Menu Close

Aids-dissident voelt zich niet verslagen

Het moest het definitieve bewijs worden van het ongelijk van Peter Duesberg: Amerikaanse epidemiologen doken speciaal in hun gegevens, om de ‘alternatieve aids-hypothese’ van de recalcitrante viroloog naar het rijk der fabelen te verwijzen. Maar het slachtoffer geeft zich nog niet gewonnen.

AL VELE jaren weet Peter Duesberg, viroloog en kankeronderzoeker, de wereld van het aidsonderzoek het bloed onder de nagels vandaan te halen. Aanvankelijk alleen in gewone media, later ook in wetenschappelijke bladen, verkondigt hij met vuur dat HIV, het virus dat in 1984 door Montagnier en Gallo werd ontdekt, niets met aids te maken heeft – sterker nog, hij ontkent zelfs dat er een aparte ziekte als ‘aids’ zou bestaan. In zijn ogen is er sprake van 25 oude, losse ziektebeelden, die alleen ‘aids’ worden genoemd omdat de patiënt HIV in het bloed heeft.

Het Parool, 13 maart 1993, p. 28

De ineenstorting van het afweerstelsel is, volgens Duesberg, in werkelijkheid een gevolg van jarenlang gebruik van cocaïne of amfetaminen. Het sarcoom van Kaposi, een zeldzame vorm van kanker die bij aidspatiënten relatief vaak optreedt, ontstaat volgens hem door gedurende lange tijd poppers te inhaleren – een stof die het genot tijdens een vrijpartij verhoogt. Het wijdverbreide gebruik van AZT, een geneesmiddel dat de aanmaak van DNA in menselijke cellen remt, maakt de zaken alleen maar erger, aldus Duesberg: ‘gezonde’ mensen bij wie HIV wordt aangetroffen, slikken vaak AZT en beschadigen daarmee juist hun afweersysteem.

Het overgrote deel van de wetenschappelijke wereld neemt Duesbergs kruistocht niet serieus. Aidsbehandelaars zien wel degelijk een herkenbaar ziektepatroon, dat alleen optreedt bij mensen met HIV in hun bloedbaan. Lange tijd verkozen zij het dan ook om Duesberg te negeren. Daarmee dreven ze hem in de armen van populaire media, die zijn controversiële standpunten vaak onweersproken vertolkten.

Om daaraan definitief een eind te maken publiceerden vier epidemiologen deze week in het Britse tijdschrift Nature het lang uitgebleven weerwoord – een weerwoord dat in hun ogen geen ruimte voor discussie meer openlaat. Met Duesbergs kritiek als leidraad doken zij in het materiaal van hun San Francisco City Clinic Cohort – een studie die te vergelijken is met de Amsterdamse ‘cohortstudie’ onder homoseksuele mannen.

In San Francisco traden in 1984 meer dan 4500 jonge mannen toe tot een sindsdien nauwlettend gevolgde onderzoeksgroep. Zij werden de eerste keer onder meer ondervraagd over hun druggebruik in de voorafgaande twee jaar. Met die gegevens in de hand, zeggen de onderzoekers, kan de rol van druggebruik in het ontstaan van aids worden onderzocht. En, het valt nauwelijks te ontkennen, hun resultaten ogen alleszins overtuigend.

Wanneer het bestand werd onderverdeeld in hetero- en homo/biseksuele proefpersonen, bleken beide groepen ongeveer evenveel ‘zware’ druggebruikers te tellen – één of meer keren per week marihuana, cocaïne of amfetamine. In de acht jaren erna trad in de heteroseksuele groep geen enkel aidsgeval op, terwijl een kwart van de homo/biseksuele groep wel ziek werd. In al die ziektegevallen ging het om mensen die met HIV waren besmet.

Ook het gebruik van poppers werd bekeken. Net als bij de andere drugs bleken zware gebruikers van dit genotsmiddel vaker aids te krijgen dan lichte- of niet-gebruikers. Maar nader beschouwd bleek dat verband geheel te verklaren doordat zware gebruikers vaker met HIV waren besmet. Ook het door Duesberg genoemde verband tussen poppers en het sarcoom van Kaposi verdween als sneeuw voor de zon, wanneer de cijfers werden gecorrigeerd voor HIV-infecties.

Om bij voorbaat kritiek van Duesberg te pareren dat hun vondsten gebaseerd zijn op een cirkelredenering (aids = HIV dus per definitie alleen bij HIV-besmetting), keken de epidemiologen ook naar het aantal T4-afweercellen in het bloed van de proefpersonen. Tussen 1984 en 1992 daalde het aantal cellen bij HIV-besmette mannen – druggebruikers of niet – gestaag. Bij alle niet met HIV besmette proefpersonen bleef het aantal cellen constant. Opmerkelijk genoeg bleken druggebruikers gemiddeld zelfs iets meer afweercellen te hebben dan niet-druggebruikers – een waarneming waarvoor ook de onderzoekers geen verklaring hebben.

Vanuit zijn instituut in Berkeley laat Duesberg, gevraagd om een reactie op het Nature-artikel, weten niet overtuigd te zijn van de gepresenteerde gegevens – hij voelt zich allerminst verslagen. “Ik zie het zelfs als een kleine overwinning,” stelt de gehaaide Californiër. “Voor het eerst is men nu bereid over de kwestie te discussiëren. Dat is een stap vooruit.”

Volgens Duesberg bevat het betoog van de auteurs een drietal zwakke plekken. “Zo erkennen zij dat vóór 1984 epidemiologen druggebruik zelf ook als een van de mogelijke oorzaken zagen. Maar ze maken niet duidelijk waarom, toen HIV eenmaal was ontdekt, dat aspect opeens van tafel verdween.”

“In de tweede plaats is hun methode volstrekt ongeschikt om mijn hypothese te testen. Ik heb het over langdurig druggebruik – net zoals je van één sigaret geen longkanker krijgt maar van tien jaar kettingroken wel, zo krijg je van één keer cocaïne geen aids: the dose is the poison. Zij hebben mensen één keer gevraagd naar hun gebruik gedurende twee jaar. Daarmee weet je dus niets over hun gebruik over de lange termijn. Bovendien zijn interviews over druggebruik altijd onbetrouwbaar, en uit niets blijkt dat ze gecontroleerd hebben of men de waarheid sprak.”

Ten slotte, merkt Duesberg op, gaan de onderzoekers voorbij aan zijn stelling dat AZT storingen aan het afweersysteem veroorzaakt, niet oplost. “Dat HIV-besmette personen een dalend aantal T4-cellen hebben, verbaast mij niets: een groot deel van hen gebruikt, ook al zijn zij nog gezond, AZT.”

Denkt hij dat zijn vier plaatsgenoten serieus hebben geprobeerd zijn theorie te toetsen? Duesberg: “Nee, dat denk ik niet. Vorige week kwam ik ze nog tegen bij een gezamenlijk college, en toen hebben we er ook even over gesproken. Ik denk dat ze er op uit waren om mij pootje te lichten, omdat ik kortgeleden weer een groot artikel heb gepubliceerd.”

Duesberg geeft zijn pogingen nog niet op: van de Centers for Disease Control, de overheidsinstantie die zich in Amerika met de aidsepidemie bezig houdt, eist hij inzage in de statistieken om steun voor zijn ideeën te vinden.