De Biologiestudie in de Tweede Fase
Als het gaat over de mogelijkheden voor de eerste afgestudeerde studenten uit de Tweefasenstructuur, is niet iedereen even hoopvol gestemd.
Afgestudeerde Biologiestudenten werden tot nu toe in de praktijk opgeleid voor drie belangrijke beroepsmogelijkheden: de leraar, de onderzoeker, en de beleidsgerichte bioloog.
Zoals het er nu naar uitziet zullen er in de komende jaren van de jaarlijks 70 afstuderende biologen slechts zo’n 25 hun studie in de vorm van zo’n opleiding in de tweede fase kunnen afronden. De rest zal andere wegen moeten zoeken.
In de artikelen, nota’s en notities die tot nu toe over de toekomstige tweede fase zijn verschenen, wordt de lezer vooral bedolven onder afkortingen, die de achterliggende ideeën en principes geheel naar de achtergrond dreigen te verdringen. Toch zijn de discussies over de uiteindelijke vorm van de tweede fase voor alle tweefasenstructuur-studenten van levensbelang. Het bepaalt in hoge mate de manier waarop zij in de toekomst zinnig gebruik kunnen maken van de door hen gevolgde studie.
Het is dan ook tragisch te moeten constateren dat niet alleen de oorspronkelijke ideeën over de tweede fase van minister Pais, grondlegger van de nieuwe structuur, volledig onder tafel zijn verdwenen, maar dat bovendien het maken van de plannen voor de uiteindelijke invulling veel te lang is uitgesteld. Een volledige ‘generatie’ studenten verkeert op dit moment in volstrekte onzekerheid over de mogelijkheden hun studie na het ingekrompen doctoraal nog wat meer inhoud te geven.
Studieprofiel
Bij de subfaculteit Biologie studeren jaarlijks ongeveer 70 studenten af. Van hen kwam in het verleden ongeveer de helft in het onderwijs terecht. Een kleiner deel belandde in het onderzoek, op universiteiten dan wel in het bedrijfsleven, terwijl de rest in ‘de beleidssfeer’ verzeild raakte of het leven helemaal over een andere boeg gooide.
Bij het langzaam optrekken van de mist, die over de plannen rond de tweede fase hangt, wordt duidelijk dat vooral de studenten die door middel van een onderwijsbevoegdheid hun toekomst in het onderwijs veilig wilden stellen, hun plannen steeds onzekerder zien worden. Momenteel leidt de afdeling didactiek van het Biologisch Centrum per jaar nog een kleine 50 studenten op tot eerstegraads bevoegd leraar.
Alleen de snel afstuderende nieuwe stijl-studenten kunnen daar nog een graantje van meepikken, omdat de echte nieuwe lerarenopleiding nog niet klaar is. Zij mogen krachtens de zogenaamde interimregeling zonder instroombeperking deelnemen aan de oude didactiek-opleiding.
Maar het aantal mensen dat te zijner tijd aan de echte tweede fase-lerarenopleiding, die vanaf september 1987 van start zal gaan en een geheel studiejaar zal omvatten, mee zal mogen doen is nog volstrekt onduidelijk. Maar volgens dr. A.P. Kroon, hoofd onderwijs- en studiezaken van de subfaculteit Biologie, zal dat aantal uiteindelijk tussen de 12 en 24 uitkomen. ’’En als het er 24 worden, vind ik dat veel.”
Wat er precies moet gebeuren met mensen die met hun studieprogramma gegokt hebben op een plaatsje in de lerarenopleiding, om dat vervolgens niet te krijgen, is een probleem apart.
Het beste is het ’studieprofiel’ zodanig op te bouwen, dat er ook zonder tweede fase iets mee gedaan kan worden, bijvoorbeeld op het gebied van educatie of voorlichting.
Verlokkingen
De toekomstige onderzoekers zullen gekweekt moeten worden in de vorm van de beruchte Assistenten in Opleiding. Maar in het onlangs gereedgekomen instellingsplan van de RUG blijken vooralsnog maar acht AIOplaatsen voor biologen te zijn gereserveerd. Dat is, vooral in vergelijking met bijvoorbeeld de 40 AIO’s van Scheikunde, niet bar veel. Dr. A.P. Kroon: ’’Dat is een centenkwestie. We zouden er zat kunnen plaatsen, we hebben nu ook veel promovendi. Op den duur zouden het er misschien 10 à 20 kunnen worden. Dat hangt er vanaf hoeveel geld er is. We moeten ze zelf betalen. En Biologie zit krap. Er is zelfs een tekort.”
Een bijkomende complicatie voor nieuwe stijl-studenten is dat afgestudeerde oude stijl-studenten, die een langere vooropleiding en dus veel meer onderzoekservaring hebben, ook op de vrijkomende AIO-plaatsen mogen solliciteren. Er wordt geselecteerd op kwaliteit. ”’Dat is de wetgeving. Maar het is aan de vakgroepen om te bepalen of zij het ook een rare zaak vinden, en of ze dus oude stijlers zullen aannemen. Maar het kan’, aldus Kroon.
