Amsterdamse druggebruikers hebben tussen 1986 en 1992 het lenen van gebruikte spuiten, en daarmee hun risico op besmetting met het aidsvirus, drastisch verminderd. Of methadonposten en spuitomruilprogramma’s daartoe hebben bijgedragen, valt niet te achterhalen.
Dat concluderen onderzoekers van de Amsterdamse GG &GD uit gesprekken met ruim zeshonderdduizend druggebruikers over een periode van zes jaar. Zij maakten hun gegevens gisteren bekend op de Internationale Aidsconferentie in Berlijn.
Uit de studie van onderzoeker Erik van Ameijden blijkt, dat in 1992 van alle ondervraagde druggebruikers nog maar twintig procent zegt het voorafgaande nalfjaar weleens een spuit te hebben geleend. In 1986 was dat nog de helft van de gebruikers.
Opmerkelijk is dat druggebruikers die meedoen aan een spuitomruilproject of gebruikmaken van methadonverstrekking, even vaak een spuit lenen als andere gebruikers. Volgens de onderzoekers betekent dat nog niet dat deze preventieprojecten niet helpen.
In werkelijkheid, vermoeden zij, profiteren gebruikers buiten de projecten mee van de informatie die aan de deelnemers wordt verstrekt. Ook algemene voorlichtingscampagnes hebben de verschillen tussen gebruikers binnen en buiten de preventieprogramma’s waarschijnlijk vertroebeld.
Dat deelnemers die meedoen aan het omruilproject van de GG & GD toch nog steeds spuiten lenen, is mede te verklaren doordat de omruilbalies ‘s nachts niet open zijn. De gemeente heeft inmiddels wel twee omruilautomaten geopend in het stadscentrum, maar voor gebruikers die plotseling besluiten een ‘shot’ te nemen, is dat meestal te ver weg.
Het aantal druggebruikers dat ondanks alle preventiemaatregelen wordt besmet met het aidsvirus, nam tussen 1986 en 1992 af met ongeveer zeventig procent. Van de Amsterdamse gebruikers die zeggen kort geleden nog injectiespuiten te hebben gebruikt, is nu ongeveer veertig procent seropositief.
Ondanks de ‘geweldige gedragsverandering’ die inmiddels is bereikt, geven de resultaten volgens GG & GD-onderzoeker Anneke van den Broek tegelijk aan dat de preventieprogramma’s verder moeten worden opgevoerd. Zij wijst erop dat nog steeds twintig procent van de gebruikers wel eens een spuit leent en dat die in bijna de helft van de gevallen met HIV zal zijn besmet.
Om ook in deze laatste gevallen de overdracht van het virus te voorkomen, is het volgens Van den Broek nodig dat gebruikers beter worden voorgelicht over manieren om geleende spuiten eerst schoon te maken. Sinds twee jaar worden op beperkte schaal folders verspreid waarin wordt uitgelegd dat reinigen met bleekmiddel of kokend water meestal afdoende bescherming biedt. Van den Broek: “Maar een foldertje verstrekken bij de methadonpost is niet genoeg.”
Onderzoek onder Amsterdamse druggebruikers leverde nog een mysterieuze uitkomst op: bij seropositieve gebruikers die het vaakst spuiten lenen van anderen, neemt het aantal afweercellen veel minder snel af dan bij gebruikers die nooit of zelden spuiten lenen. Wie in de voorafgaande jaren minder dan tien keer een spuit had geleend, had vijf keer zoveel kans om tussen twee opeenvolgende bezoeken aan de GG & GD onder de grens van 200 afweercellen per microliter bloed te zakken dan wie meer dan honderd spuiten had geleend.
Voor dit effect is, zegt onderzoeker Gerard Mientjes, nog geen goede verklaring. Mogelijk kan het virus zich in hun lichaam minder snel verspreiden, omdat geïnfecteerde afweercellen door de vele binnendringende ziekteverwekkers vrijwel geheel ‘plat’ liggen.