Menu Close

Wetenschapsquiz leidt voornamelijk tot gekissebis

De eerste editie van de Nationale Wetenschapsquiz leverde veel lezers ernstige hoofdbrekens op. Niet zozeer omdat ze van wetenschap geen verstand hadden, maar omdat de quiz bol stond van flauwe strikvragen en onnauwkeurigheden.

HET ORGANISEREN van een jaarlijkse Wetenschapsquiz, een tvspel waarvan de vragen ruim van tevoren in dagbladen worden afgedrukt zodat de lezers mee kunnen spelen, is een aardig initiatief. De wetenschap kampt met een wat saai imago, en elke poging om dat beeld wat in vrolijke richting bij te stellen verdient alle steun.

De ‘Nationale Wetenschapsquiz’, georganiseerd door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en het VPRO-programma Noorderlicht, kon dan ook op ruime steun rekenen. Vrijwel alle grote Nederlandse dagbladen ruimden redactionele ruimte in om de 32 meerkeuzevragen over wetenschappelijke onderwerpen te publiceren. (Het Parool deed dat op 17 december.)

Inmiddels is het enthousiasme echter weggeëbd. Van alle kanten komt kritiek op de vragen en antwoorden die de organisatoren aan de lezers en kijkers hebben voorgelegd. Het waren domme weet-vraagjes, is de kritiek, en strikvragen om de deelnemers op het verkeerde been te zetten. Bovendien waren sommige vragen dermate moeilijk, dat de benodigde uitleg nauwelijks te geven was en daarom soms gewoon werd overgeslagen.

Een goed voorbeeld van een strikvraag was nummer 8: Hoeveel zwarte gaten zijn er ontdekt in het heelal? De keuze bestond uit: 64, 12 of geen.

Zwarte gaten zijn uitgebrande, ingekorte sterren. Hun dichtheid is zo groot, dat alles in de omgeving wordt aangetrokken zelfs lichtstralen die te dicht in de buurt komen. Daarom zullen we zwarte gaten per definitie nooit zien, ofzo men Wil ‘ontdekken. Dat verklaart het antwoord dat de organisatoren goed rekenden: geen. Toch zijn astronomen er wel degelijk van overtuigd dat ze zwarte gaten hebben opgespoord. Dat dit gebeurde via indirecte waarnemingen aan de baan van omringende sterren is in de natuurkunde niets bijzonders. Volgens Erik Kuulkers, promovendus bij het Amsterdamse Sterrenkundig Instituut, heeft tot nu toe een handvol zwarte gaten aan alle voorwaarden voldaan. Voor een astronoom stond het juiste antwoord er dus niet bij.

Ook vraag 5 was een strikvraag. Waarvoor dienen de buizen die de twee Kanaaltunnels rechtstreeks met elkaar verbinden? De adder zat verstopt in het woordje ‘rechtstreeks’ naast de buizen die via een servicebuis doorgang bieden aan monteurs en vluchtenden, zijn er óók rechtstreekse buizen die een luchtkussen voor de snelle trein moeten voorkomen.

Een tikje flauw oogde ook vraag 30, waar een olifant en zijn dompteur samen 5079 kilogram wogen. Hoeveel wegen ze samen ‘op een precisie-weegschaal’ wanneer de dompteur de olifant beklimt? De vragenstellers wilden testen of wij begrepen dat een object ‘lichter’ wordt wanneer het zich verder van de aarde beweegt. Inderdaad verschuift het zwaartepunt van de dompteur drie meter omhoog. Met de zwaartekrachtwet van Newton is dan uit te rekenen dat hij bijna een tiende gram lichter zou worden. , Bestaat zon precisieweegschaal? Nee, verzekert dr R. Muijlwijk van het Neder* lands Meetinstituut (NMI) in Delft: op een weegbrug die vijf ton kan wegen, mag je al blij zijn wanneer je een halve kilo meer of minder kunt registreren. Daar komt bij dat er meer effecten zijn dan alleen een verplaatsing in het zwaartekrachtveld. De afname van de opwaartse druk in de ijlere lucht zou de dompteur in dezelfde orde van grootte zwaarder maken. Zowel olifant als dompteur verbranden calorieën, en zetten dus gewicht om in koolzuurgas.

Hoe moet de deelnemer weten waar de vraagsteller op uit is? Deze problemen waren te omzeilen. Want uit de lucht gegrepen is de vraag niet: volgens Muijlwijk past het NMI om precies dezelfde reden een correctie toe op de kopie van de standaardkilogram, een staaf massief platina. De kopie, van roestvrij staal, is 1,6 centimeter dikker, en dus ligt zijn zwaartepunt 0,8 centimeter hoger. Daarom moeten alle gewichten die ervan zijn afgeleid met een factor 1,000 000 003 worden vermenigvuldigd.

Ronduit slordig was dat een aantal vragen dubbelzinnig of op zijn minst onduidelijk was geformuleerd. Zo sprak vraag 14 over ‘het aantal elementen’ waaruit de beroemde Hope-diamant bestaat. Dat hier werd gerefereerd aan chemische elementen één dus, koolstof was lang niet iedereen direct duidelijk.

