Menu Close

‘Aidsvirus wint van afweer door fouten te maken’

Ondanks het vele onderzoek dat aan aids is verricht, is het mechanisme achter de ziekte nog niet geheel opgehelderd. Vorige week kwamen Britse en Nederlandse wetenschappers met een nieuwe theorie. Het aidsvirus maakt voortdurend ‘spelfouten’. Dat bemoeilijkt niet alleen het ontwikkelen van een vaccin, het is in wezen de enige oorzaak van het feit dat het afweersysteem de strijd tegen het virus verliest.

SINDS DE belangrijkste risicogroep van de ziekte aids, bestaande uit homo- en biseksuele mannen, zich massaal heeft bekeerd tot ‘veilig vrijen’, is in westerse landen het aantal nieuwe besmettingen met het aidsvirus flink afgenomen. Maar tegelijk neemt het aantal mensen dat het virus reeds enige jaren onder de leden heeft, en dus kans loopt de ziekte binnen afzienbare tijd ook echt te krijgen, snel toe.

In de grootste besmettingshaarden van De Verenigde Staten, zoals San Francisco, Los Angeles en New York, maar ook in Amsterdam, lijken deze twee trends zich momenteel even in evenwicht te houden. Het aantal mensen waarbij de diagnose ‘aids’ wordt gesteld, stabiliseert. Maar over de hele wereld hebben inmiddels, volgens de jongste schattingen van de Wereldgezondheidsorganisatie, ruim tien miljoen mensen het virus opgelopen.

Het is dus niet verwonderlijk dat de wetenschappelijke aandacht rond aids verschuivingen vertoont. De aandacht voor methoden ter preventie van nieuwe besmettingen neemt af, terwijl de bestudering van de periode tussen het moment van besmetting en het uitbreken van de ziekte, de ‘incubatietijd’, aan gewicht wint.

Want ondanks alle onderzoeksinspanningen, hangt rond die incubatietijd nog steeds een dichte mist. Hoe kan het dat sommige mensen vrijwel direct ziekteverschijnselen krijgen, terwijl anderen meer dan tien jaar zonder symptomen blijven? Wat gebeurt er in de tussentijd met het virus? Waardoor stort een afweersysteem dat jaren met succes tegen het virus heeft gestreden, later alsnog in?

Ondanks de grote individuele verschillen ni incubatietijd vertoont een besmetting met aids een karakteristiek patroon. Kort na de besmetting – meestal doorn seksueel contact of een besmette injectienaald – kan met laboratoriumtechnieken een groot aantal virussen in het bloed worden aangetoond. Te meten aan de concentratie van stoffen die een rol spelen bij het kopiëren van erfelijk virusmateriaal, vermenigvuldigt het virus zich bovendien razendsnel. De geïnfecteerde heeft in deze fase vaak last van lichte ziekteverschijnselen, zoals koorts, hoofdpijn, diarree of keelpijn. Na enkele weken verdwijnen die symptomen weer.

Enkele maanden later heeft het afweersysteem veel antistoffen tegen het virus aangemaakt, die in het laboratorium kunnen worden aangetoond. Tegelijkertijd wordt het steeds moeilijker om het virus in dat bloed terug te vinden. De eerste aanval lijkt afgeslagen.

Toch zit het virus in de erop volgende jaren niet stil. Het aantal T4-cellen, cruciale afweercellen waarop het virus het vooral heeft voorzien, neemt gestaag af. Aanvankelijk bedraagt het aantal T4-cellen nog acht- tot negenhonderd per mm3, maar dat zakt dan met zestig tot honderd per jaar. Wanneer het aantal T4-cellen onder de tweehonderd per mm3 bloed komt, is de totale instorting van het immuunsysteem nabij. Het virus ruimt de resterende T4-cellen snel op, waarna allerlei andere ziekteverwekkers vrij spel krijgen. Aan één van die infecties zal de patiënt ten slotte overlijden.

Vorige week lanceerden Britse wetenschappers, onder leiding van dr M. A. Nowak en in samenwerking met dr J. Goudsmit en dr T.F.W. Wolfs van de Universiteit van Amsterdam, in het wetenschappelijke tijdschrift Science een geheel nieuwe theorie om enkele kenmerken van de lange incubatietijd te verklaren.