Binnen de subfaculteit wordt nog druk gekonkeld over de precieze taken van de toekomstige AIO.
Die zou in totaal ten minste 75 procent van de tijd moeten besteden aan het doen van onderzoek en het volgen van onderwijs, eventueel expliciet in de vorm van concrete cursussen. De overige 25 procent zou dan besteed kunnen worden aan andere dingen, zoals het opvullen van de gaten die er bij Biologie dreigen te vallen in de begeleiding van praktika, door de inkrimping van het aantal studentassistenten.
En verder is het overigens de vraag in hoeverre mensen die zijn afgestudeerd bij vakgroepen als Microbiologie en Moleculaire Biologie het armoedige AlO-bestaan zullen verkiezen boven de financiële en andere verlokkingen van het bedrijfsleven.
Aandachtspunten
Voor degenen die bovenstaande kansen niet zullen krijgen resten nog wel andere mogelijkheden.
Een daarvan is het volgen van onderwijs in de zogenaamde Post-Doctorale Onderwijs Activiteiten. De Minister heeft de Universiteiten uitgenodigd voorstellen te doen voor het opstarten van dergelijke postdoctorale beroepsopleidingen ’’waarbij het beroep niet is wetenschappelijk onderzoeker of leraar.” Voor een aantal daarvan is hij bereid tot het verlenen van een startsubsidie, om de eerste vijf jaar te kunnen overbruggen. Voor de periode daarna is de financiering nog niet duidelijk, maar er wordt gedacht aan geld vanuit het bedrijfsleven, vanuit andere overheidssubsidies of vanuit de portemonnee van de student zelf.
Ook de subfaculteit Biologie heeft op dat verzoek gereageerd met voorstellen. Dat resulteerde in vier opleidingen, op elk ’aandachtsgebied’ van de Groninger biologen één: Biotechnologie, Hersenen en Gedrag, (Bodem)oecologie en Mariene Biologie.
Volgens prof.dr. J. van Andel, voorzitter van de Kommissie voor de Wetenschap bij Biologie, zijn de plannen rond die laatste mogelijkheid nog het verst gevorderd. ’’Het Ministerie heeft zelf wat betreft de Mariene Biologie ook naar Groningen gewezen.
Dat kan nu handen en voeten krijgen. Er zou een Centrum voor Mariene Biologie moeten komen, waar naast de Harense vakgroep ook het op Texel gevestigde NIOZ, het Nederlands Instituut tot Onderzoek van de Zee, aan mee zou moeten doen.
In de nu ingediende plannen zou zo ruimte moeten komen voor 8 extra plaatsen.
Van de kansen op de andere drie voorgestelde opleidingen moet, misschien op de Biotechnologie na, niet al te veel worden verwacht, aangezien het aantal voorgestelde opleidingen in het land het financiële aanbod van de Minister ver overtreft. Maar bij alle drie wordt uiteindelijk gedacht aan 5 a 8 plaatsen.
Redmiddel
Als laatste redmiddel kunnen afgestudeerde biologen, die zich met het oog op de keiharde arbeidsmarkt beter willen profileren in de richting van een beroep, zich storten op de mogelijkheid door te studeren na het behalen van het doctoraaldiploma. Binnen de maximale inschrijvingsduur heeft elke student feitelijk recht op onderwijs, eventueel binnen zijn eigen vakgebied. Dat kan sommigen de kans bieden zich bijvoorbeeld extra te specialiseren op een bepaald gebied, terwijl anderen juist een achteraf wat eenzijdig blijkend studieprogramma alsnog wat kunnen verbreden.
Bovendien kan op deze manier geprobeerd worden met wat gerichte studie-aanvullingen búiten de eigen subfaculteit de beroepsmogelijkheden wat te ver- | groten. Initiatieven van deze soort zuilen vanuit de Universiteit echter niet enthousiast begeleid worden, aangezien ze extra geld kosten. Ze zullen dan ook wel wat doorzettingsvermogen van de student vereisen.
Het totaalbeeld van de biologische mogelijkheden in de Tweede Fase is uiteindelijk niet om over te juichen. Van de jaarlijks te verwachten uitstroom van 70 studenten zullen op den duur slechts 20 á 25 op de eigen subfaculteit een opleiding tot leraar of onderzoeker kunnen volgen.
De rest zal zich creatiever moeten opstellen, om een zinnige opleiding in andere dan deze twee beroepsrichtingen te kunnen bevechten. En wat voor hen de Biologiestudie uiteindelijk waard zal blijken te zijn geweest, kan alleen maar worden afgewacht.