In vraag 28 informeerde men naar de plaats ‘waar bij de stier Herman zijn nieuwe eigenschap zit. De betreffende eigenschap, het produceren van lactoferrine in de melkklieren, is bij stier Herman niet terug te vinden. Bedoeld werd dan ook het stukje DNA dat het recept voor de eigenschap bevat. Dat zit in miljarden van Hermans lichaamscellen, maar weer niet in alle: rode bloedcellen bevatten geen kernDNA, en ook in de helft van Hermans spermacellen ontbreekt het bewuste stukje. Kunnen al die cellen lactoferrine maken? Nee, want het stukje DNA is zo gemaakt dat het alleen wordt ‘aangezet’ wanneer het in een melkklier-cel de juiste hormonale prikkel krijgt. Hoe de vraag ook wordt geïnterpreteerd, een juist antwoord is in het rijtje van drie niet te vinden. Het is niet de enige vraag waarbij over het antwoord op zijn minst enige discussie mogelijk is. Nu is discussie een wezenlijk kenmerk van de wetenschap, maar discussiëren over slecht geformuleerde of flauwe vragen heeft met een vruchtbare wetenschappelijke gedachtcnwisseling weinig te maken.

Een voorbeeld van slecht formuleren was vraag 1, die wilde weten waarom het opblazen van een ballon steeds minder ‘inspanning’ kost. Natuurkundigen zouden het woord ‘inspanning’ vertalen met ‘energie. In dat geval klopt de vraag niet, want de totale energie die nodig is om het rubber van de ballon uit te rekken neemt allerminst af. Per ingeblazen liter lucht rekt de ballon alleen steeds minder ver uit, alsof we in een steeds lagere versnelling de zelfde helling opfietsen. Het kost de blazer steeds minder kracht, maar het duurt wel veel langer.

Terwijl bij de ene vraag de oplossing moest worden gezocht in de piepkleine details, wordt dat bij de andere weer genadeloos afgestraft. Bij vraag 3, het strooien van suiker op een weegschaal, hield men de wrijving van de lucht buiten beschouwing. Wie dat niet deed, en dus uitkwam op antwoord b, wachtte het rode potlood.

In vraag 11 werd de lezer juist weer geacht details te zien die in de vraag zelf onzichtbaar waren. We moesten begrijpen dat een golflengte van 0,5 niicron precies een geheel aantal malen in een 10 mm brede ruimte tussen twee spiegels past. Maar voor natuurkundigen is die conclusie nogal voorbarig: als die tussenruimte 10,0001 mm breed is, treedt het beoogde effect, een ‘staande golf, niet op.

Vraag 15 ging over de ontwikkeling van het vroege embryo. ‘Daarbij vormt zich een holte,’ luidde de tekst. Het lijkt alsof de holte binnenin het eerste bolletje cellen wordt bedoeld. Die holte vormt in het latere lichaam echter niets, of het zou zoiets als de buikholte moeten zijn.

De vragenstellers bedoelden een verschijnsel in het volgende stadium, wanneer zich een steeds dieper wordende inkeping in het bolletje cellen vormt. De opening van deze inkeping heet in de biologie de ‘blastopore’, oftewel ‘primitieve mond. Wordt deze ‘primitieve mond’ later ook de echte mond, is dus eigenlijk de vraag. Nee, zegt NWO, het wordt de anus. Dat klopt alleen bij de circa 50 000 diersoorten die vallen onder de groep der Deuterostomia, zoals de mens en alle andere gewervelden. Maar bij de meer dan een miljoen soorten die vallen onder de Protostomia, zoals weekdieren, wormen en geleedpotigen, ontstaat de mond wel degelijk uit de primitieve mond. Als het op een stemming in het dierenrijk zou aankomen, is het officiële antwoord kansloos.

Het is jammer dat een aardig idee als een Nationale Wetenschapsquiz door slordigheid en gedachteloosheid van de opstellers van de vragen uitmondt in gekissebis over foute antwoorden en futiele details. Dat leidt niet tot enthousiasme voor de wetenschap bij lezers of kijkers.

Om een herhaling daarvan te voorkomen, moeten de organisatoren zich eerst afvragen of zij in een Wetenschapsquiz werkelijk het vermogen om instinkertjes te doorzien willen testen, of de ervaring om uit meerkeuzevragen, zonder enige kennis van zaken, het juiste antwoord te destilleren. Een Wetenschapsquiz zou bijvoorbeeld ook kunnen onderzoeken hoe groot de wetenschappelijke kennis in de moderne samenleving is. Weten krantelezers wat er wel en niet mogelijk is met genetische manipulatie? Wat de criminologie heeft te melden over de relatie tussen strenge straffen en misdaad? Welke migratiegolven ons land in het verleden al heeft verwerkt? Wat het betekent wanneer een geneeswijze wetenschappelijk is getoetst? Hoe de statistiek zo kan worden misbruikt dat het lijkt alsof de ooievaar ons onze kinderen brengt? Het geheel zou kunnen worden aangevuld met vragen die de parate kennis over belangrijke feiten en ontwikkelingen in de geschiedenis van de wetenschap op de proef stellen.

Een Nationale Wetenschapsquiz in deze opzet zou er zeker informatiever op worden. En hij zou een stuk leuker zijn ook.

Deze antwoorden keurden de organisatoren goed. Tussen haakjes de antwoorden die ook of zelfs beter kunnen.
1:b 2:a 3:a(b) 4:c(b) s:c 6:b 7:a 8:c 9:b 10: a ll:c 12: c 13: b 14: a 15:b(c)16:c 17: c 18: b 19: c 20: c() 21 :b 22: b 23: a 24: b 25: a 26: c 27: c 28: a() 29: b 30:a(b); 31: c 32: b.