Hun theorie is gebaseerd op een belangrijke eigenschap van het aidsvirus: het bevat geen enzym dat ‘spelfouten’ bij het overschrijven van de erfelijke code van het virus-RNA

 kan corrigeren. Elke keer dat een virus zijn eigen erfelijk materiaal inbouwt in een T4-cel, wordt gemiddeld één van de in totaal tienduizend ‘letters’ verkeerd overgeschreven. Daardoor blijft het virus binnen één persoon voortdurend veranderen. De eigenschappen van al die ‘mutanten’ kunnen flink verschillen: waar de ene variant zich maar langzaam verspreidt, kan de andere plotseling heel agressief blijken.

Tot nog toe zagen de meeste onderzoekers deze eigenschap als niet meer dan een lastige complicatie bij het ontwikkelen van een mogelijk vaccin. Maar de nieuwe theorie stelt dat deze voortdurende veranderingen juist de oorzaak zijn van de afbraak van het immuunsysteem. De onderzoekers ontwierpen een wiskundig model, dat beschrijft hoe de verschillende virusvarianten en het immuunsysteem elkaar tijdens de incubatietijd beïnvloeden. Zij nemen aan dat het afweersysteem tot op zekere hoogte best in staat is het virus te bestrijden. Problematisch wordt het pas, wanneer er vaak en veel nieuwe mutanten ontstaan, die met de reeds opgebouwde afweerreactie niet bestreden kunnen worden. Gedurende enige tijd kan zo’n mutant aan de afweer ontsnappen, en knaagt hij aan het reservoir van T4-cellen. Pas wanneer het afweersysteem ook tegen de nieuwe mutant een adequate reactie paraat heeft, stabiliseert de situatie – tot weer een nieuwe mutant ‘ontsnapt’.

Nadere bestudering van het hypothetische model leert dat het immuunsysteem de situatie de baas kan zolang het aantal virusvarianten binnen redelijke proporties blijft. Wanneer het aantal mutanten een kritische grens overschrijdt, moet het afweersysteem de strijd opgeven. Vanaf dat moment treedt een soort darwiniaanse evolutie op in een kort tijdsbestek: de mutanten die zich het snelst kunnen vermenigvuldigen, verdringen de minder snelle varianten in de strijd om de schaarser wordende T4-cellen. De variatie aan verschillende virustypen neemt dus weer af. Pas na deze laatste fase krijgen ook andere ziekteverwekkers ruim baan.

De Britten legden de berekeningen met hun model naast gegevens van twee besmette mannen die vanaf 1985 vijf jaar lang in het Amsterdamse AMC werden gevolgd. De een kreeg binnen enkele jaren aids, de ander bleef zonder symptomen. Wilde het model standhouden, dan zouden er overeenkomsten moeten zijn.

Zo zou het aantal virussen in het bloed vlak na infectie hoog moeten zijn, om vervolgens laag te blijven tot het moment dat ziekteverschijnselen optreden. In de tussenliggende periode zouden kleine viruspiekjes zichtbaar moeten zijn, afkomstig van mutanten die tijdelijk aan de afweer weten te ontsnappen. Daarnaast zou het aantal verschillende virusvarianten in de loop van de incubatietijd gestaag moeten toenemen, om bij het uitbreken van de ziekte weer af te nemen.

Inderdaad vertoonden de gegevens van de twee Amsterdamse mannen zo’n patroon. Maar natuurlijk is met twee proefpersonen zo’n verstrekkende theorie niet bewezen. Zo kan niet uitgesloten worden dat de behandeling met AZT en ddI van de man die aids ontwikkelde deels verantwoordelijk was voor de effecten.

De onderzoekers hopen daarom dat andere onderzoekers gegevens van veel meer patiënten met het model zullen vergelijken. Want als met het model inderdaad het mechanisme achter het verloop van aids is ontrafeld, dan zal dat consequenties hebben voor de behandeling van de ziekte. Een toekomstig vaccin zou in staat moeten zijn een binnendringend aidsvirus te beletten veel mutanten te produceren. Bovendien voorspelt het model, dat mensen die al met het virus zijn besmet zo snel mogelijk behandeld zouden moeten worden met chemische virusremmers (zoals AZT) of afweerversterkende middelen. Want wanneer na enkele jaren al een grote variatie aan virusmutanten is ontstaan, zou met de behandeling het uitbreken van de ziekte niet meer aanzienlijk worden uitgesteld.

Related Posts