Menu Close

In de cel door een moddervlek

Vingerafdrukken vergelijken is geen wetenschap

De eeuwenoude vingerafdruk rukt steeds verder op: binnenkort staat hij ook in ons paspoort. Maar niemand weet hoe betrouwbaar toepassing van de identificatie-methode eigenlijk is.

Als Spaanse vingerafdrukexperts het niet hardnekkig met hun Amerikaanse collega’s oneens waren gebleven, dan zat Brandon Mayfield, een islamitische advocaat uit Seattle, vandaag wellicht nog steeds achter de tralies — te wachten op veroordeling wegens medeplichtigheid aan de grote terreuraanslagen in Madrid, nu net een jaar geleden.

Mayfield was volmaakt onschuldig, zo bleek achteraf, ook al was hij in eigen land aangewezen door een methode die al meer dan een eeuw symbool staat voor onfeilbaarheid: de oude, vertrouwde vingerafdruk.

De affaire-Mayfield is niet de eerste aanwijzing dat ’s werelds oudste forensische identificatie-methode minder onkreukbaar is dan alom wordt aangenomen. Maar de spectaculaire zaak heeft een tot nu toe slechts smeulend vuurtje van kritiek wel flink aangewakkerd. Wereldwijd worden ‘dactyloscopisten’ geconfronteerd met wetenschappelijke twijfel aan een techniek die decennia lang boven twijfel verheven leek.

Hun respons, zegt psycholoog en onderzoeker Itiel Dror van de Universiteit van Southampton, zal bepalend zijn voor de toekomst van de vingerafdruk-methode: als ze zich verzetten tegen verandering, dan zou de methodiek uiteindelijk ten onder kunnen gaan.

Niemand weet hoeveel onschuldigen er door verkeerde vingerafdruk-vergelijkingen in de gevangenis zijn beland. Nog nooit is systematisch getest hoe vaak de experts ernaast zitten. Duidelijk is alleen dat elke keer als een deskundige een smoezelig spoor koppelt aan een verdachte, zijn ‘absolute zekerheid’ niet op wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd.

De discussie wordt met de dag belangrijker, want de toepassing van de vingerafdruk neemt nog steeds toe. Vergeleken met DNA is de vingerafdruk als persoonskenmerk gemakkelijk af te nemen, op te slaan en te analyseren. Overal ter wereld groeien de databanken met referentie-afdrukken als kool. De Verenigde Staten verzamelen al de afdrukken van meer dan honderdduizend dagelijks binnenkomende reizigers. Over een paar jaar bevat het paspoort van elke Europese burger een chip waarin de vingerafdruk elektronisch is vastgelegd — in zes Nederlandse gemeenten wordt al met zo’n paspoort geëxperimenteerd.

Vanaf daar is het nog een kleine stap voordat vingerafdrukken van ieder van ons wel ergens in de computer zitten.

De geschiedenis van de vingerafdruk als identificatie-methode gaat eeuwen terug, maar pas eind negentiende eeuw begonnen de Britse antropoloog Francis Galton en navolgers als Edward Henry de zaken serieus aan te pakken. Nog altijd vormen hun inventarisaties van ribbelpatronen op de menselijke huid de basis onder de dactyloscopie.

Galton concludeerde op basis van zijn verzameling afdrukken dat de lijnen op onze vingertoppen uniek en over het leven onveranderlijk zijn, en dus te gebruiken zijn om iemands identiteit vast te leggen. Henry ontwierp een classificatiesysteem dat het vergelijken van grote aantallen afdrukken mogelijk maakte. Na zijn aanstelling bij Scotland Yard, in 1901, verspreidde de nieuwe opsporingsmethode zich als een lopend vuurtje. Politiediensten in Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Europa voerden de methodiek met enthousiasme in.

In de loop der jaren werd meer bekend over de achtergronden van de afdruk. De ribbeltjes op de opperhuid, zo bleek, worden gevormd uit structuren in de onderhuid die al vroeg in de zwangerschap door een combinatie van aanleg en toeval ontstaan. Het patroon van lijnen en poriën verandert inderdaad niet: ook na een ongelukje met de kaasschaaf komt het plaatje terug.

De bijdrage van toeval betekent dat identieke tweelingen verschillende afdrukken hebben. Het zorgt ook voor de aanname dat, als je maar goed genoeg kijkt, geen twee individuen op aarde dezelfde afdruk hebben. Bewijs voor die stelling werd nooit geleverd, en is ook moeilijk te geven. Pas de laatste tijd, met geautomatiseerde databanken die regelmatig miljoenen afdrukken met elkaar vergelijken, kunnen experts dit element van de theorie met enige geloofwaardigheid onderbouwen: nog nooit rolden uit een computergestuurde vergelijking twee individuen met dezelfde vingerafdruk.

