Menu Close

Weken vieze nagels onder water dan niet schoon?

De Groninger Biologen Duikvereniging ‘Calamari’ bestaat twintig jaar. Dit vierde lustrum werd afgelopen vrijdag gevierd met een symposium onder de titel Een zee van werk’. Een wat misleidende titel, aangezien het uitzicht op werk voor biologen nog slechter is dan voor  de meeste andere academici. Vandaar dat het symposium uiteindelijk uitliep in een wel zeer concrete cursus ‘Hoe verwerf ik een baan of carrière’.

In het kader van de taak verdelingsoperatie is de Groningse subfaculteit Biologie al geruime tijd bezig met het ontwikkelen van een specialisatie Mariene Biologie, de biologie van de zee. De keuze van deze specialisatie lag historisch gezien voor de hand vanwege de contacten die reeds lang bestonden met instituten voor het zee-onderzoek. Die waren vooral voortgekomen uit door de overheid gestimuleerde projecten rond de Waddenzee.

Sinds enkele jaren promoot de subfaculteit zich nu bij potentiële studenten op middelbare scholen met fraai ogende foldertjes over ’de studie in de Mariene Biologie’. Daar staan echter geen gegevens in over de toekomstkansen van de afgestudeerde marien bioloog. Wel wordt er goede sier in gemaakt met de duikvereniging Calamari.

Dat is ook één van de redenen geweest voor het organiseren van het symposium, zegt Floris van der Leest, een van de organisatoren: ’ Wij krijgen per jaar meer opgaven binnen van nieuwe leden dan wij mensen kunnen opleiden. Onze capaciteit is niet berekend op die stroom. Tijdens het symposium hopen we dat de mensen zien dat het duiken maar bij heel weinig delen van de Mariene Biologie van pas komt.

Voor het grootste deel bekijk je in dit vak filmpjes, of werk je met een aquarium.”

Rooskleurig

De titel van het symposium is ’Een zee van werk’. Hoort daar geen groot vraagteken achter te staan ? Floris van der Leest: “Daar hebben wij zelf ook veel over gediscussieerd. Maar we zijn bang dat met een vraagteken de titel te negatief zou worden, dat-de mensen weg zouden blijven. Op het symposium zullen ze wel horen dat het niet zo rooskleurig is.”

Inderdaad, dat bleek na aanvang al snel. Prof.dr. G.P. Baerends, waarlijk een éminence grise onder de biologen, sprak het uit bij wijze van troostend woord: Er is een zee van werk, maar helaas nog geen zee van banen.”

Dr. B. Bannink, werkzaam bij de  gloednieuwe Dienst Getijdenwateren van Rijkswaterstaat, durfde het echter aan de pessimistische openingszinnen om te buigen in de richting van voorzichtig optimisme. Hij voorzag voor de komende decennia een verschuiving bij Rijkswaterstaat van het bouwen van grote projecten naar behoud en beheer van de getijdenwateren, ook op milieugebied. Uit de bezorgdheid in de Tweede Kamer voor de teloorgang van de getijdenwateren, leidde hij, koffiedik kijkend af, dat in de toekomst honderden miljoenen guldens subsidiegeld vrij zullen komen, goed voor tientallen banen. Geen vaste banen weliswaar, maar tijdelijke, zogenaamde contractbanen, vooral in multidisciplinair onderzoek.

Maar zoveel banen als Bannink had te vergeven, zo deprimerend werd het vervolg. Dr. F. Colijn, wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep Mariene Biologie zag alleen lichtpuntjes na de te verwachten pensioneringsgolf in de jaren negentig. Mevrouw drs. W. de Ligny, als adviseur werkzaam bij multinational SHELL, beschreef eerst breedvoerig alle, maar dan ook alle, aspecten van haar baan. Zelfs het adres voor de sollicitatiebrieven ontbrak niet. De mededeling dat er over de hele wereld slechts drie Nederlandse biologen in dienst van de SHELL zijn, waarvan er maar één binnenkort met pensioen gaat, bleek de doodsteek te zijn voor welke optimistische gedachten dan ook.

Greenpeace

Ir. J.E. Blom, via het adviesbureau Euroconsult betrokken bij het opzetten van onderzoeksprojecten, zag echter op de lange termijn weer grote perspectieven.

“Hoe je het ook wendt of keert’’, betoogde hij, ’’de menselijke activiteiten zullen zich in de toekomst steeds meer moeten gaan richten op de zee, alleen al vanwege het feit dat die zeventig procent van het aardoppervlak beslaat.”

In deze fase van het symposium werd duidelijk dat er een spreker ontbrak in de rij: graag had ik op dat moment de mening van bijvoorbeeld Greenpeace over deze ontwikkelingen gehoord. Niet iedereen zal immers optimistische gedachten aan deze voortuitzichten ontlenen.

Dr. J. Videler gaf een overzicht van het onderzoek waarop het zoölogische deel van de nieuwe vakgroep aan de RUG zich concentreert. En al snel zat hij op zijn stokpaardje: met dollartekentjes glinsterend in de ogen droomde hij hardop over – op zijn ideeën geïnspireerde – gigantische baggermachines naar analogie van ‘gravende’ slakken.

Prof. Baerends waardeerde achteraf deze inbreng van de stoutmoedige fantasie; hij merkte op dat het dan ook geen toeval is dat de initialen van Videler overeenkomen met die van Jules Verne.

Prof.dr. H. Postma van het Texelse NIOZ (Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee) constateerde tenslotte scherp dat van de acht sprekers, uitgenodigd vanwege hun positie In de wereld van de Mariene Biologie, slechts vier een biologische opleiding hebben genoten, en dat de chemici er blijkbaar aardig in zijn geslaagd de biologische ’vage floepers’ van hun eigen terrein te verdringen. Hij zag op banengebied slechts kansen voor de nieuwe assistenten-in-opleiding.

Rouwrandjes

De dag werd besloten met een forumdiscussie. De eerste vragen gingen nog wel. De onderwijsgevers van de nieuwe vakgroep werd gevraagd of de reclamecampagnes van de subfaculteit wel verantwoord zijn: lokken zij niet in feite mensen naar een werkloze toekomst? Het antwoord luidde dat het aantal studenten dat er op af komt nog niet zo groot is, en dat ze voor deze afgestudeerden nog een plaatsje verwachten te kunnen vinden op ’de markt’. Maar vanaf het moment dat iemand uit de zaal de moed had de forumleden te gaan vragen hoe hij moest handelen bij een sollicitatie, begon de zaak uit de hand te lopen. Toen-bij de antwoorden op die vraag zelfs kleding en ’rouwrandjes onder de nagels’ ter sprake kwamen, werd de situatie bij vlagen ronduit gênant.

Geconcludeerd moet worden dat het het symposium ontbroken heeft aan een scherp gesteld onderwerp, waardoor de sprekers de kans kregen eindeloos uit te weiden over hun eigen werkzaamheden en organisaties. Mede daardoor was het bii de meesten van hen dan ook niet mogelijk h hun hele betoog te blijven volgen. En, nogmaals, de aanwezigheid van een organisatie als Greenpeace had de aanwezigen kunnen behoeden voor een misschien goed bedoelde, maar misplaatste banenmarkt.