtig uitgedrukt, nog in de kinderschoenen.

De eerste optie is het ontwikkelen van levende aidsvirussen als vaccin – hoe riskant dat ook moge lijken. “Achteraf kun je zeggen dat we niet genoeg hebben geleerd van de ervaringen met het poliovaccin,” meent Goudsmit. “Daar kwam de oplossing uiteindelijk van verzwakte en gedode virussen. Bij aids hebben we dat nooit goed geprobeerd. We hebben ons, samen met de farmaceutische industrie, meteen op de recombinant- DNA-vaccins gestort, omdat die techniek net beschikbaar was en alom werd gezien als de modernste en veiligste methode.”

De complicaties van vaccins gemaakt van levend aidsvirus zullen echter niet een-tweedrie verdwijnen. Weinig mensen zullen zich waarschijnlijk vrijwillig laten inspuiten met HIV, ondanks de verzekering dat uit het virus eerst enkele genen zijn verwijderd.

Een tweede optie ligt volgens Goudsmit in methoden afkomstig uit nog jonge vormen van ‘gentherapie’: het in het lichaam spuiten van stukken virus-DNA in plaats van viruseiwitten. ‘Kaal’ DNA is veel goedkoper te maken dan manteleiwit-vaccins, en het is veel gemakkelijker te distribueren – Goudsmit: “DNA versturen we hier gewoon over de post.”

Dat vaccinatie via kaal DNA niet helemaal science fiction is, bewijst recent Amerikaans onderzoek. Muizen die in hun spierweefsel DNA van het griepvirus kregen ingespoten, bleven immuun voor latere infecties. In de VS zijn verschillende onderzoekers al begonnen de techniek uit te werken voor toepassing bij het aidsonderzoek.

De derde optie is volgens Goudsmit dermate interessant, dat hij inmiddels samenwerkt met de Amerikaanse onderzoeker die het idee sinds enige tijd propageert: genetisch gemanipuleerde planten als goedkope producenten van vaccins.

In december 1932 publiceerde plantengeneticus dr Charles Arntzen, van de Texas A&M University in Houston, de resultaten van zijn poging om het hepatitis-B-vaccin door een tabaksplant te laten namaken. De poging lukte wonderwel: de plant produceerde, nadat via een bacterie de genen van het geelzuchtvirus waren ingebouwd, een duidelijk meetbare hoeveelheid virus-eiwit. Het gezuiverde eindprodukt leek bovendien precies op het vaccin dat nu via gemanipuleerde gistcellen wordt gemaakt. Belangrijker nog was, dat menselijke antistoffen tegen het geelzuchtvirus het ‘plantaardige’ vaccin bleken te herkennen.

Stuiver

Het doel van Arntzen ligt uiteindelijk verder: het maken van ‘eetbare vaccins’, ingebouwd in gewone voedingsgewassen, en dus betaalbaar en produceerbaar in de landen die ze het meest nodig hebben. Zijn gedachten gaan vooral uit naar de banaan – een tropische plant, reeds geteeld en gegeten in grote delen van Afrika en Zuid-Amerika en gemakkelijk te testen op apen. Bananen met elk één tot tien milligram viruseiwit zouden voor minder dan een stuiver per stuk op de tropische markten te krijgen moeten zijn.

Voordat het zover is, zullen er nog een aantal belangrijke vragen moeten worden opgelost.

Zo is het nog de vraag of planten met het ingebouwde virus-gen in hun weefsels voldoende virus-eiwit maken – in de praktijk is zelden meer dan een paar procent van het eiwit van genetisch gemanipuleerde planten van ‘vreemde’ oorsprong. Voor industriële zuivering is dat waarschijnlijk veel te weinig – opeten van de hele plant is waarschijnlijk de enig haalbare weg, en hoeveel planten dan nodig zijn om immuniteit te krijgen is nog volstrekt onduidelijk.

Ingewikkelder is het probleem dat het opeten van eiwitten doorgaans niet leidt tot immuniteit tegen die eiwitten. Onderzoek van de laatste jaren leert juist dat het lichaam afleert eiwitten aan te vallen wanneer ze via het maagdarmkanaal binnenkomen. Dat is alleen te voorkomen, wanneer de eiwitten zo worden gemaakt dat ze zich opvouwen tot een schijnbaar compleet, maar leeg virusdeeltje, dat zelfs de zuurste maagsappen kan doorstaan. Bij het Norwalk-virus, dat bij mensen diarree veroorzaakt, is dat al gelukt. Vanuit Amsterdam hebben Goudsmit en zijn medewerkers Arntzen inmiddels voorzien van een stukje HIV dat tot hetzelfde in staat lijkt: zich opvouwen tot een deeltje dat er van de buitenkant uitziet als een compleet virus, maar in werkelijkheid het grootste deel van het virus-DNA mist.