Tot voor kort hoefden experts in de rechtszaal zulke bewijzen echter ook nooit aan te roepen. De vingerafdruk draait al zo lang mee, en bracht al zo veel mensen met succes achter de tralies, dat de uitkomsten van de methode tot voor kort voor zoete koek werden geslikt. Verdachten bekennen schuld wanneer hun vingerafdruk wordt aangetroffen, en ook voor rechters geldt het als ijzersterk bewijs.

Dat de onwankelbaar geachte vingerafdruk nu toch begint te wankelen, komt deels door de opkomst van DNA-bewijs – ironisch genoeg vaak ‘de genetische vingerafdruk’ genoemd.

Het genetische broertje moest als identificatie-methode veel twijfels overwinnen, en dat gebeurde door uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Dat stevige fundament heeft DNA-bewijs in de forensische wetenschappen inmiddels tot de koningin van het bal gemaakt. Hiermee vergeleken steekt de klassieke vingerafdruk opeens nogal magertjes af.

De belangrijkste kritiek op de vingerafdruk geldt niet zozeer de theorie als wel de dagelijkse praktijk. Het vergelijken van twee scherpe, volledige afdrukken uit een politiebestand is niet het probleem, zeggen de critici. De werkelijke vraag is of de halve, vervormde en smoezelige afdrukken die worden teruggevonden op de plaats van een misdrijf wel echt zo betrouwbaar kunnen worden vergeleken met afdrukken in de politiecomputer. Eén blik op de vingerafdruk van een plastic tas uit Madrid, de afdruk die advocaat Mayfield in de gevangenis deed belanden, maakt al duidelijk dat het hier niet om een exacte wetenschap gaat.

Vingerafdruk-experts doen in de rechtszaal doorgaans stellige uitspraken: een afdruk behoort óf tot een verdachte, óf niet. Als de kwaliteit van de afdruk geen harde uitspraak toelaat, zeggen zij, dan onthouden ze zich van een oordeel.

Achter die schijnbare duidelijkheid in de rechtszaal gaat echter een subjectief beoordelingsproces schuil. Binnenskamers zijn experts het regelmatig oneens. Elk land heeft zijn eigen vergelijkings- en verificatie-procedures. Collega’s controleren elkaars werk om foutieve identificaties te voorkomen. Meestal komt een oordeel pas naar buiten als men het eens is. Maar soms valt zo’n unaniem oordeel door de mand wanneer het wordt voorgelegd aan deskundigen búiten de landsgrenzen. Eén van die gevallen was de afdruk die Brandon Mayfield in de gevangenis bracht.

Vrijwel direct na de Madrileense aanslagen vond de Spaanse politie een plastic zak met ontstekers. Op die zak zaten vingerafdrukken. Het waren weinig meer dan smoezelige vlekken, zoals meestal bij afdrukken behorend bij misdrijven.

Interpol mailde digitale kopieën van de vlek rond de wereld. Op het laboratorium van de FBI, gelegen in de bossen ten zuiden van Washington, was het snel raak. Uit de snel groeiende Amerikaanse vingerafdruk- databank, met daarin nu ongeveer 47 miljoen afdrukken, selecteerde de computer tien kandidaten. Een ervaren menselijke expert vond nummer 4 een echte match.

Twee collega’s bevestigden het oordeel. Dat deed enkele weken laten ook een onafhankelijke, door de advocaat van Mayfield aangewezen expert. De vier ervaren deskundigen waren unaniem: de vingerafdruk uit Madrid was van Mayfield. Toen geheim terrorisme-onderzoek uitwees dat de advocaat bekeerd was tot de islam en een man kende die de Taliban in Afghanistan had gesteund, leek de zaak tegen Mayfield bekeken.

Maar de Madrileense politie was níet overtuigd van de match. Ook na een bezoek van FBI-collega’s bleven de Spanjaarden zoeken. Enkele weken later arresteerden ze Ouhnane Daoud, een Algerijn wiens vingerafdruk óók met het spoor overeenkwam.

Het vergde nóg een retourtje Washington-Madrid voordat de FBI bakzeil haalde. Drie weken na zijn arrestatie werd Mayfield, met excuses, vrijgelaten.

Mayfield is niet de enige die door een foutieve identificatie in moeilijkheden kwam. Berucht is bijvoorbeeld de zaak van de Schotse politieagente Shirley McKie, wier vingerafdruk in 1997 op de plaats van een moord werden gevonden. McKie hield echter vol nooit op die plek te zijn geweest en werd aangeklaagd wegens meineed. Als rechercheur lukte het McKie de aandacht te trekken van politie-experts in het buitenland. Honderdzeventig deskundigen van over de hele wereld gaven haar gelijk: de gevonden vingerafdruk was níet van McKie. Het leverde de agente vrijspraak op, maar nog altijd houden Schotse experts vol dat de afdruk wel degelijk aan haar toebehoorde.

