VIJF JAAR heeft het geduurd, voor een onafhankelijk onderzoeksteam in het openbaar de spectaculaire en controversiële experimenten van Jacques Benveniste durfde te herhalen. Deze week publiceren zij hun resultaten in het Britse wetenschappelijke tijdschrift Nature — hetzelfde blad dat de affaire in 1988 in gang zette door Benveniste’s claims eerst te plaatsen, Maar ze een maand later, na een inderhaast ingesteld onderzoek naar zijn methodieken, met veel misbaar weer te verwerpen.
De nieuwste uitslag betekent een overwinning voor de gevestigde wetenschap, En dus een uitgesproken teleurstelling voor homeopaten die dankzij Benveniste hard bewijs voor de werkzaamheid van hun oneindige verdunningen in handen dachten te hebben. Want, schrijven deze week de Londense onderzoeker S.J. Hirst en zijn collega’s, “wij hebben geen enkel bewijs kunnen vinden dat zeer hoge verdunningen van anti-IgE, geschud of ongeschud, enig herhaalbaar effect hebben op de degranulatie van menselijke afweercellen.
Toch was dat precies wat Benveniste vijf jaar geleden wèl had gevonden. In zijn proef gebruikte hij een bepaald type afweercellen uit menselijk bloed, basofiele leukocyten geheten. Uit die naam kan al worden afgeleid dat deze afweercellen basische stoffen aantrekken. Daardoor kunnen ze met basische kleurstoffen ook gemakkelijk zichtbaar worden gemaakt.
Het laatste kan niet meer, wanneer de afweercel tevoren is geprikkeld door een stof die allergiereacties oproept. De cel laat dan de inhoud van kleine blaasjes -genula — los in de omgeving, en is niet meer te kleuren. Onder de microscoop zijn geprikkelde, ‘gedegranuleerde’ afcellen dus gemakkelijk te onderscheiden van niet-geprikkelde, en daarom kleurbare cellen.
Benveniste constateerde, dat de afweercellen geprikkeld kunnen worden door oplossingen die zó vaak zijn verdund, dat er volgens de wetten der natuur- en scheikunde geen enkel molecule van de prikkelende stof meer aanwezig is. Ook wanneer de oorspronkelijke oplossing vele triljoenen malen is verdund — Benveniste ging tot een 1 met 120 nullen — bleef de vloeistof biologisch actief.
Het effect werkte alleen wanneer de verdunningen in stappen van tien of honderd werden uitgevoerd, en na elke stap ten minste tien seconden flink werd geschud — alles volgens de regelen der kunst van de homeopathie. Het enthousiasme uit deze hoek was dus begrijpelijk.
Benveniste bedacht ook een ‘verklaring’ voor he» opmerkelijke resultaat: volgens hem verandert de stof, dankzij het schudden, de ‘interne structuur’ van het water. De vloeistof zou daardoor een soort ‘geheugen’ bezitten, zodat het effect bewaard blijft ook al is de stof zelf al wegverdund.
Omdat zowel de uitkomst van het experiment als de fantasierijke verklaring indruisten tegen de geldende wetten van de materie, besloot de hoofdredacteur van Nature persoonlijk poolshoogte te nemen in het Parijse laboratorium van Benveniste. Hij nam twee mensen mee die hadden bewezen een goed oog te hebben voor bewuste of onbewuste misleiding.
Het zelfbenoemde ‘fraudeteam’ liet de proef nogmaals uitvoeren, maar nu zo dat Benvenistes medewerkers niet meer wisten of ze ‘behandelde’ of’onbehandelde’ cellen telden: de buisjes werden genummerd. Om zelfs de meest inventieve fraudeurs dwars te zitten werd het bijbehorende lijstje opgerold in aluminiumfolie en in een verzegelde envelop tegen het laboratorium-plafond geplakt.
De proef mislukte grandioos. Het team vertrok, en beide partijen trokken in de pers fel tegen elkaar van leer — men verbaasde zich over het wederzijds getoonde ‘amateurisme’.
Een regen van afkeurende ingezonden brieven daalde in de weken erna neer op de bureaus van het eerbiedwaardige Nature: men had er een potsierlijke vertoning van gemaakt, in plaats van het enig juiste te doen: het experiment door onafhankelijke onderzoekers laten herhalen.
We hebben er even op moeten wachten, maar met de publikatie van deze week is dat advies uiteindelijk opgevolgd. Met subsidie van de Britse Raad voor Onderzoek naar Aanvullende Geneeswijzen — die ongetwijfeld hoopte op een voor homeopaten gunstige uitkomst — deden de onderzoekers in Londen zo getrouw mogelijk de proeven van Benveniste na. Ook zij zorgden ervoor dat de experimenten volledig ‘blind’ werden uitgevoerd. Voor het schudden van de oplossingen kregen zij een speciale schudmachine van een fabrikant van homeopatische middeltjes te leen.
In grote lijnen volgt de uitkomst van Hirst de natuurwetenschappelijke verwachtingen: alleen de kleinste verdunningen, waarin dus nog een redelijke hoeveelheid moleculen van de stof aanwezig is, bleken beter in staat de afweercellen te prikkelen dan een willekeurig potje water dat dezelfde behandeling heeft ondergaan. Wanneer de stof flink wordt verdund, valt doorgaans geen verschil tussen de twee meer waar te nemen.
Doorgaans — want na alle benodigde statistische tovertrucs bleven de onderzoekers toch nog met enkele onverklaarbare, statistisch zéér significante meetpunten zitten waarbij de verdunde oplossing, geschud of ongeschud, beter presteerde dan gewoon water. Waar deze afwijkingen vandaan komen is echter volstrekt onduidelijk. Ze vertonen geen herkenbaar patroon, noch lijken ze iets te maken te hebben met de manier waarop de verdunningen worden gemaakt.
Theoretisch is het mogelijk dat de verschillen berusten op toeval, concluderen de Britse schrijvers. Maar ook een onbekende factor in de proefopzet zou er mee te maken kunnen hebben. “Het geeft natuurlijk geen enkele steun aan de bevindingen van Benveniste,” voegen zij er voor de zekerheid aan toe. “Het maakt alleen nog eens duidelijk hoe ingewikkeld èen dergelijk experiment en de bijbehorende statistiek is.”
Helaas laten ze de meest voor de hand liggende conclusie weg: gezien de enorme fluctuaties die de proef in alle geteste preparaten liet zien, is hij bij uitstek ongeschikt om de natuurwetenschap volledig op zijn kop te zetten. Niet dat Benveniste inmiddels geen andere proeven heeft bedacht — met succes zelfs, volgens hemzelf. Maar het zaftiiet eenvoudig zijn nog een tijdschrift te vinden dat de vingers daaraan wil branden.