Het Amsterdamse virus-DNA wordt binnenkort in Houston ingebouwd in een aardappel – al is die plant uiteindelijk niet echt geschikt, omdat hij niet rauw, maar gekookt wordt gegeten. Die culinaire behandeling zal het virus-eiwit niet gemakkelijk overleven.

Het wachten is dus nog even op de voltooiing van een methode om genen zo in de bananeplant in te bouwen dat in de rijpe banaan virus-eiwitten zijn terug te vinden. Dat kan door de virus-genen te koppelen aan een gen dat alleen actief is in de rijpende vrucht.

De laatste belangrijke vraag is natuurlijk of het ‘banane-vaccin’ het afweersysteem voldoende kan voorbereiden op een infectie met het virus. Over drie tot vier jaar, hoopt Goudsmit, zal het project zo ver zijn gevorderd dat dat net als bij hepatitis in muizen is aangetoond. Pas daarna kunnen de bananen bij apen en later mensen, worden uitgeprobeerd.

Of het bananevaccin de oplossing voor de aidsepidemie zal betekenen is twijfelachtig, vindt ook Goudsmit zelf: “Het is maar een van de tachtig ideeën die moeten worden ontwikkeld en beproefd. Het belangrijkste is, dat we onszelf eindelijk eens dwingen om iets te bedenken dat werkelijk een oplossing biedt voor het maatschappelijke probleem waarmee de wereld wordt geconfronteerd. Ik dacht vroeger ook: als we het juiste HIV-vaccin maar eenmaal hebben. Pas toen ik met hepatitis-onderzoekers sprak begreep ik, dat dan het probleem pas echt begint. Miljarden jonge, produktieve mensen worden wereldwijd bedreigd door het aidsvirus, en tot nu toe is er in feite nog niets voor hen gebeurd.”

Poliovaccin

Daarin zal weinig verandering komen, vreest Goudsmit, tenzij de wereldgemeenschap besluit voor de oplossing van het probleem niet langer het initiatief aan de farmaceutische industrie te laten. Een lichtend voorbeeld is voor Goudsmit de manier waarop het onderzoek naar een poliovaccin in de jaren vijftig resultaat opleverde. Grote fondsen van de Amerikaanse overheid – “het was niet toevallig dat president Roosevelt zelf polio had gehad” – werden ingezet om contracten met onderzoeklaboratoria af te sluiten. Die gecoördineerde aanpak leverde twee concurrerende vaccins op, die tot op de dag van vandaag goede diensten bewijzen.

Goudsmit: “Een ander voorbeeld: het Manhattanproject. Toen de Amerikanen in de Tweede Wereldoorlog wilden dat er snel een atoombom kwam, zetten ze niet een, maar zes laboratoria naast elkaar aan het werk – zolang er maar één was die zou slagen. Dat is precies wat er volgens mij moet gebeuren: er moet genoeg geld beschikbaar komen, van overheden, maar ook van donateurs en grote bedrijven, om een aantal verschillende ideeën parallel te ontwikkelen. Wat nodig is, is the right to fail – het recht om te falen zonder daarmee grote verliezen te lijden.”

Eén lichtpuntje ziet Goudsmit gelukkig al: op dezelfde bijeenkomst van de Rockefeller Foundation ontwaarde hij onder vertegenwoordigers van grote multinationals een groeiende ongerustheid over het desastreuze effect van de aidsepidemie op hun afzetmarkten – in grote delen van Afrika, en in de toekomst waarschijnlijk ook van Zuidoost-Azië, raken economieën ontwricht door het wegvallen van het produktieve deel van de bevolking.

Goudsmit: “Japan heeft kort geleden aangekondigd drie miljard dollar in het aidsonderzoek te gaan steken, terwijl ze zelf nog nauwelijks met aids te maken hebben. Ze beginnen zich daar ernstig zorgen te maken over de toekomst van hun belangrijkste groeimarkten in Azië. Niet de farmaceutische industrie raakt nu geïnteresseerd in de ontwikkeling van een goedkoop vaccin, maar bedrijven als Sony en Levi Strauss. Want al die jonge mensen die daar zullen sterven, kopen straks geen walkmans en spijkerbroeken meer.”

Related Posts