De meeste verdachten krijgen geen hulp van honderden buitenlandse experts die het stellige oordeel van deskundigen in twijfel kunnen trekken. In Boston zat Stephan Cowans bijna zeven jaar in de gevangenis omdat hij in 1997 een politieman in de bil zou hebben geschoten. Maar in 2004 toonde DNA-bewijs aan dat hij níet de dader was geweest. Zonder DNA-identificatie had hij nog tientallen jaren gezeten.

In zijn in 2001 verschenen boek Suspect Identities: A History of Fingerprinting and Criminal Identification beschreef de Amerikaanse wetenschapshistoricus Simon Cole nog meer van zulke soms toevallig ontdekte dwalingen. Tientallen advocaten hebben Cole al gevraagd rechters uit te leggen dat dactyloscopie geen wetenschap is, en dat nog nooit goed is uitgezocht hoe vaak experts er naast zitten.

Eén rechter, in Philadelphia, toonde zich overtuigd, en verbood vingerafdrukbewijs in zijn rechtszaal. Om onduidelijke redenen bedacht hij zich echter een paar maanden later weer.

Ook in Nederland is het debat gaande. Onlangs stonden voor de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten twee leidende deskundigen tegenover elkaar. De eerste was Arie Zeelenberg, voormalig technisch rechercheur en oud-hoofd van de landelijke afdeling vingerafdruk-vergelijking, nu onderdeel van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Twintig jaar lang drukte hij een zwaar stempel op de Nederlandse beroepspraktijk.

Zijn tegenvoeter is Ton Broeders, van huis uit taalkundige en nu hoofd wetenschappelijk onderzoek bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), beter bekend als het Gerechtelijk Laboratorium, in Den Haag.

In Nederland trekken ongeveer twintig vingerafdruk-experts elk jaar nu zo’n tienduizend vingerafdrukken na in de nationale databank. Tweeduizend keer komt het tot een positieve identificatie – maar dat gaat niet altijd zonder discussie.

Elke match, zegt Arie Zeelenberg, wordt door een collega geverifieerd. Ongeveer honderd keer per jaar is die het ermee oneens, wat reden is voor een ‘vraagteken-procedure’. Nog eens drie collega’s kijken daarbij gedetailleerd naar het spoor en de afdruk uit het archief. Ten minste tien, liefst twaalf nauwkeurig omschreven details, zoals twee ribbels die samenkomen of een opvallende huidporie, moeten overeenstemmen. Ongeveer 50 procent van de twijfelgevallen wordt door de drie unaniem tot match verklaard.

Een ‘open cultuur’ op de werkvloer, die erkent dat mensen feilbaar zijn en waarin de baas niet automatisch gelijk heeft, is essentieel bij het uitbannen van de subjectiviteit, zegt Zeelenberg. Hij is ervan overtuigd dat Nederlandse experts, mede door hun grondige verificatieprocedure, wereldwijd tot de voorzichtigste behoren. “Ik heb de sporen uit Madrid destijds bekeken, en volgens onze criteria waren ze onvoldoende om te gebruiken voor identificatie,” aldus Zeelenberg. Hij onderschrijft ook de conclusie die collega-experts na de FBI-misser trokken: de vingerafdruk-methode deugt, het zijn mensen die fouten hebben gemaakt.

Maar het probleem met de vingerafdruk-methode is juist, zegt Broeders, dat de experts als vellers van een subjectief oordeel deel uitmaken van de methode. Als het gaat om de betrouwbaarheid van de uitspraken, zijn mens en methode niet te scheiden.

Volgens Broeders, die sinds vorig jaar ook bijzonder hoogleraar criminalistiek aan de universiteit van Leiden is, staat voor wetenschappers in feite al lang vast dat vingerafdruk-vergelijking in huidige vorm onwetenschappelijk is. Echt wetenschappelijk onderzoek op het terrein gebeurt dan ook nauwelijks meer, zegt hij. Het vakgebied wordt beoefend door politierechercheurs, die niet altijd even wetenschappelijke argumenten en methoden hanteren.

Het weinige beschikbare onderzoek is al even oud, en stelt niet erg gerust. Eind jaren ’80 stuurden Ian Evett en Ray Williams, twee Britse forensisch wetenschappers, aan honderden vingerafdruk-laboratoria in binnen- en buitenland een test met tien praktijkcombinaties van smoezelige sporen en een nette inkt-afdruk. De onderzoekers zelf meenden dat zes paren betrouwbaar tot ‘match’ konden worden verklaard; drie vonden ze grensgevallen, één paar was zéker niet identiek.

