Menu Close

Levend aidsvaccin is bijna dood

Het plan om een levend aids-virus te gebruiken als vaccin is van tafel — maar nog niet definitief in de prullenmand.

Nog maar kort geleden belichaamden ze de hoop op een werkzaam, zij het riskant aidsvaccin: acht Australische ontvangers van transfusiebloed, en de door aids besmette donor met wie het ooit begonnen was. Ze waren besmet, geloofden onderzoekers, door een virus dat er niet in slaagt hen ziek te maken.

Maar vorige maand viel de droom in duigen: van de negen geïnfecteerden blijken drie, meer dan 15 jaar na hun besmetting, toch aids te hebben gekregen. In hun bloed breidt het aantal virussen zich uit terwijl het aantal afweercellen begint te dalen, schreven hun artsen in het New England Journal of Medicine.

Die schokkende ontdekking sloeg niet alleen voor de patiënten een stille hoop de grond in: ze betekent ook, zo lijkt het, het einde van de hoop om met een levend aidsvaccin de epidemie te kunnen keren. Leken de Australiërs aanvankelijk immers te bewijzen dat het virus genoeg kan worden afgezwakt om het vleugellam te maken, nu heeft de redenering zich omgekeerd: als zelfs deze virussen uiteindelijk de kop weten op te steken, lijkt elke kans op een veilig levend vaccin verkeken. En dat klemt te meer, omdat het succes van dode aidsvaccins nog altijd uiterst twijfelachtig is.

Het ‘Sydney Bloedbank Cohort’ werden ze samen genoemd: de seropositieve bloeddonor, en acht mensen die, voordat in 1984 een bloedtest beschikbaar kwam, door transfusie met zijn bloed waren besmet. Nijver speurwerk van Australische onderzoekers had de bijzondere groep in 1992 aan het licht gebracht.

Geen van allen had, sinds de besmetting, nadelige gevolgen ondervonden: in hun bloed was geen virus meer te vinden, het aantal afweercellen bleef nagenoeg constant en van op aids wijzende infectieziekten hadden ze al helemaal geen last — en dat terwijl doorgaans de helft van de HIV-geïnfecteerden binnen een jaar of acht de diagnose ‘aids’ krijgt uitgedeeld. En allen droegen ze hetzelfde, zwaar gehandicapte virus bij zich: een aidsvirus waaruit, door een ongelukje bij het kopiëren, één belangrijk gen was verdwenen. Het gen, luisterend naar de naam nef, helpt het virus zich vanuit een besmette afweercel snel te verspreiden.

Het was dus niet zo vreemd dat het oog van aidsonderzoekers op de negen werd gericht: als dit virus sterk genoeg was om antistoffen op te wekken, maar te zwak om zijn slachtoffers ziek te maken, dan wees het de weg naar een potentieel aidsvaccin: een virus waaruit nef, met wellicht nog wat extra genen, was verwijderd.

Zulk optimisme werd gevoed door apenonderzoek: in Southborough, in de Amerikaanse staat Massachusetts, had aidsonderzoeker Ronald Desrosiers vier chimpansees ingespoten met een van nef ontdaan aidsvaccin. En deze apen, meldde hij in 1992, bleken immuun voor besmetting met het echte virus.

Zo veelbelovend zag het eruit dat twee jaar geleden tientallen Amerikaanse aidsbehandelaren, gefrustreerd door wat zij zagen als een impasse, zichzelf beschikbaar stelden voor een gewaagd experiment: ze wilden zich laten inenten met een levend aids-virus, waaruit Desrosiers het nef-gen had verwijderd.

Het heldhaftige aanbod kreeg uiteindelijk geen vervolg: Amerikaanse gezondheidsautoriteiten weigerden medewerking, alleen al omdat zelfs positieve resultaten in zo’n kleine groep proefpersonen weinig zouden zeggen: om de veiligheid van een levend aidsvaccin te testen, zijn eerder duizenden dan tientallen proefpersonen nodig.

Dat het heroïsche experiment niet doorging, hoeven de vrijwilligers achteraf niet te betreuren. In februari meldde een collega van Desrosiers, apenonderzoekster Ruth Ruprecht uit het naburige Boston, dat zij zestien makaken had ingespoten met een virus dat, naast nef, nog twee andere genen miste. Na verloop van tijd waren er drie wel degelijk ziek geworden.

Het bericht dat ook het Sydney Bloedbank Cohort begon ziek te worden, was daardoor geen echte verrassing meer voor insiders als Jaap Goudsmit, van de afdeling Humane Retrovirologie van het AMC in Amsterdam. ‘Voor mij werd het duidelijk toen iemand in ons eigen lab ontdekte dat een virus met drie beschadigde genen, zelfs in de reageerbuis, weet terug te komen,’ zegt hij. Daarmee, meent Goudsmit, kon de gedachte aan een vaccin in de vorm van een virus dat te zwak is om zich te vermenigvuldigen, bij het grof vuil: zolang het virus zich kan delen, en dat is voor een levend vaccin essentieel, zal het andere handicaps kunnen overwinnen.

Maar dat betekent volgens Goudsmit niet dat het zoeken naar een levend vaccin definitief moet worden opgegeven. Misschien, oppert de viroloog, is er een virus te vinden dat zich wel vermenigvuldigt, maar de CD4-afweercellen ongemoeid laat. ‘Daarom zoeken we nu naar mensen met veel virus in het bloed, maar ook veel afweercellen. We weten dat ze bestaan.’

Goudsmit, voorzitter van de wetenschappelijke adviseurs van het International Aids Vaccin Initiative dat in mei 25 miljoen dollar van Bill Gates mocht incasseren, heeft nog een goede reden om levende vaccins niet af te schrijven: de tientallen ‘dode’ vaccins die nu in ontwikkeling zijn, weet hij, gemaakt met kleine stukjes virus, zouden alle kunnen falen. Bij sommige wijzen de eerste resultaten weliswaar op de aanmaak van antistoffen en speciale afweercellen, maar of die een infectie kunnen voorkomen is zeer de vraag. Vorige week maakten de Amerikaanse National Institutes of Health de resultaten van een middelgrote proef bekend, waarin onder gevaccineerden nog steeds nieuwe infecties waren opgetreden. Slechts één ‘dood’ vaccin wordt nu op grote schaal getest, onder andere bij de Amsterdamse GG&GD, maar de kans dat dat vaccin echt bruikbaar zal zijn, acht Goudsmit ‘nihil’.

Toch vervalt de viroloog nog niet in pessimisme. ‘We hebben de laatste tijd geld gegeven aan zeer vernieuwende vaccins, met soms interessante uitkomsten. Ik zeg alleen: laten we het levende vaccin nog niet afschrijven. Laten we het kind niet met het badwater weggooien.’