De uitkomsten toonden grote verschillen. Geen enkel lab noemde de gegarandeerd ‘onschuldige’ afdruk een match, maar tussen de andere negen vonden Nederlandse deskundigen slechts één match en twee twijfelgevallen, terwijl Amerikanen acht of negen treffers aanwezen. Franse, Duitse, Canadese en Britse experts zaten er tussenin. Ervaren deskundigen, leerde het onderzoek, maakten niet meer of minder matches dan beginners.

Goed onderzoek is ook schaars omdat het lastig en duur is. Lastig is bijvoorbeeld dat experts eigenlijk niet mogen weten dat ze getest worden, maar wel toestemming voor experimenten moeten geven. Duur, omdat het niet meevalt geldschieters te krijgen. Er zijn maar weinig ministers van justitie die zitten te wachten op onderzoek dat hen een machtig wapen tegen misdadigers uit handen kan slaan, om nog maar te zwijgen van de kans dat duizenden rechtszaken zouden moeten worden heropend.

Slechts hier en daar houden wetenschappers zich nog met de vingerafdruk-analyse bezig. De Britse psycholoog Itiel Dror, bijvoorbeeld, was vorige maand in Den Haag om Nederlandse vingerafdruk-experts in een workshop te laten zien hoe gemakkelijk hun waarnemingsvermogen kan worden beïnvloed. Binnenkort publiceert hij een onderzoekje waarin proefpersonen slecht leesbare vingersporen vaker bleken te koppelen aan verdachten na het zien van gruwelijke misdaadfoto’s. Of echte vingerafdruk-experts, dankzij hun procedures, ongevoelig zijn voor zulke emotionele druk, wil Dror de komende jaren testen met deskundigen uit Nederland, Engeland, Israël en Australië.

Ook Broeders gaat met zijn forensisch instituut vingerafdrukken wetenschappelijk onderzoeken. Het NFI richt zich daarbij echter niet op de klassieke methode, maar op de mogelijkheid dactyloscopie op een geheel nieuwe leest te schoeien, naar model van het DNA-bewijs.

Broeders hoopt dat de vingerafdruk-expert, net als nu de DNA-expert, zijn werk straks zal kwantificeren. In plaats van een simpel ja/nee-antwoord op de vraag of een afdruk afkomstig van de verdachte, zou de rechter te horen krijgen hoe groot de kans is dat de match berust op toeval. Met behulp van de nationale afdruk-databank van de KLPD hopen de onderzoekers de eerste stappen op weg naar zo’n nieuw vingerafdruk-systeem te zetten.

Zeelenberg is sceptisch over zulk onderzoek. Het vergelijken van DNA-fragmenten is iets heel anders dan het vergelijken van vingerafdrukken, vindt hij; wie zich beperkt tot de kwantificeerbare elementen, laat 85 procent van de informatie onnodig buiten beschouwing. Niettemin is Zeelenberg, anders dan sommige van zijn buitenlandse collega’s, bereid de ramen open te zetten. “Het is goed dat wetenschappers kritische vragen stellen,” zegt hij — als ze dactyloscopisten bruikbare tips bieden om het vak te verbeteren.

Zelf blijft Zeelenberg er heilig van overtuigd dat vingerafdruk-experts net zolang moeten vergelijken tot ze de rechter kunnen vertellen dat ze het absoluut, honderd procent zeker, weten. “Ik zal nooit zeggen dat ik onfeilbaar ben. Maar in een specifieke zaak mag de rechter me geloven. Dan heb ik er echt alles aan gedaan.”

Voor Broeders is die schijn van absolute zekerheid juist de kern van het probleem, dat zich bovendien uitstrekt tot álle forensische methoden. Identificatie-bewijs is per definitie niet absoluut, zegt hij; afhankelijk van de overtuigingskracht van de gegevens legt het meer of minder gewicht in de schaal. Soms kan een minder overtuigende match de rechter tóch nuttige informatie geven, bijvoorbeeld. Door vast te houden aan de illusie van zekerheid, vindt hij, staan vingerafdruk-experts de wetenschappelijke ontwikkeling van andere bewijsmethoden in de weg, zoals het vergelijken van lichaamsgeuren door honden of het identificeren van inbrekers via een op een ruit achtergelaten oorschelp-afdruk.

Maar wetenschap en juristerij gaan moeilijk samen, weet Broeders. Zijn belangrijkste advies aan de verenigde strafrechtadvocaten was dan ook: als uw cliënt door een forensisch expert in het nauw wordt gebracht, denk dan naast juridische bezwaren óók eens aan de wetenschap. “Bewijs moet niet alleen wettig verkregen zijn,” zegt Broeders. “Het moet óók inhoudelijk overtuigend zijn.”

Related Posts